Samen verder in de gemeente van Christus
2012-03-03
Het valt niet mee om als mensen samen te leven. Botsende belangen, karakters en meningen leiden in grotere en kleinere gemeenschappen niet zelden tot hevige conflicten. In de kerk is dat helaas niet anders. Ook in de Nederlands Gereformeerde Kerken komt het voor dat een gemeente voor kortere of langere tijd zozeer beheerst wordt door verschillen van inzicht en beleving, dat het gemeenteleven vastloopt of in het ergste geval uit de hand loopt. Dat dit van alle tijden is blijkt uit het Nieuwe Testament en misschien wel het sterkst uit Paulus’ eerste brief aan de gemeente in Korinte. Het gemeenteleven in Korinte staat bol van de spanningen. Juist daarom is er geen brief in het Nieuwe Testament die zo veel handvatten biedt voor de omgang met conflicten als deze.- Jaargang 56
- nummer 5
Zet je op een rijtje wat er in de gemeente van Korinte zo al aan de orde is, dan liegt het er niet om. Er is blijkens Paulus’ brief sprake van partijvorming, geestelijke hoogmoed en ernstige dwaling. Er zijn gemeenteleden die elkaar voor de rechter slepen.
Andere gemeenteleden denken dat vrijheid in Christus betekent dat je boven elke wet verheven bent. Paulus maakt melding van een geval van ontucht dat zelfs bij de heidenen niet voorkomt. Er bestaat in de gemeente verwarring over allerlei voor de gemeente relevante thema’s. De viering van het heilig avondmaal in Korinte is een beschamende vertoning en de gemeentelijke samenkomsten bouwen niet op, maar zijn een rommeltje. En dan is dit beeld nog niet eens compleet.
Relativerende noot
Maak je van de problemen in Korinte een sprong naar de moeiten die het gemeentelijke leven in onze kerken kunnen beheersen, dan ontkom je niet aan de conclusie dat onze moeiten in feitelijk alle gevallen van een heel ander kaliber zijn dan die in Korinte. De een vindt de eredienst te onrustig, de ander vindt ’m te mat, maar nergens komt het voor dat profeten en tongentalers elkaar het woord ontnemen omdat ze het hunne belangrijker vinden.
De een wordt opgebouwd door de prediking, de ander niet. Dat is moeilijk genoeg (ook voor de predikant en zijn gezin), maar nergens in onze kerken doen evidente dwaalleringen de ronde. Soms is de sfeer in een gemeente uiterst prikkelbaar en kunnen relatief kleine problemen tot reële spanningen leiden. Bijvoorbeeld als een kerkenraad overweegt om tijdens het heilig avondmaal geen gebruik te maken van wijn, maar van druivensap.
‘Dan laat ik de beker aan me voorbij gaan’, zegt iemand. Lastig is dat, maar toch van een heel andere orde dan wat er in Korinte speelde: de armen hadden honger en de rijken waren dronken!
Een vergelijking van onze situatie met die in Korinte kan misschien helpen onze problemen in iets zuiverder proporties te zien. Misschien moeten we ons afvragen of we onze eigen opvattingen en beleving soms te serieus nemen. Waar precies maken we zo’n punt van? En waarom eigenlijk?
Paulus’ aanpak
Deze relativerende noot betekent niet dat ik de problemen die in sommige van onze kerken spelen niet serieus neem. De verschillen in opvatting en beleving zijn er, ze veroorzaken moeite, soms grote moeite en alleen daarom al vragen ze serieuze aandacht.
Hoe ga je ermee om? Hoe vind je een uitweg? In welke richting zoek je een oplossing? Voor antwoorden op vragen als deze kunnen we heel goed bij 1 Korintiërs terecht. Welke kenmerken vertoont Paulus’ conflicthantering?
Hoe spreekt hij de Korintiërs toe, hoe pakt hij de problemen en kwesties aan? Ik wil er vijf kenmerken van geven.
1. Dankzegging
Het eerste wat me opvalt is, dat Paulus deze brief, waarin heel wat harde noten gekraakt worden, begint met hartelijke dankzegging. ‘Ik dank mijn God altijd voor u …’ begint Paulus (1 Korintiërs 1:4)! Nu zou je kunnen denken dat dit een formaliteit is, omdat hij zijn brieven altijd met dankzegging begint, maar dat is niet het geval. Paulus vult immers heel concreet in waarvoor hij God dankt: ‘Ik dank mijn God altijd voor u, omdat Hij u in Christus Jezus zijn genade heeft geschonken.
Door Hem bent u in elk opzicht rijk geworden. Alles wat u zegt en al uw kennis bewijst dat het getuigenis over Christus bij u verankerd is, en hierdoor ontbreekt het u terwijl u op de komst van onze Heer Jezus Christus wacht, aan geen enkele gave van de Geest.’ Wij denken misschien: gegeven de vele en grote problemen in de gemeente van Korinte had het meer voor de hand gelegen dat Paulus zijn brief begonnen zou zijn met een lange lijst gebedspunten. Maar Paulus begint met danken. Wat er in Korinte gaande is geeft hem allereerst stof om God te loven en te prijzen.
Bevrijdend is dat. Ontroerend ook. En meteen al iets waar je wat mee kunt.
Als je deel uitmaakt van of betrokken bent bij een gemeente waar problemen spelen, wat zie je dan? Hoe kijk je? Wie met de ogen van de apostel kijkt, kijkt met dankbare ogen en verwachtingsvolle ogen. Kijk je alleen naar wat mensen bezig zijn te doen, dan kijk je al gauw met een bekommerde of cynische blik. Kijk je met de ogen van de apostel, dan zie je allereerst wat God gedaan heeft en nog bezig is te doen.
Dat geeft een heel andere beleving van het gemeente-zijn, zelfs al is dat problematisch.
2. Direct
Dan valt op, dat Paulus alle kwesties die er spelen zonder omwegen bij de kop pakt. Hij windt er geen doekjes om en gebruikt bij het benoemen daarvan geen omfloerst en wattig taalgebruik, nee, hij pakt de problemen bij de kop en schuwt daarbij de confrontatie niet. Zo nodig pakt hij de gemeente stevig aan.
Neem meteen al in 1 Korintiërs 1 zijn eerste reactie op het feit dat de gemeente verdeeld is. Klaarblijkelijk speelde de doop en dan vooral door de vraag door wie je gedoopt was daarin een rol. In dat verband benoemt Paulus nog iets waar hij God voor dankt: ‘Ik dank God dat ik niemand van u – behalve dan Crispus en Gajus – heb gedoopt; niemand van u kan dus zeggen dat hij in mijn naam is gedoopt …’ (1:14). Het zou je dan maar gezegd worden, door niemand minder dan Paulus: Ik dank God dat ik niemand van jullie heb gedoopt …! Paulus durft de confrontatie aan te gaan, ook als die pijnlijk is.
Nog zo’n confronterende: ‘Maar, broeders en zusters, ik kon tot u niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus. Ik heb u melk gegeven, geen vast voedsel; daar was u niet aan toe …’ (1 Korintiërs 3:1). Ofwel, jullie denken heel wijs te zijn, maar jullie zijn in mijn ogen kleuters in het geloof!
Ook schuwt Paulus de ironie en zelfs spot niet. Voortdurend plaats hij de Korintiërs – nogmaals, zij meenden uit te blinken in kennis – voor de vraag: ‘Jullie weten toch wel …?’ Weten jullie niet dat jullie een tempel van de Geest zijn? Weten jullie niet dat een beetje desem het hele deeg zuur maakt?
Weten jullie niet dat wie onrecht doet geen deel heeft aan het Koninkrijk?
Paulus vraagt maar door. Heel direct, confronterend en tegelijk met een glimlach van milde spot om zijn lippen.
Wat te denken van 1 Korintiërs 4:10: ‘Wij zijn dwaas omwille van Christus, terwijl u dankzij Christus zo geweldig wijs bent; wij zijn zwak, terwijl u zo geweldig sterk bent; u staat enorm in aanzien, terwijl wij worden veracht.’
Dat is een tweede kenmerk van Paulus’ aanpak van de problemen: zijn directheid.
Paulus is geen zachte heelmeester, die de ontsteking laat zeuren en etteren zodat er stinkende wonden ontstaan, nee, hij benoemt eerlijk alle ziekteverschijnselen, juist ook omdat hij weet heeft van een therapie die al die ziektes genezen kan.
3. Concreet
Een derde kenmerk van Paulus’ aanpak van de problemen in Korinte is, dat hij die echt behandelt. Punt voor punt loopt hij de kwesties langs, geen vraag of probleem laat hij onbesproken.
Paulus laat de gemeente ten aanzien van de concrete kwestie dus niet in de kou staan. Hij zegt niet: ‘Zoek het zelf maar uit, ik ga mijn vingers niet branden aan de problemen die jullie hebben’, nee, hij gaat er op in, hij wijst een weg. Soms is dat bij het casuïstische af. In 1 Korintiërs 7 spreekt hij eerst tot de gehuwden, dan tot de ongehuwden en weduwen, dan tot de broeders of zusters met een ongelovige vrouw of man, dan tot de ongetrouwde jonge vrouw, dan tot de ouders van de ongehuwde meisjes. Telkens adviseert hij, geeft hij raad of een richtlijn. Ook dit ervaar ik als een opvallend en ook leerzaam kenmerk van Paulus’ aanpak.
Het kenmerk van veel hedendaagse conflicthantering is, dat er een derde wordt bij gehaald die er uitsluitend op focust dat de partijen zelf hun problemen leren hanteren. De bemiddelaar maakt zelf geen keuzes en zorgt er zo voor zelf buiten de problemen te blijven.
Hierin zit een stuk wijsheid waar ik zeker niet aan voorbij wil gaan.
Voordat je het weet is de bemiddeling zelf deel van het probleem geworden!
Toch kan een goede raad, een dringend advies, een duidelijke positiebepaling van een relatieve buitenstaander in een bepaalde conflictsituatie ook nodig en heilzaam zijn, zo blijkt uit 1 Korintiërs. Hierbij weet Paulus heel goed te onderscheiden tussen een goede raad of een gebod van de Here (1 Korintiërs 7:10 en 7:12). Hij dekt niet elk advies met het gezag van Gods Woord. Daaruit blijkt dat Paulus zich ervan bewust is dat wat hij in alle oprechtheid vindt, niet altijd gelijk staat met wat de Here tot de gemeente te zeggen heeft. Ook daarvan kunnen we leren. Zeker in kerkelijke conflictsituaties hebben christenen niet zelden de neiging een conflict op de spits te drijven door te stellen: ‘Gods Woord zegt …!’ Wel, op die toonhoogte spreekt Paulus ook wel eens, maar zeker niet altijd. Dat is een kwestie van onderscheidingsvermogen.
4. Geestelijke principes
Een vierde kenmerk van Paulus’ aanpak van de problemen in Korinte is, dat hij steeds de geestelijke principes benoemt waar hij bij het zoeken naar een uitweg van uitgaat. Hij behandelt allerlei concrete gevallen, maar is geen opportunist, die met gelegenheidsoplossingen komt, maar iemand die vanuit voor iedereen heldere, geestelijke principes redeneert.
Neem 1 Korintiërs 14, het hoofdstuk over de inrichting van de eredienst.
Dat hoofdstuk bevat allerlei concrete richtlijnen, maar die richtlijnen gaan terug op enkele heldere en overtuigende uitgangspunten: ‘Laat alles tot opbouw van de gemeente zijn’ (1 Korintiërs 14:26). En: ‘God is niet een God van wanorde maar van vrede’ (1 Korintiërs 14:33). Ook in 1 Korintiërs 8 (over het al dan niet eten van offervlees) worden allerlei uitgangspunten, geestelijke principes, geformuleerd.
‘Kennis maakt verwaand, maar liefde bouwt op’ (8:1), dat is het grote uitgangspunt.
Vervolgens zet Paulus neer hoe die twee – kennis en liefde – zich in de concrete kwestie van het eten van het offervlees tot elkaar verhouden.
Enerzijds mag voor iedereen persoonlijk volop deze belijdenis gelden: ‘er is één God, de Vader, uit wie alles is ontstaan en voor wie wij zijn bestemd, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven.’ (8:6) Waarmee Paulus te kennen geeft dat geen enkel voedsel in zichzelf verkeerd is. Maar, er is ook een ander, een nog groter principe en dat is de liefde.
Niet iedereen in Korinte is los van de afgoden en er is maar een klein zetje voor nodig om hen te laten terugvallen in het heidendom. En dan luidt het geestelijke principe: ‘Maar let erop dat de vrijheid die u hebt geen struikelblok wordt voor de zwakken onder u’ (8:9).
En: ‘Als ik dus door vlees te eten mijn broeder of zuster ten val breng, wil ik het nooit ofte nimmer meer eten; dan breng ik hen niet ten val’ (8:13).
Avondmaalswijn
Laten we deze geestelijke principes eens toepassen op het gebruik van wijn tijdens de maaltijd van de Heer.
Als iemand daarvoor als reden aanvoert dat het in principe verboden is om wijn te drinken en dat alcohol als zodanig uit de boze is, geldt het eerste principe. Maar als het argument daarvoor is dat er een of meerdere gemeenteleden zijn met een alcoholverslaving en dat het contact met alcohol voor iemand risico’s in zich draagt, dan geldt dat tweede principe. Juist in de gemeente van Christus moet voorkomen worden dat de vrijheid van de ander tot slaaf maakt. En daar moet je, zegt Paulus, als sterke christen dan ook niet een te groot punt van maken: ‘Nu zal ons voedsel ons niet bij God brengen: eten wij niet, dan zal ons dat niet tot nadeel strekken; eten wij wel, dan zal ons dat niet tot voordeel strekken’ (1 Korintiërs 8:8). Daar heb je weer die relativerende noot.
Kenmerkend voor de Bijbel is dit: het welzijn en heil van de kwetsbaarsten in de gemeenschap is het voornaamste richtsnoer. Daar heeft ook de gemeente van Christus zich op in te stellen.
Geestelijk onderscheidingsvermogen
Paulus’ adviezen en richtlijnen gaan dus voortdurend terug op heldere en gezonde geestelijke principes. Op basis daarvan probeert hij de gemeente geestelijk te laten denken, geestelijk te laten oordelen. Hij brengt onderscheidingsvermogen bij: waar komt het wel, waar komt het niet op aan? Ook dit is een notie waarmee we nog steeds onze winst kunnen doen. Niet zelden wordt onenigheid veroorzaakt door gebrek aan onderscheidingsvermogen. De gemeente is om de een of andere reden het zicht kwijtgeraakt op datgene wat er wel, datgene wat er niet en datgene wat er in mindere mate toe doet. Met tot gevolg dat kwesties die er niet zo toe doen enorm opgeblazen kunnen worden. Van een mug wordt een olifant gemaakt, of, nog erger, de olifant wordt verzwolgen en de mug er uitgezift!
Maar er kan nog een oorzaak zijn voor onenigheid in de gemeente van Christus.
Die is dat gemeenteleden in een zeer sterke mate uitgaan van zichzelf en hun eigen beleving en die aan de ander willen opleggen. Men acht zichzelf uitnemender dan de ander, om het zo te zeggen. Dat brengt me bij het vijfde en belangrijkste kenmerk van Paulus’ onderricht in 1 Korintiërs.
5. Gekruisigde liefde
Voor alles, boven alles en in alles stelt Paulus de gekruisigde en opgestane Heer centraal in zijn brief. Dat is het eerste wat hij doet en dat is het laatste wat hij doet. In 1 Korintiërs 2:2 schrijft hij: ‘Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus – de gekruisigde.’ En in 1 Korintiërs 15:3vv schrijft hij: ‘Het belangrijkste wat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat …’ Het kruis van Jezus Christus is in de gemeente van Jezus Christus nooit een gepasseerd station. Paulus neemt het kruis waaraan Christus hangt, dat aan de toegangspoort van de gemeente stond, op en zet het weer midden in de gemeente. Kijk, Hij is jullie heil, Hij is jullie leven, Hij is jullie koning, Hij wil over de gemeente en over jullie hart regeren.
Dat kruis betekent per definitie dat niet het menselijke ego de dienst mag uitmaken in de gemeente van Christus.
Het kruis immers is een oordeel, een oordeel over ons allemaal, een oordeel, niet alleen over de ander, ook over jou. Vanuit menselijk perspectief is dat kruis een volstrekte dwaasheid.
Maar, zegt Paulus, het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen.
Oordeel
Het kruis is dus een oordeel, een oordeel niet alleen over leuzen als ‘Ik ben van Paulus’ en ‘Ik van Apollos’, maar niet minder over leuzen als ‘Ik ben ge reformeerd’ en ‘Ik ben evangelisch’, ‘Ik zing het liefste Liedboek’ en ‘Ik zing het liefste Opwekking’, ‘Ik ben voor een missionaire gemeente’, ‘Van mij hoeft al dat missionaire niet zo’. Voor Paulus doet het er allemaal niet zo veel toe. Op zichzelf genomen hebben al die meningen niets met Christus te maken. Het ene oordeel, de ene mening is op zichzelf genomen niet meer of minder christelijk dan het andere.
Wat wel met Christus te maken heeft is de gekruisigde liefde, de bereidheid offers voor de ander te brengen, je leven voor de ander te geven, geduld met de ander te oefenen, jezelf steeds weer te kruisigen met Christus en met Hem op te staan in een nieuw leven.
Tot dat punt brengt Paulus de gemeente steeds weer terug: tot het kruis.
Laat dat in de omgang met elkaar het regerende principe, het uitgangspunt blijven.
Liefde
Kijk je vanuit dit uitgangspunt van Paulus naar de oplossingen die hij aandraagt, dan zie je dat die allemaal door dat principe beheerst worden. Wat Paulus betreft – zoals ik hem interpreteer allicht – zijn we vrij. Helemaal vrij om linksom te gaan of om rechtsom te gaan, om iets wel of niet te doen, avondmaalswijn of geen avondmaalswijn, opwekking of liedboek, het maakt hem niet zoveel uit. Wat hem wel uitmaakt is of we bezig zijn ons eigen koninkrijkje te bouwen of niet.
En of de keuzes die we maken werkelijk wegkomen bij het kruis en of het de gekruisigde liefde is, die ons drijft en de keuzes en wat we willen en nastreven beheerst. Als dat niet zo is, stelt alles wat we doen en denken niets voor, heeft het voor God geen waarde.
Alleen wat opkomt uit de liefde van en de liefde voor Jezus Christus en die gekruisigd heeft waarde voor God, eeuwigheidswaarde zelfs. Het is die liefde waardoor de hemel een stap naar de aarde heeft gezet, waardoor de Zoon mens werd, waardoor degene met een meer evangelische beleving de gereformeerde tegemoetkomt en waardoor degene met een meer gereformeerde beleving de evangelische tegemoetkomt.
En vul verder zelf maar in. Inderdaad, 1 Korintiërs 13:1-3: ‘Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.’
Abc
Ik zet de dingen nog een keer op een rij. In de gemeente van Korinte heerst verdeeldheid en zijn er meningsverschillen over allerlei kwesties. Vervolgens stuurt Paulus een apostolische brief. Die begint hij met een bevrijdende dankzegging. Wat doet God toch veel moois onder jullie en ik ben ervan overtuigd dat Hij zijn plan met jullie zal volvoeren! Vervolgens steekt Paulus zijn hoofd niet in het zand, maar behandelt hij de kwesties een voor een. Hij schuwt de confrontatie niet en pakt de gemeente zo nodig stevig aan. Kenmerkend voor Paulus’ behandeling van de kwesties is dat die concreet is en oplossingsgericht en uitgaat van heldere, gezonde en overtuigende geestelijke principes. Zo laat hij de gemeente niet zwemmen in de problemen, maar helpt hij die werkelijk verder, brengt hij de gemeente tot geestelijke volwassenheid. Hij leert de gemeente van God, van Christus uit te denken. En wie is Christus? Hij is de gekruisigde, degene die zich uit liefde geofferd heeft omwille van mensen.
Het is dus de gekruisigde liefde die het in de kerk voor het zeggen heeft. Op dat niveau wil Paulus de gemeente brengen, in Gods naam.
1 Korintiërs, het is een brief om juist in conflictsituaties keer op keer te lezen en te spellen, omdat die het abc van de omgang met conflicten in de gemeente van Christus bevat.
Bovenstaande toespraak heb ik als lid van de Vertrouwens- en adviescommissie van onze kerken in een aangepaste vorm gehouden in een gemeente waar verschillen van inzicht en beleving voor spanningen zorgden.
Jan Mudde is predikant van de NGK Haarlem en lid van de Vertrouwensen adviescommissie in de NGK.
| Om te doen Stel, er zijn spanningen in de gemeente door verschillen van inzicht en beleving. Probeer als kerkenraad of als Bijbel- of gesprekskring dan eens een brief van apostolische allure te schrijven. Schrijf deze brief samen, in onderling overleg. Paulus schreef zijn brieven immers ook niet alleen, maar altijd met hulp van anderen, in het geval van de 1 Korintiërs samen met Sosthenes. Probeer de brief te schrijven naar het model en op het niveau van 1 Korintiërs. Die brief mag best concreet en confronterend zijn, maar dient uit te gaan van dezelfde geestelijke principes als die Paulus hanteert. Zo kan de brief eraan bijdragen dat Christus’ gekruisigde liefde gestalte krijgt in de gemeente. Misschien kan zo’n insteek helpen een perspectiefwisseling en eventueel zelfs een omslag teweeg te brengen. |