De zin (?) van het lijden (1)

1979-10-19
  • Jaargang 23
  • nummer 39
(Toespraak gehouden op de vrouwencontactdag te Utrecht, zaterdag 1 september)

Confrontatie
Sinds de Tweede Wereldoorlog worden wij geconfronteerd met het lijden op grote schaal. Niet, dat er voordien geen sprake van was.
Maar door de moderne communicatiemiddelen wordt het lijden bij ons in de huiskamer gebracht. Terwijl wij aan een welvoorziene tafel zitten, kijken vanaf het beeldscherm de holle ogen van een uitgehongerd India's kind ons aan.
De camera's blijven rusten op een stel barakken, waar leprozen in ondergebracht zijn. We zien in wrakke bootjes angstige vrouwen, die beschermend hun armen geslagen houden om hun verdwaasd uitziende kinderen, temidden van oorlogsboten die hen dreigend de zee weer opjagen. We kijken verslagen in inrichtingen, zoals ze in Ermelo staan - op de Veluween in Beesterzwaag - in Friesland.
We horen stumpers, die een taal spreken die niemand dan God verstaat. En we zien gebrekkige kinderen met beenstompjes in rolwagentjes.
Kijken wij wei? Kunnen wij nog wel kijken? Soms brengen we dat niet meer op. Niet omdat we onverschilliger geworden zijn, maar omdat het ons te veel wordt. We kunnen het lijden niet meer verwerken ...
En tooh komt telkens weer de vraag op:

Waar komt het lijden vandaan?
Willen wij iets van het lijden en de zin ervan verstaan, dan moeten wij beginnen tegen onszelf te zeggen: Denk erom, je bent maar een nietig schepsel, met een klein schepselenverstand, dat bovendien nog verminkt is door de zonde. Wij mogen niet als kleine rechters God voor de rechterstoel dagen en zeggen: "Verklaart U eens, hoe bent U er zo toe gekomen ... " Laten wij bij voorbaat onze plaats kennen.
En dan wil de Bijbel ons bepaalde gegevens aanreiken, waar wij verder mee kunnen komen.

Van God
In Klaagl. 3 is een man aan 't woord die, zoals hij 't zelf zegt: "ellende gezien heeft". De Here Gold heeft Jeruzalem doen lijden.
Daar is geen twijfel over mogelijk dat God dit gedaan heeft. Moet U maar eens horen. "Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren, mijn beenderen gebroken. Hij heeft vergif tegen mij opgehoopt", vs. 4, 5.
"Zelfs al schreeuw ik om hulp, luistert Hij niet eens. Integendeel: Hij is mij een loerende beer. Hij laat mij geen uitweg, Hij vernielt mij ... ", vss. 8-11. "Hij laat mij de tanden op kiezel stukbijten", vs. 16.
Dit is een stukje oorlogsellende. De man die hier aan het woord is, is zó geschokt, dat hij het niet meer kan verwerken. Hij is hopeloos vast komen te zitten met de omstandigheden, met zichzelf, ja met God zèlf. "Zal ik U eens zeggen wie God voor me is? Een loeren de beer, die mij verscheuren wil; een boogschutter, die zijn pijlen op mij afschiet, vs. 12. Mijn kracht is weg, mijn hoop op de Here vervlogen", vs. 18.
Kijk, dat bittere, dat opwelt uit een diep geslagen hart, begrijp ik.
Dat is logisch. Zo echt menselijk.
Maar ineens komt daar die knik - vs. 24: "Mijn ziel zegt: Mijn deel is de Here!" Daar begrijp ik niets van met mijn verstand. Er zijn mensen die de godsdienst nog aanhouden, zolang God het hun goed geeft. Maar, als God een loerende beer, een dodende boogschutter wordt, dan laten ze God los. Veel mensen zijn in de oorlog God voorgoed kwijtgeraakt: "Is me dàt een Gcm die zulke dingen toelaat?"
A'lsde man van Klaagliederen zegt: "Mijn dee1 is de Here", dan is dat niet een goedkoop woord, een uit het hoofd geleerd lesje.
Daar kleeft bloed aan. Toen hij zulke vreselijke dingen van God zei, heeft de Heilige Geest zacht de hand op zijn mond gelegd en hem voortdurend in gefluisterd: "Hoop op God. Sla 't oog naar boven! AI slaat God u ook op uw gezicht". En toen - eindelijk, hoe lang zou dat geduurd hebben? - kwam het er uit, dat machtige woord: "De Here is mijn deel". "Daarom zal ik op Hem hopen".
Zoals een kind, dat van zijn moeder een fik voor de broek krijgt, tenslotte heel dicht naar z'n moeder toeschuifelt, zich op haar schoot nestelt en z'n gezicht in haar hals verstopt (waar moet het kind ook anders heen?), zo vliegt deze man in de armen van God.
Deze man erkent ook: De Here heeft ons niet zó maar geslagen.
"Wij hebben overtreden en zijn weerspannig geweest", zegt vs. 42.
"Wat klaagt dàn een mens in zijn leven; ieder klage over zijn zonde", vs. 39. God kastijdt een ieder die Hij liefheeft; naar bastaards kijk je niet om. Wees er blij om, zegt C. S. Lewis in "Gods megafoon", dat wij een Vader in de hemel hebben en geen goeie oude heer, een Opa in de hemel, die graag ziet dat het jonge goedje zich vermaakt, zodat men aan het eind van elke dag met een gerust hart kan zeggen: Ze hebben het allemaal weer prettig gehad. God slaat. Maar niet met plezier. Hij is geen sadist.
Gaat u maar bij uzelf na: Als u uw kind een pak voor de broek geeft, doet u het met tranen in de ogen en bij elke klap hebt u het gevoel: Ik sla mezelf! Zo is God. Luther heeft eens gezegd: God heelt met Zijn rechterhand, maar Hij slaat met Zijn linkerhand. Dat gaat Hem niet zo goed af. Hij doet het liever niet .

Van de duivel
Maar de duivel dan - speelt de duivel geen enkele rol in het lijden?
"Ga je gang maar", zegt de Here tegen de satan. "Pak Job maar aan". Want de satan had gezegd: Maak Job maar eens zo arm als een luis. Wedden, dat hij U vaarwel zegt en dat er geen spaan overblijft van z'n vroomheid!
U weet hoe het gegaan is: Zijn koeien weg en z'n knechten, z'n kamelen en schapen. Z'n kinderen zelfs. En tenslotte komt daar die vreselijke ziekte ook nog 'bij.
Kijk, hier is de duivel aan het werk. Ja, dat is waar. Maar Job ziet meer, ziet dieper - Hij ziet de Here God daarachter, die alle dingen leidt en beschikt. "De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen: de naam des Heren zij geloofd!"
Als de Here nu zó machtig is, had Hij dan niet. . . Had Hij dan niet het lijden van Job kunnen keren?
Die vraag komt straks weer terug.
Maar eerst zeggen we: De duivel heeft ook de hand in het lijden. Dat blijkt ook op andere plaatsen in de Bijbel.
Jezus bestraft de koorts van Petrus' schoonmoeder, Hij bestraft de storm op zee, Hij werd verbolgen bij Lazarus' graf. Net alsof Hij achter de koorts en de storm en de dood een persoon ziet. Dat is ook zo. Hij ziet achter die ellende de satan. De mensenmoordenaar van de beginne. Kàn hij dan nog zo verwoestend bezig zijn, zo'n spoor van vernieling trekken door het leven? Ja, omdat hij nog zo'n macht heeft. Ook al is hij overwonnen op Golgotha. Maar die overwinning is nog aangevochten.
Toen een student eens vlot zat te redeneren over het leven en hoe alles in mekaar zit, onderbrak de professor hem en zei: Ja, ja, u gelooft in God; 't wordt tijd dat u ook aan het bestaan van de duivel gaat geloven!
Het beeld van de geallieerde invasie in Normandië is erg afgezaagd, maar nog altijd bruikbaar. De Duitsers hebben toen de beslissende nederlaag geleden, maar ze vochten daarna nog verbeten door.

Van de mens
En de mens - blijft de mens buiten het bereik van de vraag: Waar komt het lijden vandaan? Als een dronkelap in het water valt en verdrinkt. hebben we er wel vrede mee. Maar als we zijn kinderen naar de waterkant zien rennen en in hun miezerige oogjes kijken, steken we onze vinger toch niet beschuldigend omhoog naar God, maar naar de dode vader: 't Is jouw schuld!
De Here Jezus stelt Judas aansprakelijk voor zijn verraad: "Judas, verraadt gij de Zoon des mensen met een kus?"
Jozef zegt tegen zijn broers: "Ik ben uw broeder die gij naar Egypte verkocht hebt". Niet God, maar de mèns heeft de pijnbanken en andere marteltuigen uitgevonden.
De mens draagt daarvoor de volle verantwoordelijkheid.

Het "waarom" van het lijden
Heeft het lijden wel zin? 't Is toch waanzinnig dat ongeluk op de grote weg, waarbij een heel gezin omkomt.
Onzinnig die watersnoodramp in India, waar duizenden mensen omkomen. In het boek van Camus "De mens in opstand" vergelijkt de schrijver het menselijk leven met één groot marionettentheater, waarin de dood en de dwaasheid samen aan de touwtjes trekken. Ervaren we het leven niet zó?
Een kind viel in het water, de golven sloten zich boven hem, nog even een handje boven het water uit. En God bleef maar op Zijn troon zitten. Hoe kan God zoiets doen? Job worstelde ook met het raadsel van het lijden. Waarom laat God zijn lieve kinderen lijden, ook al dienen ze Hem met hun hele hart? Het boek Job staat niet in de Bijbel om ons een oplossing van het probleem van het lijden te geven. De vrienden van Job hebben een dood-simpele redenering: God beloont de goeden en straft de kwaden. Boontje komt om zijn loontje. Er zijn geen problemen.
Maar Job zegt: "Ik heb niet mijn zinnen op geld gezet; ik heb niet de armen met niks weg laten gaan van mijn deur. Ik ben rechtvaardig!
En toch... toch laat God zijn lieve kinderen lijden. Here mijn God, waarom doet U dat zo?
"Waarom beschouwt Gij mij als Uw vijand? Verantwoordt U eens tegenover mij!"
De Here geeft tenslotte antwoord, maar dat antwoord bestaat uit een rij vragen. Hij laat Zijn luister en majesteit zien in de geschapen wereld.
Als Job in Friesland gewoond had, had de Here hem bij de hand genomen, naar buiten geleid en gezegd: Kijk eens naar de fijne weilanden, Job, en naar de bloemenpracht tussen het gras. Zie eens omhoog naar het spel met de smetteloze wolken. Luister naar het vrolijke lied van de "skries" en zie eens de prachtige lissen in de sloten.
Kun jij dat alles zo mooi maken, Job? Geef eens antwoord, aanklager van God!
Daar schrikt Job toch wel van. Hij legt de hand op de mond. Hij zegt: "Ik weet dat U alles kunt. Want U bent de machtige God. Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen.
Maar nu heeft mijn oog U gezien! U bent zo groot en machtig.
U mag mijn leven door elkaar schudden, ook al kan ik U niet narekenen. Maar U mag het doen, want U bent God en geen mens."
Job krijgt geen antwoord op z'n vragen, maar hij vindt - mèt zijn vragen - rust bij God! En de Here wordt zo verheerlijkt ten overstaan van de duivel. Zie je wel, zal God zeggen tegen satan, dat Mijn knecht Job Mij dient ook al stort zijn hele leven in elkaar?
Zie je wel dat zijn liefde tot Mij niet afhankelijk is van voorspoed?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief