Christelijk Gereformeerden en Nederlands Gereformeerden

1980-06-06
  • Jaargang 24
  • nummer 23
Het is typerend voor de nonchalante wijze waarop wij met elkaar omgaan als ik constateer 'dat er in ons blad tot nu toe geen bespreking heeft gestaan van het jaarboek 1980 van de Chr. Gereformeerde Kerken en met name van wat daarin gezegd is door ds J. H. VeIema over onze kerken. Evenmin heb ik in Opbouw een wat uitvoerig verslag, laat staan bespreking, gelezen van wat Prof.
dr J. P. Versteeg heeft gezegd te Zutphen over de verhouding tussen de beide kerkengroepen.
Ook heb ik geen verslag gelezen van de conferentie die in Amersfoort gehouden is over de eenheid tussen onze 'kerken en de Ohr. Gereformeerde Kerken. Gezien het enthousiasme in Amersfoort kan men niet concluderen dat de zaak van de eenheid tussen beide kerkengroepen n:iet leeft. Maar de spraakmakers bij ons besteden er todh niet veel aandacht aan. Jammer! En de spraakmakers onder de Ohr. Gereformeerden lopen ook niet allemaal even warm voor die eenheid.
Dat is ook jammer en is ook echt niet goed. Kerkelijke eenheid die echt ook uitdrukking is van de enigheid des geloofs kan en mag geen zaak van liefhebbers zijn. Ik acht me van de plicht ontslagen dit vanuit de Schrift aan te tonen.

Ds Velema constateert in zijn jaaroverzicht in het hierboven genoemde jaarboek dat kanselruil minder voorkomt dan al het geval is geweest en vraagt: "Is er meer verschil dan men op broederlijke vergaderingen theoretisch poneerde?
Of heeft de landelijke verhouding, die nog niet zo veel gevorderd is, vertragend gewerkt op de plaatselijke verhoudingen?" Ds Velema stelt alleen de vragen, maar de vragen zijn wel suggestief en we doen hem wel geen onrecht als we zeggen dat hij in ieder geval niet staat te trappelen van ongeduld blijkens wat hij verder zegt: "Het lijkt niet verstandig om koste wat kost de vereniging met deze (onze, A.) kerken door te zetten." En vooral ook met het oog op de eenheid in de eigen kerken.
Nu is het een algemeenheid te zeggen dat je iets niet doen moet ten koste wat het kost. 'Kosten dienen nu eenmaal steeds overdacht te worden en van te voren. Ook is het juist als ds Velerna de eenheid in eigen kring laat meespreken. Hij heeft daarin gelijk. Hij zou niet anders mogen doen. Maar die tot voorzichtigheid manende uitingen zijn nu eenmaal niet bevorderlijk voor de eenheid. Altijd waarschuwen zonder eens warm te lopen pro heeft een contra effect.
Prof. Versteeg kritiseerde, blijkens het verslag in "Trouw" de weergave van Trouw van ds Velema's mening. Maar afgedacht van het feit dat in Trouw ai te makkelijk de opinie van Velema gelijk gesteld werd met die van de Christelijke Gereformeerden, was de weergave van Trouw van het jaaroverzicht op dit punt toch wel juist. Ds Velema is niet enthousiast. Dat is duidelijk.
Prof. Versteeg is positiever. Dat is ook duidelijk.

Toch heeft ds Velema gelijk als hij stelt dat de eenheid binnen de Chr. Geref. Kerken een waardevol iets is en dat men degelijk rekening dient te houden met dat deel dat nu eenmaal een beetje wantrouwend tegen ons aan kijkt. Het is niet zo verbazingwekkend dat men wantrouwig is. Om te beginnen is het wel eens goed om te erkennen dat in 1892 de Chr. Gereformeerden gelijk hadden met te weigeren mee te gaan met de Vereniging. De vrees voor de leer van dr A. Kuyper was er terecht. Het latere verloop van de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken heeft dat wel degelijk aangetoond. Laten wij nu om het wantrouwen zo veel mogelijk weg te nemen dat maar heel gewoon erkennen. Geen zondaar wordt er minder van als hij fouten, zonden of gebreken erkent. Integendeel.
Geen gemeenschap van zondaren, een gemeente en gemeenten, wordt er minder van als men zonden of gebrek aan inzicht erkent. Daarbij dient nog wel gezegd te worden dat het erg makkelijk is zonden van voorouders te erkennen, als men de solidariteit in de schuld niet kent. Daniël 9; Nehemia 9.
Verder is de geschiedenis van de Vrijgemaakte Kerken - dus van die Gereformeerde Kerken die eindelijk (!) braken met de veronderstelde wedergeboorte - ook een nare. De Farizeïstische sektarische tendens was zo evident voor iedereen die niet van eigen gelijk bij voorbaat overtuigd was, dat het geen wonder is dat er onder de Chr. Gereformeerden mensen zijn, die ons wantrouwig bekijken.

En daar komt wat het heden betreft nog wel wat bij. Allereerst is er wel de stroming rond het Seminarie.
Heel kort geformuleerd komt het Seminarie-streven toch hierop neer dat men van mening is dat alle andere opleidingen voor predikant niet goed zijn. Dat dus ook Apeldoorn een niet-schriftuurlijke opleiding is. Dat de Chr. Gereformeerden hierover niet erg gesticht zullen zijn, is wel te verwachten. Wie een klein beetje op de hoogte is weet hoe emotioneel-gevoelig de opleiding in Apeldoorn ligt. Men heeft een liefde voor de eigen opleiding die doet denken aan de School- of VU-supporters uit de dertiger jaren in onze kerken. Kwam je toen of aan de VU of aan de School, je kon rekenen op onenigheid. Hoe lang heeft dat geschil niet de verhoudingen vertroebeld in de Gereformeerde kerken. Afgedacht van het feit of de Seminarie-mensen in onze kerken Apeldoorn terecht een brevet van onvermogen geven, zou het toch wel eens goed zijn als ook van.
die kant gehoord werd dat men geen principiële bezwaren heeft tegen eenwording tussen onze kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken.
Daar komt bij dat mij het Seminarie-streven duister is. Ik meen dat ik alle publicaties goed gevolgd heb. Ik begrijp dat men bezwaren heeft tegen ongelovige wetenschap.
Ik begrijp dat men bezwaren heeft tegen overheersing van de bestudering van Gods Woord door de wetenschap. Ook door de theologie. Ik kan - met enige moeite - iets vermoeden van het bezwaar dat men heeft om de theologie en wetenschap te noemen. Dat bezwaar deel ik niet. Ik heb K. J. Popma op dit punt nooit begrepen. Op dit punt begrijp ik het "Seminarie" ook niet. Maar ik kan het vermoeden.
Maar hoe al deze bezwaren tégen Apeldoorn kunnen gelden is me niet duidelijk De publicaties van Seminarie-kant zijn, afgedacht van enkele onbekookte aanvallen op medewerkers van dit blad, niet erg duidelijk en zeker niet erg overtuigend.
Het lijkt me dat alle bezwaren tegen de overheersing van "de" wetenschap gedeeld worden in zeer wijde kring in de Chr .Geref. Kerken. Waarom dan toch een "eigen" opleiding? Is dat geen ongemotiveerd wantrouwen? En realiseert men zich niet een obstakel op te werpen tegen de eenwording? In dat verband is het overigens uitermate naïef van Velema om de artikelen van drs H. de Jong over het Schriftgezag in dit blad te noemen als voorbeeld van verdeeldheid bij ons. Zij die bezwaren hadden tegen die artikelen hebben vast en zeker óók bezwaren tegen wat Prof'. Oosterhoff over Genesis te berde heeft gebracht. Ik vermoed dat Oosterhoff's opinie in Seminariekring juist als voorbeeld zou kunnen dienen hoe de wetenschap een ongeoorloofde greep krijgt op de theologie. En om dan bezwaren uit juist die kring tegen De Jong aan te voeren voor eigen mening is kortzichtig.

Vervolgens is er in onze kerken véél meer waardering voor wat ik zou willen noemen "ongeregelden ".
Bij ons ben je steeds weer verbaasd hoe zeer men wat de regels van het kerkelijk samenleven vervallen is van het ene uiterste in het andere.
Er is vrijwel geen experiment of het wordt bij ons wel geprobeerd en graag. Bij ons denken we maar al te veel dat het overboord zetten van elke traditie een goede zaak is.
Te veel vergeet men dat in de traditie vaak ook iets is van het gelovig nadenken uit vroeger tijden.
Efeziërs 3 : 17, 18. Denken de meeste Chr. Gereformeerden nogal “hoogkerkelijk", bij ons is "laag-kerkelijkheid" troef. Vele kerkenraden bij ons laten b.v. mensen voorgaan die daartoe kerkelijk niet bevoegd zijn. Van alle mogelijke opleidingen uit binnen en buitenland bestijgt men de kansels.
Het "heil der kerken" dient als uitvlucht om maar raak te doen.
En allerwege treft men voorgangers aan die zonder aan een vaste gemeente verbonden te zijn her en der voorgaan. Dat is een ontwikkeling die ik betreur. Als men in de Chr. Geref. Kerken leidt aan een overschatting van het ambt van predikant - en het jaarboek is er om dat te bewijzen - bij ons is er duidelijk een zeer sterke onderschatting. Strakke regels zijn bij ons haast een taboe. Bij de Chr. Gereformeerden zijn ze regel. De aandacht die ds Velema in het jaaroverzicht besteedt aan besluiten van klassikale vergaderingen e.d. is langzamerhand bij ons ondenkbaar. Maar al die ongeregeldheden samen maakt van onze kant de sfeer om tot vereniging te komen moeilijker.
Er is weinig aandacht en gevoel voor de. zwakheden van anderen. Wat dat betreft zijn we echte vrijgemaakte gereformeerden uit de school van Kuyper.

Als ds Velema gelijk heeft in zijn suggestieve vragen dat de belangstelling voor eenwording aan het afnemen is, dan zou dat zeer te betreuren zijn, maar dan hebben wij in ieder geval niet alles gedaan wat mogelijk is om die belangstelling te stimuleren.
Maar er is meer. Daarover een volgende keer.

17 mei 1980

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief