Pastorale notities
1979-10-26
Vorige week verscheen het negende deel van het grote werk van dr L. de Jong: “Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog”. Daarin staat over het gebeuren in de Gereformeerde kerken de vlijmscherpe veroordelende zin: “Hier werd in wezen gedacht en gehandeld alsof er geen bezetting bestond.”- Jaargang 23
- nummer 40
In een preek zou het zó gezegd zijn: De tijden werden niet verstaan en de geest van de tijd werd niet weerstaan.
De Jong velt een oordeel zowel over de schorsingen als over de vrijmakingen in 1944. Hij betoogt, dat een conflict binnen of tussen de Gereformeerde Kerken de Duitsers welkom was: het zou de verzetsgeest breken.
Hij vermoedt dat daarom een SS-officier aan de weet deed komen dat Schilder kon opduiken, als hij maar niet over politiek ging spreken of schrijven. Nu was Schilder juist hierin zo door en wilde scheiden. Het was voor de oorlog gebleken, doch duidelijker nog in het eerste oorlogsjaar. Verwachtte men dat hij in 1944 wél kerk en politiek zou scheiden? De Jong is een buitenstaander. Het is van belang, hoe een buitenstaander het gebeurde van 1944 beoordeelt.
Er was ook een binnenstaander, die in dat jaar met het oog op de schorsingen en de scheuringen vroeg: “Moet dat nu? “. Hij legde een zware klemtoon op alle drie die woorden. Hiermee is nog niets over de zaak zelf gezegd. Doch ook het tijdstip is van belang. Hoe goed was het, dat we als kerken kortgeleden elkaar beloofden om geduld met elkaar te hebben en samen de tijd van God te verwachten, waarin Hij de weg duidelijk zal maken. (Artikel 31/1 van het accoord van kerkelijk samenleven.)