De zin (?) van het lijden

1979-10-26
  • Jaargang 23
  • nummer 40
Beproeving
Er is ook een ander lijden: De Here kan ons op de proef stellen om te zien of Hen alles voor ons is. Zoals Hij met Abraham deed, toen deze zijn zoon moest offeren. Met dat bevel kon hij twee kanten op: Zeker, hij had het kunnen weigeren. Offeren is tenslotte een vrijwillige daad. U moet deze daad van Abraham niet verzwakken door te zeggen: Het was maar een proef, het was niet werkelijk zo bedoeld.
Het was voor Abraham 100% grimmige ernst. Abraham wist van die beproeving niet. Hij had alleen maar met dat vreselijke bevel te maken: neem uw zoon, uw enige en offer hem. Zo werd Moria Gods smeltkroes, waarin Abrahams geloof werd beproefd. Dat had Abraham nodig. Hij wist wel hoeveel hij van Izak hield. Maar hij wist nog niet hoeveel hij van God hield. Kijk, dat heeft hij op Moria geleerd. Er staat: Die vader of moeder of kind liefheeft bóven Mij, is Mijns niet waardig. Dat weet Abraham dan nu, dat (als het er op aan komt) God hem boven alles, zelfs boven Izak gaat.
Waarom schudt Gods storm onze levensstam? Om de boom te breken en met wortel en tak er uit te rukken? Nee, om de geloofswortels met nog vaster greep zich aan Gods beloften te doen vastklemmen!

Loutering
Wij worden ook gelouterd door het lijden. Iedereen heeft wel in z'n leven ervaren, dat de Here God er bekaaid 'af komt, als wij alles hebben wat ons hartje begeert. Lewis haalt in "Gods megafoon" het woord van een vriend aan, die zei: Wij beschouwen God zoals een piloot zijn parachute beschouwt: ze is er voor mogelijke ongelukken, maar hij hoopt er nooit gebruik van te maken.
Welnu, als de Here dan in ons leven over en te veel is, dan gaat Hij in ons eigen belang heel wat fijne dingen stuk voor stuk afbreken.
We staan verstomd bij het zien hoe de tegenslag komt over fatsoenlijke mensen, over flinke huismoeders, over eerlijke en hard werkende zakenlieden. Het kan zijn dat God zegt: Om gered te worden, moet u het geluk en de voorspoed 'achterlaten. Daarom valt Hij hen lastig en breekt hun leven af: Voze steunsels, waarop wij ons geluk bouwen. Sommigen van u kennen het boek van S. Ulfers wel. Ik bedoel niet "Oostloorn", maar "Harro Walter". Daarin komt een gebrekkig meisje voor. Ze wordt voortgereden in een rolwagen. De predikant, ds Walter rijdt haar op een dag. Ze komen bij het strand, waar de grote mensen lachen en stoeien en de kinderen spelen. Het wordt haar te veel. Ze kan 't niet verwerken. Dan gaan ze de stille duinen in. En daar vertelt Walter van schepen, die vergaan in zware stormen. Maar, zegt hij, in een mensenleven is het net andersom.
Daar komen de mensen om, als de levenszee zo glad als een spiegel is. En ze worden sterker en hun geloof wordt gestaald, als de stormwind door hun leven raast. Het meisje luistert en ze wordt blij.
Kom, Walter, juicht ze, we gaan naar het strand; ik kan de kinderen weer horen lachen en zien spelen!
Het heeft gestormd in haar leven, maar ze is geestelijk sterker geworden.
Wie spreken in hun leven het meest over de liefde van God?
Juist! Zij die er het minst van meegemaakt hebben.

Berusten? Nee: aanvaarden
U zult deze mensen ook nooit het woord "berusten" in de mond horen nemen. Zij ondergáán het lijden niet, machteloos, omdat er tóch niets aan te doen is. Weet u, het is mooi als iemand, door schade en schande geleerd, het leven aanvaardt als uit de hand van God.
Zoals de Here Jezus deed in Gethsémané.
Als er één tot God geroepen heeft, dan Hij! "Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbij gaan. Maar niet mijn wil, maar Uw wil geschiede".
Dat laatste is niet: 't Komt toch zoals het komen moet. Ik moet Mij er maar bij neerleggen ... Nee, Jezus heeft gestréden, totdat Hij zijn hand uitstak en positief de beker van zijn Vader nam en aan de lippen zette, Hij heeft de wil van God gedáán. Jezus onderging het lijden niet. Hij ging onder het lijden en droeg het zo. Toen de soldaten naar Hem toekwamen, was de strijd gestreden. "Wie zoekt gij?" "Jezus van Nazareth ... " "Ik ben het die gij zoekt!" Hij stak zijn handen naar ze uit -: Toe maar, bind me maar! Hij werd niet gevangen genómen, Hij gàf zich gevangen.
Zo wilde Hij wat de Vader wilde.

Zondag 10
De inhoud van Zondag 10 van de Heidelb. Gat. wordt vandaag nogal aangevochten. Vroeger, zegt men, konden we nog wel geloven in Gods hand, die in alle dingen was.
We konden zonder onze stem even in te houden, zondag 10 opzeggen: dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen uit Zijn vaderlijke hand ons toekomen. Juist vanwege dat "voorzienigheidsgeloof" hebben velen kerk en geloof de rug toegekeerd.
Vandaag zegt men: Er is geen band tussen God en het lijden.
God is niet in het lijden. Het komt niet bij Hem vandaan. Daarom, zegt men, kunnen wij ook niet tot Hem bidden of Hij dat lijden weg wil nemen. "Wij mogen Hem niet belasten met een verwachtingenpakket, dat Hij niet kan waar maken", merkt H. Wiersinga op in zijn boek "Verzoening met het lijden?".
God staat er vijandig tegenover en het enige wat wij van God kunnen zeggen, is: Dat Hij onze Bondgenoot wil zijn, zijn arm om onze schouders legt en: Wij zullen er samen tegen in gaan!
Gods rol in het lijden is de rol van "weerloze overmacht" (Wiersinga).
Zo kunnen we God "redden" voor mensen die een aanstoot nemen aan de God die Auschwitz - zo niet beschikte, dan toch - toeliet.
En zo verontschuldigen we God.
Maar 't is wel brutaal, dacht ik, om het op die manier op te nemen voor God!
Ik wil niet alle vragen gladstrijken, - daar is het lijden te diep voor -, maar ik wil wel zeggen, dat door dergelijke opvattingen het wonder geschrapt wordt. Ik ben dan de God kwijt tot Wie ik kan roèpen en klagen om wat mij overkomt.
Een God, die ik niet meer kan vragen of Hij mijn kind wil beter maken. Okke Jager haalt in "Uw wil geschiede" een woord van Multatuli aan: "Als uw kind naar beneden valt, kunt u bidden zoveel u wilt. Het helpt toch niets.
De natuur gaat z'n gang. Die doet als een schaar in een blikfabriek als er blik tussen komt, hapt hij blik; als er niets tussen komt, hapt 'hij lucht. U kunt bidden en smeken, maar de kaken slaan door uw kind heen."
Zo ben ik God kwijt, die kan ingrijpen in mijn leven en Hizkia op zijn gebed er 15 jaar bij geeft. Ik ben God kwijt die ik vragen kan om vrede. God die harten van mensen omkeert en zacht maakt voor elkaar. Ik ben de God van het wonder kwijt. En van een God die Zich distantiëert van het lijden en zegt: "Dàt is jullie terrein, maak het zelf maar goed - je hebt het per slot van rekening ook zelf kapot gemaakt" - van zo'n God word ik doodmoe.

Het lijden van God
Houden we dan een God die er niets om geeft waar de klappen vanen? Zo'n harde God, die er geen traan om laat als Hij ziet, hoe Amsterdamse kinderen onder een tram raken, Zeeuwse kinderen in het water glijden en Groningse kinderen in een brandend huis omkomen?
Een God die dan zegt: Ik heb dit met de beste bedoelingen gedaan?
Nee, daar protesteert ons hart tegen en wij beledigen God daarmee.
U moet niet denken dat het Hem gemakkelijk valt. De Here lijdt onder het menselijk lijden. Er trilt iets in Zijn hart als Hij mensen ziet lijden. Het is ontroerend te weten, dat wij het in onze macht hebben God te ontroeren. In Hos. 11 zegt de Here van het goddeloze Efraïm, dat Hij in ballingschap wil smijten - en je hóórt Hem lijden -: "Efraïm is Mij een troetelkind, een lievelingszoon. Mijn binnenste is over hem ontroerd. Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm, u overleveren, Israël? Mijn hart keert zich om in Mij."
"In al hun benauwdheden is ook Hij benauwd ... " Er is verdriet in Zijn hart over wat Hij laat gebeuren. Slauerhof zag in een Parijse straat een arme krantenverkoper, van wie niemand een krant kocht en dan gaat Slauerhof God aanklagen: "God, dat zijn dus Uw martelende vermaken." Deze tekening van God is vreemd aan de Bijbel.
God wil deze wereld niet, gebroken als ze is. Hij zucht met Zijn Zoon mee, als Deze voor een doofstomme staat, een diepe zucht slaakt en zegt: "Effatha!" Hij zucht met het schepsel mee, dat in barensnood is. Hij heeft er verdriet over. Hij ziet met de schepping reikhalzend uit naar de nieuwe aarde. De Here heeft geen "martelende vermaken" over degenen die lijden. Hij wil ze wèl door het lijden heen bij het loflied brengen.
We moeten niet te gauw zeggen: Wat God doet dat is welgedaan."
We kunnen dat zeggen, nadat wij het lijden - nee niet berustend over ons hebben laten komen, -maar - aanvaard hebben, met dat lijden naar God kruipen en met Job zeggen: Here God, U bent toch groot en goed. Zoals dat zieke meisje waar Okke Jager van vertelt.
Haar moeder bad om genezing, maar het kind ging recht overeind in haar kussens zitten en zeide: Ja moeder, de Here zal mij beter maken, maar ànders beter.
Zal moeder dan niet huilen, als Hij mij ànders beter maakt!" Zo'n meisje zong al helemaal het loflied ...

God maakt het kwade goed
Tenslotte: Er is een oud gezegde dat u allemaal wel kent: Wij zitten tegen de verwarde onderkant van Gods borduurwerk te kijken. Wij begrijpen de dingen niet. Er lopen draden door van de duivel, van de mens, van God. Maar alle draden komen samen in de bovenkant: God maakt er iets moois van. "Zodat g'u verwonderen moet".
Hij doet alle dingen meewerken ten goede voor hen die God liefhebben", Rom. 8: 28. Ook het kwade kan Hij gebruiken, Daar moet zelfs de duivel wel moedeloos van worden!
Ook de mens kan met zijn zonden het plan van God niet in de war sturen. Augustinus gebruikt daarvoor een mooi beeld. Iemand wil een inbreker zijn. Hij leeft slecht, maar de wet geeft hem een goede plaats: Hij wordt dwangarbeider in de marmergroeven. En daar maakt hij mooie dingen, waar de hele stad mee loopt te pronken.
Als Jozef naar Egypte wordt verkocht door zijn broers, laat God door Jozef een groot volk in het leven. Moeten wij de broers daarom prijzen? Nee, God buigt hun kwaad om in iets goeds.
Als Judas de Here Jezus verraadt, maakt de Here er iets moois van door een heel volk te verlossen.
Moeten wij Judas dankbaar zijn?
Nee, als God iets moois kan maken van de vlek die Judas op Zijn schilderij werpt, staat Judas toch schuldig: “Wee de mens, die Mij verraadt", zei Jezus (Luk. 22: 22).
Er lopen twee draden door ons leven heen. De ene draad die naar de duivel en de mensen loopt (het kwaad, het lijden dat zij berokkenen); en de andere draad die naar God toegaat.
Je kunt voor je verstand die draden niet bij elkaar krijgen. Maar ik zeg: Ze kunnen me nog meer van God zeggen, maar één ding weet ik: Sinds Golgotha wil ik geen kwaad van God horen. Ik kan Hem vertrouwen, ook al kan ik Hem niet narekenen. Maar buiten zijn hart overkomt mij niets.
Ik eindig met een couplet van Gezang 403, dat we zo meteen gaan zingen.

Nog één ding wil vragen, Heer
ik vraag het vol vertrouwen:
wanneer de boze gaat te keer,
laat mij Uw hulp aanschouwen,
dat ik niet val maar leven zal.
Gij zult mij niet beschamen.
Dat is uw eer o trouwe Heer.
Dus zeg ik vrolijk: Amen

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief