Versierde bellen en heilige potten

1979-10-26
  • Jaargang 23
  • nummer 40
Als U soms mocht denken, dat dit opschrift alvast een advies wil geven voor komende kerstversieringen of een reklame voor leveranciers van deze spullen, moet ik U die verrassing ontnemen. Want het zijn zonder meer woorden van de profeet Zacharia, die hij aan het eind van zijn profetieën gebruikt, om iets te tekenen van de vreugde van het grote bevrijdingsfeest, waarvan Jeruzalem het middelpunt zal zijn na de wederkeer uit de ballingschap.
De paarden zullen in de overwinningsstoet prachtig opgetuigd zijn en de hoofdtuigen zullen versierd zijn met bellen, die getooid zullen zijn met het opschrift: "Heilig voor de HEER".
Nu was het paard helemaal geen inheems huisdier bij de joden. Vijandelijke legers kenden en gebruikten het paard voor de strijd en bij de overwinningsparades. Het paard behoorde bij de luxe van grote vorsten en machtige legers.
Salomo b.v. had en grote stoeterij en wie vandaag de dag de ruïnes van Magiddo bezoekt, vindt daar nog de resten van de stallen, waar deze paarden en hun ruiters de glorie van deze koning uitbeeldden.
Een gewone boer gebruikte geen paarden. Het huis- en lastdier was het alledaagse ezeltje en zelfs onze Heiland reed Jeruzalem binnen op een jonge ezelin; hij voegde zich bij de gewone mensen en openbaarde zich als messiaanse koning in nederigheid en eenvoud.
Maar als de grote dag komt van het rijk van God, dan zal de overwinningsparade in de stad Jeruzalem gekenmerkt zijn, doordat de paarden hun hoofdstellen dragen met dat bijzondere opschrift: Heilig voor de HEER!
Paarden waren profane dieren. Werelds. Instrumenten van macht en geweld. Zij behoorden tot dát deel van het leven, dat alleen op mensenglorie was gericht en voor mensengrootheid diende. Onheilig, dat wil zeggen: Niet aan de HEER gewijd. Coëfficiënten van de macht, niet van de genade.
Paarden hoorden thuis in Babel en Ninevé, niet in Jeruzalem.
Maar als Vorst Messias overwint, wordt aan Hem gegeven alle macht in de hemel en op aarde. Zelfs de paarden dragen Zijn Naam. En ál het profane wordt heilig; al het wereldse wordt hemels; en al het gewone wordt extra.
Versierde bellen op paardehoofden worden het teken van het feit, dat, als Góds heil komt, hemel en aarde, materie en geest, uiterlijkheid en innerlijkheid, ziel en lichaam, delen in de genade van God.
Dan is er ook geen scheiding meer tussen het goddelijke en het menselijke, tussen gewijd en niet-gewijd.
In de tempel waren bekkens en schalen, die alleen in het heiligdom -gebruikt mochten worden. Stel je voor, dat je in een bekken van het altaar soep ging koken of in een pan uit het "Heilige" vlees ging braden. Dat was heiligschennis.
Heel de eredienst in en bij de tempel was gekenmerkt door "heiligheden". Heilige gewaden. Heilige handelingen. Heilige broden en heilige offerranden.
Eigenlijk was de God van het oude verbond nog een God op een afstand, waar je. niet bij kon komen. Hij was verborgen achter dat dikke gordijn van het Allerheiligste, waar alleen eenmaal per jaar de hogepriester mocht komen, met het offerbloed en dan nog met zijn rug naar de verbondsark toe.
Religie was een afgezonderd terrein, alleen voor ingewijden en geheiligden.
Blijf daarom met je vingers van die potten en schalen uit het heiligdom áf.
Maar als de grote dag van Jeruzalem komt en de Koning zegevierend binnentrekt, dan wordt ineens alles anders.
Want "alle potten in Jeruzalem en in Juda zullen heilig zijn voor de Heer, zodat alle offeraars daarin kunnen komen koken." Wonderlijk, zelfs je pannetje jus en de schaal met aardappelen behoren de HEER toe en niets is meer profaan of onheilig; maar alle gewone dingen worden bijzonder, omdat ze instrumenten worden voor de dienst van de HEER.
En dat zal allemaal zó wonderlijk zijn, dat er op die dag geen Kanaäniet meer zal zijn in het huis van de HEER.
Volgens de wet van Mozes mocht een onbesnedene het heiligdom niet binnen komen. Hij had immers geen deel aan het verbond van God met zijn volk. De tempel was een gesloten hof. En in de tijd van Zacharia stond in de voorhof een groot bord, met daarop de bedreiging, dat elke onbesnedene, die de tempelhof zou betreden, onmiddellijk met de dood zou gestraft worden.
Maar als Vorst Messias komt, wordt de tempel een open hof.
Als de paarden versierde bellen dragen en de potten in heel Jeruzalem heilig worden, aan de HEER gewijd, dan verandert ook de positie van de niet-bondeling.
Nergens meer een Kanaäniet. Nergens. meer een onbesnedene.
Want niet de nationaliteit beslist, maar de religie.
Niet het profane, maar het geloof.
Niet de besnijdenis, maar de doop.
De tempel wordt een open hof, voor ieder, die tot Christus komt in geloof. En zelfs de Kanaäniet buigt voor de Messias in zijn glorie.
Heel het leven in al zijn uitingen; in alle doen en laten, wordt aan de HEER gewijd.
Niets is meer profaan. Alles is heilig.
Zelfs als je je potje staat te koken in de keuken, is het voor de HEER. Als je je vrouw kust in echtelijke gemeenschap, is het niet profaan, maar bloeiend voor de HEER.
En álle schepsel is goed, mits het met een dankend hart wordt ontvangen en beleefd.
Hebben we dat in de kerk niet teveel vergeten?
Hebben we van de kerk en, van het geloof toch weer niet iets gemaakt, dat op een apart terrein ligt, waar het gewone niet komen mag?
Hebben we niet een zondagsgezicht en een zondagsmoraal en een zondagstraditie, waarmee we de "Kanaänieten" afschrikken?
Wat maakt de kerk zo onaantrekkelijk voor de z.g. "buitenkerkelijken"?
Hoe vaak verdelen we ons leven niet schizofreen in twee helften, de profane en de vrome helft?
Wat zien de mensen op mijn werk, op school, op kantoor, in de fabriek, aan het buro naast mij aan mij, behalve het schietgebedje, dat ik voor mijn boterham opzeg, afgeschermd met het kruisje, dat ik sla of met mijn handen, die ik vouw?
Paarden waren in de tijd van Zacharia demonstratie van macht en geweld.
Kunt U zich voorstellen, dat er ooit tanks zullen rijden en vliegtuigen vliegen met het opschrift: Heilig voor de HEER?
Hebt U er ooit bij stilgestaan, dat koken in de keuken net zo heilig zou moeten zijn als psalmen zingen in de kerk?
Hebben we nog steeds niet het gevoel, dat we veel dichter bij God zijn, als we bidden dan als we vrijen?
Vinden we het maken van huiswerk niet veel profaner dan het leren van ons werk voor de katechisatie?
Vinden we een preek houden niet veel vromer dan een preek zijn?
Achten we christelijke politiek niet veel heiliger dan de politiek van een christen?
Vinden we avondmaal vieren niet veel geestelijker dan het helpen van een mens in nood?
Wat hebben we nog weinig begrepen van het koningschap van de levende HEER!
Als we eens zó dicht bij de HEER gingen leven, dat onze sieraden zelfs iets toonden van de heiligheid van de HEER en onze instrumenten dragers werden van de Naam van de HEER, misschien zouden we iets meer begrijpen van de profetie van Zacharia.
Laat Jezus Christus Koning zijn over héél uw leven.
Misschien wordt de kerk weer een open hof, voor ieder, die gelooft.
Zo, dat alle profane dingen heilig worden, nl. aan de HEER gewijd.
En alle heilige dingen zó profaan, dat zelfs de onbesnedene of de ongedoopte de HEER gaat vrezen.
Versierde bellen en heilige potten, het zijn toch maar beloften van het komende vrederijk.
Laat óns kerkpleintje iets daarvan zien?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief