Zoekplaatje of open boek
1979-09-28
"Ik heb niet in het verborgen gesproken noch ergens in het land der duisternis; Ik heb tot het kroost van Jakob nooit gezegd: Zoek Mij tevergeefs; Ik, de HEER, spreek, wat recht is; verkondig, wat rechtmatig is."- Jaargang 23
- nummer 36
Wij, mensen, proberen telkens weer God te verklaren uit het leven. Veelzeggende uitdrukking gebruikt de profeet Jesaja daarvoor in dit gedeelte. "Ergens in het land der duisternis. "
Wij zoeken naar God nogal eens in het "ergens".
Zoals wij op een zoekplaatje een verborgen figuur moeten zoeken. Ergens. Rechts boven of links beneden. Ergens ...
iets onbepaalds.
Het woord gebruiken we vaak, als we het niet precies weten. "Ergens", zeggen we dan,\heeft deze tijd wel iets goeds. Of: "Ergens" zal er wel een God zijn. Je kunt dan gevoegelijk zeggen, dat we er niets van weten. Net zoals op het zoekplaatje.
U weet dat wel, een tekening, een wirwar van lijnen met een bepaalde voorstelling en dan, daarin verborgen, een figuur, die daarbij behoort. B.v. een jager en dan moet je "ergens" zijn hond zoeken. Of een boer op de boerderij, en dan gaat het erom, dat je "ergens" de boerin ziet.
Zo willen we telkens God ontdekken in de verwarring van lijnen, die met elkaar en door elkaar het leven vormen.
Je boft, als je Hem kan vinden. Maar meestal lukt het niet.
Want als je God uit het leven wilt verklaren, loopt het er altijd op uit, dat je Hem niet kunt vinden.
Je zoekt in de kriskras van lijnen "ergens" naar God, die dat leven zou moeten regeren. Maar Hij is de grote onbekende.
God is nergens. Hij is de God, waar je niets van weet. God is nergens. God is overbodig. God is dood, zeggen we vandaag.
En zo'n zoekplaatje is een leuk tijdverdrijf als kinderspel, maar je doet er in 'het leven niets mee.
Ook de mensen in Jesaja's tijd kenden dit probleem.
De historie van het joodse volk was uitgelopen op de duisternis van bezetting en ballingschap. "Ergens" in dit land van duisternis moest God toch zitten. Maar waar moet je Hem zoeken? Waar kun je Hem horen?
Dat was voor de mensen uit Babel niet zo'n probleem.
In Babel spreken goden in verborgenheden, in mysteriën, in vraagtekens:' Een god spreekt daar in geheime, onleerbare tekens op de muur of in vreemde zelfprojekties, in angstaanjagende dromen in de slaap.
De sterrenkijkers en de magiërs; de paragnosten en de hypnotici; de priesters en de theologen, dié kunnen over die God orakelen en tot zijn geheimen doordringen, maar een gewoon mens van de straat snapt daar geen biet van.
Nu is daar een andere dynastie gekomen. Koning Kores (of Cyrus) wil alle volken hun eigen godsdienst laten houden, dan heb je met die mensen het minste last. Jesaja zegt, dat die koning Cyrus een knecht van God is; hij krijgt zelfs de naam: Knecht des Heeren; een naam, die alleen bestemd was voor de grote Verlosser, die Israël verwachtte. Snap je daar nu iets van? Wie kan er nu achter komen, wat die God precies wil? Wie kan in die wirwar van lijnen nu ergens de werkelijke, levende God ontdekken? Is Hij niet de grote onbekende? Iemand uit het land der duisternis?
Wie herkent hier niet iets van de onzekerheid en twijfel, die ook de geschiedenis van onze tijd van streek brengt?
Natuurlijk, theologen kunnen prachtig preken over de apokalyptische omwentelingen van onze tijd; maar wat zie je van die God van de apokalyps in de krant en in het journaal?
Als je in dat levensgewoel en in dat levensgevoel God moet ontdekken, wordt het weer een zoekplaatje. Je kunt zondags in de kerk héél vroom van God praten en zingen, maar maandag op kantoor en dinsdag op school is Hij nergens meer. Waarom zegt die God dan niet iets hardop in dit land van duisternis? De mens van nu wil niet eens meer zoeken; hij heeft God niet meer nodig, want hij kan op zijn eigen benen staan, meent hij en kan het daarom wel zonder de projektie van het geloof stellen.
God zoeken is een leuk spelletje als tijdverdrijf voor vrome dromers. Maar, als ik er zelf werkelijk ben, dan is God nergens meer, zegt één van de wijsgeren van vandaag.
En (voordat we deze wijsgeer veroordelen) moeten we konstateren, dat de profeet Jesaja zegt: deze man heeft (ondanks zichzelf) gelijk.
Want ja, de God, die je uit het leven wil verklaren, die is onherroepelijk dood.
Sterker nog, die God is er nog nooit geweest.
Die God is een hersenschim; een denkprodukt; van de mens, die (naar Gods beeld geschapen) met de rug naar God- en met de ogen dicht voor God staat.
Want zelfs de vrome jood uit Jesaja's dagen, vergeet, dat het leven van zijn volk, God niet verklaart, maar dat de God van Abraham, Izaäk en Jakob het leven verklaart.
En zo vergeten wij maar al te gauw, dat het journaal God niet verklaart, maar dat de levende God het journaal verklaart.
Want, zegt de levende God, ik ben geen zoekplaatje maar een open boek.
Heel konkreet zegt Jesaja dat.
"Ik heb niet in het verborgen gesproken."
Ik ben niet de God van orakels en sterrentaal Ik schrijf Mijn Naam niet op deuren en glazen.
Dát doen alleen gekken en dwazen.
Ik ben een open boek, dat ieder duidelijk lezen kan.
Ik heb ook niet ergens in het land van de duisternis gesproken.
Ik heb duidelijk gezegd, wie Ik ben en wat Ik doe.
Een kind kan er bij. Geen orakeltaal.
Geen geheimschrift.
En daarom is er niemand, die ernstig naar Mij zoekt, die Mij niet zou kunnen vinden.
God, de levende God, speelt geen schuilevinkje.
Hij heeft nooit gezegd: Zoek Mij tevergeefs.
Maar dan moet je letten op mijn woorden en beloften.
Je moet beginnen bij mijn verbond en mijn toezeggingen.
Niet Mij uit het leven verklaren, maar het leven uit Mij.
Ik, de HEER, spreekt, wat recht is. Ik verkondig, wat geoorloofd is.
Ik heb gedreigd met verbanning, als jullie niet luisterden.
Ik heb ook herstel en wederkeer beloofd, als jullie je bekeerden.
Wat er nu gebeurd is onder de koningen van Babel en wat er nu komen gaat onder Cyrus, dat heb Ik duidelijk en konkreet gezegd.
Daar zit niets stiekums of heimelijks in.
Geen orakeltaal of astrologische lijnenwirwar.
Maar recht toe, recht aan.
Zó ben Ik.
Géén zoekplaatje, maar een open boek.
Dat zal, zegt Jesaja, straks duidelijk uitkomen, als - de Knecht van de Heer (Cyrus) zal doen (ondanks zijn eigen bedoelingen) wat ik beloofd heb. In de wirwar van zijn lijnen, kun je de levende God niet vinden.
In de openbaring van Góds lijnen zul je Hem ontmoeten.
Die God zoeken, is geen vergeefse bezigheid.
Want in dat open boek van zijn openbaring kijk je de levende.
God recht in zijn hart.
Wat dan in het nieuwe verbond nog geweldiger openbaar wordt in de grote Knecht van de Heer, zijn Zoon Jezus Christus, waarvan Jesaja al gesproken had.
God moet je. niet zoeken in het journaal of in de krant.
Dat zijn allemaal maar geheimtekens.
Wie de levende God buiten de deur heeft gezet, zal zijn verwachtingen moeten vinden in de astrologische kalender of in spiritistische verwikkelingen: "Ergens in het land van de duisternis."
De levende God moet je zoeken in zijn Zoon Jezus Christus, het open boek van Gods genade. Wie God zoekt in Jezus Christus, kijkt God in zijn hart.
Nooit, nooit, heeft iemand tevergeefs een beroep gedaan op Jezus. Hij is het hart van God. Het open boek van zijn liefde en recht.
God houdt ons niet voor het lapje.
Laat ons niet het liedje van verlangen zoeken. Zoek mij tevergeefs. Maar leert ons wél het ver langen naar de dag van Zijn verschijning.
Heb je wel eens zó gebeden?
Heb je wel eens zó gedankt?
Want wie zó God zoekt, zoekt niet tevergeefs.
De levende God is geen zoekplaatje; maar een open boek.
Maar je vindt Hem. niet bij een open krant, wel bij een open bijbel.
Looft God, want Hij spreekt onze taal;
Hij troont op onze lof.
In woord en doop en avondmaal
houdt Hij bij ons zijn hof.
(lied nr. 319, vers 4)