Linkerhand-rechterhand

2012-03-03
  • Jaargang 56
  • nummer 5
Aan de telefoon een vriendelijke stem met zwaar buitenlands accent. Ik word bedankt voor de bijdrage die ik heb gestort op de rekening van de mensenrechtenorganisatie.
Nu krijg ik informatie over een nieuw project. Onmiddellijk ben ik alert. Ik reken op de vraag om verhoging van mijn donatie. Ook in dit jaar van bezuiniging mogen ze op mijn steun rekenen, al zal ik het bedrag niet verhogen. Maar dat is helemaal de vraag niet. Wel, of een dame van de organisatie persoonlijk mij en mijn man mag laten zien dat ons geld goed wordt besteed! Als ik aarzel, krijg ik de opmerking: ’Ach, jullie Nederlanders zijn zo bang om buitenlanders in huis toe te laten…’ O ja? Nou, ik dus niet. Laat de dame maar komen. Ik benadruk nog eens dat ik zeker ben geïnteresseerd in het nieuwe project, maar financieel niet méér zal bijdragen.
Dat is geen probleem. Als we het verhaal maar willen horen. Op de afgesproken middag staan twee dames voor onze deur.
Hun verhaal is ronduit hartverscheurend.
De een heeft geen familie meer. Allemaal gevlucht, omgekomen of geëxecuteerd. Van de ander zitten man en dochter al jaren in haar vaderland gevangen. Wat erg. Zelf is ze de dans ontsprongen en nu vecht ze hier voor hun vrijlating. Op een meegebrachte laptop bekijken we een filmpje. Gruwelijke taferelen. Mappen met foto’s van omgekomen landgenoten worden ons getoond.
Afgrijselijk. Waarom worden mensen overal ter wereld zo geknecht, waarom moet vrijheid met bloed worden betaald? Wij beseffen weer hoe comfortabel ons leven hier is. Er komt nog een map tevoorschijn die we mogen doorbladeren.
We krijgen formulieren onder ogen met namen van bekende en onbekende Nederlanders die hun giften voor het project hebben toegezegd. Dat zijn geen misselijke bedragen! Als ik daar een opmerking over maak haasten de dames zich te zeggen dat mijn extra bijdrage, hoe klein ook, anderen zal stimuleren die aan te vullen. Nu herhaal ik wat ik door de telefoon heb gezegd. Toch wordt er aangedrongen.
Wij moeten nu een bedrag noemen. Gestimuleerd door weer een filmpje, nog triester dan het vorige, en vooral de opmerking dat, hoewel moslims, zij ook in Jezus geloven, kunnen we haast geen ‘nee’ zeggen. Intussen voel ik me diepongelukkig, geprest, gemanipuleerd en vooral bóós. Wat blijft er over van de organisatie waar ik zo’n goed gevoel bij had? Is dit hun manier om mensen te lijf te gaan? Ik heb medelijden met deze vrouwen. Hun verhaal is meer dan schrijnend, maar dit gedram breekt mijn bereidheid tot geven af. Na anderhalf uur verlaten ze met excuses ons huis. Dagenlang loop ik rond met een rotgevoel. Tot een vriendin tegen me zegt: ‘Weet je wel dat deze benadering van mensen strafbaar is? Je moet het aangeven bij de politie. Dit kan echt niet!’ Haar opmerking lucht me op en brengt me ook op een idee. Ik wil die organisatie geen schop geven door mijn bijdrage in te trekken.
Ik zal mijn grief kenbaar maken in de hoop dat ze ervan leren. En ik bid vurig dat de tijd dichtbij is dat er voor altijd een einde komt aan marteling en onderdrukking.

Ytje Veefkind is pastoraal medewerker en lid van de NGK Amersfoort-Noord.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief