Zo was het (31)

1979-09-28
  • Jaargang 23
  • nummer 36
Er was veel misverstand bij veel kerkleden omtrent het werk van God in en aan en door de gelovigen. Bij leden van verschillende kerken. Men sprak wel eens van de Gereformeerde kerk als een oase in de woestijn van de lijdelijkheid. Maar met, die "oase" stond het naar' mijn overtuiging niet al te best, Er drong vrij wat zand uit de woestijn in door. Als ik het Evangelie bracht met bevel van geloof en bekering, dan was het antwoord 'Vaak: Maar God moet het toch doen? Hij moet ons toch het geloof geven en de bekering en de Heilige Geest moet ons toch vernieuwen? Dat kunnen wij toch niet doen? Dan wees ik er op, dat Nikodemus in Joh. 3 niet alleen werd onderricht over de noodzakelijkheid van wedergeboorte, maar dat hem ook de weg werd gewezen, die hij te gaan had. Veel hielp het meestal niet. Het was er maar ingeheid: Wij kunnen niets doen als God ons niet wederbaart door de Heilige Geest. En velen wachtten lijdelijk af of er iets met hen gebeuren zou. Velen wachtten tot het eind van hun leven. En gingen heen "in de hope des eeuwigen levens", zoals vaak in de rouwadvertentie stond. Maar die "hope" had weinig te maken met de bijbelse hoop: zeker weten en vast vertrouwen.

Wat het werk van de Heilige Geest betreft dacht men vrij algemeen, dat dit om zo te zeggen buiten onze activiteit om gebeurde. Dat werd ook op menige kansel aan de schare ingeprent. Met dit gevolg, dat velen wel durfden zeggen: Ik geloof in God. En ik geloof in Jezus Christus. Dat sprak toch eigenlijk vanzelf? Maar, zo verzuchtte menigeen: Mocht de Heilige Geest mij maar echt geloof geven en echt bekeren en nieuw leven schenken, Ik heb getracht duidelijk te maken, dat we over de Heilige Geest alleen met verstand konden spreken als we ons door de Schrift lieten onderrichten. En dat we over de Heilige Geest alleen gelovig goed konden spreken. We belijden met de Kerk van alle plaatsen en alle tijden: Ik geloof in God, de Vader. En ik geloof in Gods eniggeboren Zoon. En ik geloof in de Heilige Geest.

Er staat niet: ik gevoel of ik tast of ik bemerk de Heilige Geest. Maar: ik geloof in de Heilige Geest. En dat staat er terecht. Want God de Vader en de Zoon en de Heilige Geest zijn één. Hoe kennen wij God de Vader?
Omdat Hij Zich in zijn Woord geopenbaard heeft. Hoe kennen wij Jezus Christus onze Heer? Door het Evangelie. En zó kennen we ook de Heilige Geest en zijn werk.

Het is alsof men een herhaling van zoiets als de uitstorting van de Heilige Geest verwacht. Dat men daarop hoopt. Ik kan daar wel in komen. Ik zou er ook wel bij willen geweest zijn tijdens de omwandeling van de Here Jezus op aarde. Zou dat niet heerlijk zijn. Zijn stem direkt horen, zijn wonderen zien, zijn hand eens aanraken of op ons voelen liggen?

Maar dát beleven wij niet. We mogen en moeten gelóven, zonder gezien te hebben. Eénmaal is de Heiland geboren, éénmaal heeft Hij geleden.
Dat éénmaal geldt van alle heilsfeiten. Maar dat geldt ook van de uitstorting van de Heilige Geest. Het zou trouwens niet helpen, al waren we, er bij geweest. Want velen, die ervan hoorden, hebben gezegd: die discipelen zijn dronken! Ze geloofden niet, dat God zijn Geest door Jezus Christus had uitgestort. Ook toen kwam het op geloof aan en zo is het voor ons nog.

We moeten wel bedenken, dat de Heilige Geest de Geest van God is en de Geest van Jezus Christus. Hij werkte al onder het oude volk. Kon toen ook al wederstaan worden. Kon toen ook al van iemand wijken.
Zodat David in Ps. 51 vraagt: "Neem uw Heilige Geest niet van mij".

Diezelfde Geest is in de volheid van de tijd over de gemeente uitgestort, Door Jezus Christus, zoals Petrus verkondigt op de Pinksterdag: "Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij getuigen zijn. Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte van de Heilige Geest ontvangen heeft van de Vader, heeft Hij dit uitgestort, wat gij ziet en hoort". En in Hand. 2: 38 antwoordt Petrus op de vraag van velen, wat zij moeten doen: "Bekeert u en ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen. Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die ver zijn, zovelen als de Here onze God er toe roepen zal". Ook toen kwam het al op geloof in de belofte aan. Ook toen werkte Gods Geest niet in zondaren als "stokken en blokken". De HERE werkt door Woord en Geest niet automatisch. Hij werkt in het leven der gelovigen niet zonder hun activiteit. Naar mijn overtuiging is de verhouding van Gods werk en ons werk niet te doorgronden of na te speuren. Het is een wonderlijk geheim. Er zijn kringen waar keurmeesters precies moeten weten hoe zij tot geloof zijn gekomen en hoe hun bekering toeging en wat zij zoal beleefd hebben. Tal van kenmerken zijn opgesomd waaraan men het echte werk Gods kon onderscheiden van mensenwerk.

Strenge keurmeesters hebben er nog kenmerken van kenmerken aan toegevoegd.
Terwijl de Here Jezus zelf ons heeft geleerd, dat de werking van de Geest ondoorgrondelijk is. Hij leerde immers in Joh. 3 : 8: "De Wind blaast waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren is". Hebben we de Here Jezus lief? Geloven we in Hem als onze Zaligmaker?

Wat doet het er dan toe hoe wij daartoe gekomen zijn. Laten wij geen lasten opleggen, die zwaar zijn om te dragen. Dat deed de Here Jezus niet en wij mogen dat niet doen. Dat hele scharen zich hebben afgetobd met de vraag of zij wel echt wedergeboren waren en of zij wel echt geloofden en of zij wel duizend en één kenmerken hadden, waaraan zij dat konden constateren, is de schuld van prekers - te goeder trouw waarschijnlijk - die de goedgelovige hoorders tot zulk een onmogelijk onderzoek opwekten. De arme schapen werden en worden "mager" gehouden.

Maar, zal iemand mogelijk vragen: Er zijn toch wel kenmerken? Lees Gal. 5: 22 maar eens! Daar is sprake van de vrucht van de Geest. Daarvóór noemde Paulus de werken van het vlees, die duidelijk zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid enz. Die "werken van de oude natuur" zijn nog duidelijk te constateren. Daarop volgt: "Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing". Die vrucht merken gelovigen wel met blijdschap bij zioh op. Maar die zien ze alleen door het gelóóf! Niet om hun geloof of dè zekerheid van het geloof daarop te gronden. Maar om God daarvoor te danken en de Heilige Geest te prijzen, waaraan zij die vrucht hebben te danken.
Vaak heb ik opgemerkt, dat men scheidde wat God, volgens zijn Woord, heeft samen gevoegd. De Schrift spreekt van de liefde van God en de genade van de Here Christus en de gemeenschap van de Heilige Geest.

Dat God de wereld had liefgehad, durfde men niet ontkennen. Dat Hij zijn Zoon had gezonden om zondaren te redden, stond voor hen vast.
Maar op de gemeenschap van en met de Heilige Geest kwam het maar aan! En die miste men naar men zei. Hoe is dat mogelijk? Geloven in de liefde Gods en in de genade van Jezus Christus en toch de Heilige Geest niet hebben? Dat kan toch niet? Jezus Christus en de Geest zijn toch één? In de loop der jaren zal ik meer dan eens gepreekt hebben over 11 Kor. 3 : 17 en 18. Waar we lezen: "De Here nu is de Geest; en waar de Geest van de Here is, is vrijheid. En wij allen, die met onbedekt gelaat de heerlijkheid van de Here weerspiegelen (of weerkaatsen) veranderen naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals van de Geest van de Here te verwachten is". Uit deze tekst blijkt, dat de Here en de Geest wel twee zijn. Er is immers sprake van de Geest des Heren.

Maar dat zij toch één zijn in hun werk. Waar die Geest heerst is vrijheid.
De vrijheid waarmee Christus ons vrijmaakt. En die Hij ons gunt en die velen maar niet aandurven. Waarom eigenlijk niet? Van de Geest des Heren zijn heerlijke dingen te verwachten. Hij is immers God? Almachtig in liefde en genade en macht. Het staat er zo bemoedigend: Wij allen!

Die geen voile meer voor ons gezicht hebben, zoals Mozes indertijd. Wij mogen aangezicht tegen aangezicht voor de Here staan. En zo zijn Heerlijkheid als in een spiegel opvangen en weerkaatsen. Door de omgang met Hem worden alle gelovigen veranderd. Dat "wij allen" zal veelal wel beperkt zijn, door prekers en hoorders, tot een klein groepje gekenden of begenadigden. Maar de apostel zegt: wij, gelovigen, allen!

Dat mogen wij van de Heilige Geest verwachten. Van de Geest van Christus. Die ons is gegeven tot vernieuwing van ons leven. Wij mogen voortgaan van geloof tot geloof. Van kracht tot kracht, zoals wij zingen.
Maar ook van heerlijkheid tot heerlijkheid, Ja ja, van heerlijkheid tot heerlijkheid! Van overwinning tot overwinning, van glorie tot glorie. We geloven toch immers in Jezus, onze Heer, die alle macht der verlossing heeft in hemel en op aarde? En we geloven toch in de Heilige Geest die één is met de Vader en de Zoon? Paulus schreef deze woorden i~ de brief aan de Korinthiërs, waarop hij nogal wat had aan te merken. Maar met deze tekst verklaarde hij wat zij - en wij - mogen verwachten van de Geest van de Here, van de Heilige Geest. Dat mag, zo behoort het en zo behaagt het God. En zo, behaagt het aan de Here Christus en zo behaagt het ook de Heilige Geest.

Ik hoor iemand - of menigeen? - verzuchten: Daar komt in het leven der gemeente weinig van terecht. Ik heb zulk een zucht ook wel eens horen kreunen van de preekstoel, En daar zal wel vaak reden voor zijn.
Maar dat ligt in elk geval niet aan de Heilige Geest! Zou die ons leven niet willen heiligen? En verheerlijken? Niet eerst in de toekomst, maar nu en hier in dit leven al? Daaraan mag in elk geval een gelovig mens niet twijfelen. Als er van de heiliging en verheerlijking in ons leven weinig of mets terecht komt, dan ligt het daaraan, dat wij de Heilige Geest weerstaan. Men zei wel, dat dit niet mogelijk was. Dat althans de uitverkorenen of wedergeborenen dat niet konden doen. Maar waarom waarschuwt de HERE ons daar dan tegen? Stefanus verwijt aan z'n hoorders: "Gij wederstaat altijd de Heilige Geest". Kan dat niet meer? Paulus waarschuwt in Ef. 4 : 30: "Bedroeft de Heilige Geest Gods niet door welke gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing". Is dat een waarschuwing tegen een onmogelijkheid? In I Thessalonicensen 5 : 19 lezen we: "Dooft de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede". Zullen wij nu zeggen, dat het uitblussen van de Geest een onmogelijkheid is voor ons?

Laten we deze aansporingen en vermaningen maar zo laten staan als zij er staan. En op onze hoede zijn en deze mogelijkheden vermijden. Want deze vermaningen worden ons niet voorgehouden om ons wanhopig te maken. Verre van dat. Ze behoren in die rij van. vermaningen, die veelvuldig in de Bijbel voorkomen: Jaagt de heiligmaking na, zonder welke niemand de Here zien zal. Weest niet maar hoorders van het Woord naar daders. Anders zult gij niet ingaan in Gods Koninkrijk. Strijdt om te gaan. Staat op tot een nieuw leven. De Schrift staat er vol van. We zijn, als we geloven in de Heilige Geest, niet zo onmachtig als er bij hele scharen is ingeprent Wij zijn wel onmachtig, naar onze oude natuur of ons vlees. Maar we zullen toch niet willen zeggen, dat de Heilige Geest onmachtig is?

Ik heb getracht er bij de gemeente in te hameren, dat de Heilige Geest niet in ons werkt als automaten. Ook heb ik bestreden, dat de Heilige Geest bij de wedergeboorte in ons een soort goddelijke vonk ontsteekt.
Waaruit geloof en bekering als vanzelf wel opbloeien. Zo spreekt de Schrift niet. Ook heb ik de Schrift nagesproken, dat de Geest kan worden weerstaan. God werkt in ons leven niet zonder ons.

De H. Geest werkt aan en in ons leven door middel van het Woord. Nu eens wordt in de Schrift het nieuwe leven toegeschreven aan het Evangelie, dat een kracht van God is tot redding. Dan weer wordt de verlossing toegeschreven aan de Geest. Wij mogen en moeten die beiden niet scheiden. En maar luisteren naar de vermaningen. Waardoor de genade wordt uitgedeeld, zoals ergens staat. De Heilige Geest wil ons wel leiden. Maar wij moeten ons ook láten leiden. En niet stug als een paard weerstreven. Hij wil ons heiligen. Maar wij hebben de heiligmaking na te jagen. Hij wil ons verheerlijken, maar wij hebben op te staan tot een nieuw leven. Het bloed van Christus reinigt van onze zonden. Dat wordt wel gepreekt. En dat is goed. Maar er werd - en mogelijk er wordt - veel minder gepreekt de heiliging door de Heilige Geest. En dat is even belangrijk als de reiniging door het bloed van de Here Jezus. Laten wij de goede strijd maar strijden. En het geloof behouden. Ook het geloof in de Heilige Geest. Zodat wij met Paulus zeggen: "Ik vermag alle dingen". Door Hem, die zijn kracht, de kracht van de Heilige Geest in onze zwakheid tót ontplooiing brengt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief