Hoe gaat het met U?

1979-10-26
  • Jaargang 23
  • nummer 40
Op de vraag "hoe gaat het met u?" is vandaag ieder openhartig. Men zegt wat hem op de tong komt, verzwijgt niet zijn diepste geheimen. Het kan niet zo gênant, zo discreet of zo persoonlijk zijn' - of we flappen het er uit. In de victoriaanse tijd behoorde je niet naar de aard van een ziekte te vragen; je wachtte af wat je te horen kreeg. Vandaag kun je te horen krijgen: de internist wil alweer m'n urinewegen zien - of: de chirurg is nog niet op mijn anus uitgestudeerd.
Die botte openhartigheid zit bepaald niet in het boek van Hans Werkman.

Hij is open-hartig, hetgeen bij zijn onderwerp past; maar hij schrijft op een kiese en toch duidelijke wijze voor mensen, die een hart bezitten.
Dat is voor ons allemaal: voor mensen die met hun hart sukkelen, die ermee gesukkeld hebben en die er liever niet mee sukkelen.

Dat deel van ons lichaam, dat verreweg het meest werk verzet (zo'n tienduizend liter bloed verplaatsen per dag, zo'n dertig miljoen maal slaan per jaar) kan door overbelasting wel eens falen. Meestal geeft het tijdig noodsignalen, wanneer iets mis gaat. Meestal is er dan ook wel iets aan te doen, legt de schrijver uit.
Als u in uw omgeving een hartpatiënt kent of gekend hebt, weet u wat een ramp het voor een mens is, als zijn energie op alle momenten te kort schiet. Het hele gezin is met hem "hartpatiënt", heeft ermee te maken!

Het eerste deel van dit boek, dat de schrijver geheel doorleefd heeft, leest als een roman. De voorgeschiedenis, het lijden, het onderzoek, de diagnose, de spanning voor de operatie en eindelijk de operatie zelf, ze vormen een heftige climax - die pas wegebt wanneer de weken nakuren in het ziekenhuis worden beschreven.

Het tweede deel geeft ontzaglijk veel informatie over alles wat vandaag aan het hart gedaan kan worden. Dat gaat over repareren of vervangen van kleppen, omleidingen of vernieuwingen van hartkransslagaders als u dat iets zegt, zelfs over een tijdelijk of definitief kunsthart, electrische start van een stilgelegd hart, hartlongmachines, onderkoeling en overplanting van het hart van een overleden mens. Al deze dingen worden duidelijk gemaakt. Altijd wordt de toon beschaafd gehouden en de vraag naar ethische toelaatbaarheid niet vermeden.

In een derde deel handelt de heer Werkman, wiens naam u kent van zijn publicatie over Willem de Mérode, over voor- en nazorg van hartbezitters.
De voorzorg is natuurlijk het belangrijkste want de meeste hartpatiënten hebben te veel of onverstandig gegeten, teveel of onverstandig gewerkt, dan wel onverstandig gerookt. Velen van ons hebben spanningen te verduren, ergernissen te onderdrukken, tegenslagen te verwerken. Een beetje welwillende aandacht voor ons trouwe hart, dat ons nooit in de steek wil laten, wordt ruim beloond. En de nazorg voor een genezen patiënt is ook allerminst overbodig. Een gerepareerd hart wordt voor levenslang gegarandeerd, maar dat is betrekkelijk zoals u begrijpt. En een leven kan wel door een operatie worden verlengd - maar het is belangrijker dat dit verlengde leven goed wordt besteed. Vegeteren en ziekzijn is voor de meeste naturen geen goed besteed leven; maar nuttig zijn, zelfs in een noodgedwongen wegkwijnen, geeft levensvreugde.
Dat geeft de schrijver duidelijk te zien. Precies een jaar na zijn hartoperatie kwam zijn boek uit en levert het bewijs, dat iemand naast zijn velledige dagtaak nog veel extra's kan doen, zelfs als hij herstellende is.
Het is onze dank waard, dat Hans Werkman zijn pijnlijke en spannende ervaringen heeft opgesteld, Hij heeft veel angst en onzekerheid voor anderen weggenomen en iemands spanningen voor en na een hartoperatie verminderd.
De schrijver biedt een enorme feitenkennis. Daarin pretendeert hij geen deskundige te zijn, maar gebruikte de hulp van een specialist, prof. dr P. J. Kuijpers te Nijmegen. Deze, zelf gewezen hartpatiënt, heeft volgaarne meegewerkt. Het feitenmateriaal is overigens zo omstandig opgediend, dat diverse zaken dubbel worden behandeld - maar dat is altijd beter dan manco's. De lezer krijgt een uitstekend beeld van symptomen, mogelijkheden, operatiemethoden, transport, begeleiding, financiering, overlevingskansen en toekomstmogelijkheden. In 1978 werden in Nederland ruim 3000 hartoperaties verricht; daar kwamen nog ruim 1000 in het buitenland behandelde landgenoten bij. In 1980 zal ons land 6500 tot 8500 hartoperaties nodig hebben.

Belangrijk acht ik dat de schrijver de gevaren van het roken duidelijk maakt. Als geboren niet-roker heb ik me vaak geërgerd aan mensen, die anderen dupe maken van hun rookgewoonte. Na een kerkeraadsvergadering en zeker na een classis moest ik steeds schoon ondergoed aantrekken en mijn costuum in de wind uithangen, Zelfs onze auto stonk als ik rokende medemensen had vervoerd. Afgedacht nog van het gebrek aan wellevendheid (men laat toch ook geen winden vliegen onder andermans neus) meen ik dat het rokende deel van de mensheid het niet-rokende deel permanent in gevaar brengt: van kanker en hartgebreken. De teer en het roet zetten zich immers vast in hart en longen, ook van niet-rokers.
Wijlen lord Baden Powell schreef eens over vroeggestorven jongemensen, op wier grafsteen stond: hij stierf in de Heere - terwijl er had moeten staan: hij rookte zich dood.

En dan is het voornaamste van dit boek: dat het een Christelijk boek is.
Dat is geen extra, geen bijkomstigheid. Het is niet een Christelijk boek, omdat Gods naam er soms in genoemd wordt. Maar Christelijk is dit werk, omdat het gedragen wordt door naastenliefde. De schrijver heeft zijn spanningen van ziekte, zijn levensgevaar, zijn noden, aan zijn hemelse Vader voorgelegd. Hij heeft in Christus de krachten gekregen die hij nodig had. Zo werd zijn ziekte een verdieping van zijn leven: van zijn huwelijks- en gezinsleven, vooral van zijn "geloofsleven".
Geweldige zaak, om de "velerhande tegenspoed en kruis", die ons volgens het huwelijksformulier overkomt, in Christus te verwerken, die kennis heeft van al onze noden, verstand van al onze ziekten, die uitredding geeft als we Hem in de dag van onze benauwdheid aanroepen.

Daar is een wonderlijk samenspel tussen God-en-mens, bij ziekte en genezing.
Hij moet het doen, zullen we herstellen. En wij zullen het niet minder zélf moeten doen, willen we beter worden. Hij beschikt over middelen, doktoren, assistenten, omstandigheden, wetenschap en techniek.
Maar wij moeten de wil om te leven gebruiken, om zijn geschenken niet te veronachtzamen. "Als je zo'n pijn hebt is het geen kunst", zei de schrijfster Jo van Dorp-Ypma, "om je hoofd opzij te leggen en liever .dood te willen", "Ja, een mens kan zich over de drempel naar de dood toe duwen.

Het verhoogt de, overlevingskansen alleen maar, als je je daar tegen verzet" .
Wonderlijk samenspel blijft het rond de mysteries van dood-en-leven. Als we alles alleen aan God overlaten zijn we werkeloze stumpers. Als we alles alleen zelf willen doen zijn we stomme activisten. Maar als we Gods mede-arbeiders zijn zien we op Hem en doen wat we kunnen; vragen zijn hulp en aanvaarden die ook. Wie van de drempel van de dood is teruggekomen leeft intenser met God-in-Christus en "speelt zijn verdere leven in de verlenging". Elk jaar is meegenomen. Elke dag is een gave. Dat doet God maar enkele malen in ons leven: onze ziel terugbrengen van de groeve, ons opnieuw bestralen met het levenslicht, om hoogmoed van de mens te weren *), En vraagt u zo iemand: "hoe gaat het met u?" dan is zijn antwoord steevast: best!

*) Job 33: 17,29,30.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief