Achter Gods rug
1979-11-02
"Gij hebt al mijn zonden achter uw rug geworpen"- Jaargang 23
- nummer 41
(Jes. 38: 17b)
Wat doen wij met onze zonden?
Je kunt proberen ze zo gauw mogelijk te vergeten.
Je kunt ze ook afreageren op anderen. Je gaat tekeer over de zonden van anderen, omdat je met je eigen zonden niet klaar gekomen bent.
Je kunt je ook steeds weer in nieuwe dingen storten om je falen van tot nu toe te boven te komen.
Je kunt je schuldbewustzijn verdringen, -- maar ondergronds blijft het toch zitten en knaagt het aan de wortels van je levensvreugde.
Is er ten gevolge van dat alles niet veel angst en nerveusiteit onder de mensen?
Maar God wil ons zo niet hebben, Hij wil ons hebben als vrije en blije mensen, en niet als een stel verkrampte en belaste zielen.
Wat doen wij met onze zonden?
De Bijbel leert ons nu ook weer niet, dat we met onze zonden te koop lopen en ze voor ons uit moeten dragen als een vertoning van geestelijke onmacht. En nog minder dat we ze achter ons aan moeten slepen, een leven lang.
We blijven er dan zelf mee bezig en daar gaan we aan te gronde.
Hoor, wat God met onze zonden wil doen!
. Hij wil dat onze zonden bij Hem terecht komen, want Hij is de enige, die er wat aan doen kan en wil. Hij wil ze n.l. achter zijn rug werpen!
Is dat niet wonderlijk?
Juist dezelfde God, tegen wien wij gezondigd hebben en voor wien wij onze zonden proberen te verbergen, juist Hij zegt tegen ons: kom er maar mee voor de dag, geef maar hier je schuld, Ik ga je ervan bevrijden, want die last is voor jou veel te zwaar, geef maar aan Mij. . . .
God neemt het van ons over en werpt het zomaar achter zijn geweldige rug!
Dat is het geheim van de vergeving, waar alle kinderen Gods van leven, willen ze weer vrij en blij kunnen leven,voor Gods aangezicht, met onze zonden achter zijn rug.
Niet wij kruipen dan weg achter zijn rug, vanwege onze zonden, maar onze zonden werpt Hij achter zijn rug, en Hij haalt óns voor zijn aangezicht!
We mogen ons dat zo konkreet mogelijk voorstellen.
De zonde van ons, die eerst tussen God en ons en tussen ons en onze medemens in lag en scheiding maakte ... nu daartussen weggenomen en achter Gods rug geworpen.
En nu ziet God ze niet meer.
Want Hij ziet óns "in Christus genadig aan".
Maar onze zonden ziet Hij nu niet meer. God heeft geen ogen in zijn rug. Hij kijkt nooit meer naar onze zonden om, als Hij ze eenmaal achter zijn rug heeft geworpen.
En Hij komt er nooit meer op terug, tot in het laatste gericht niet.
Dan behoeven wij er toch ook niet meer naar om te kijken?
't Is echt achter de rug!
Jawel, -- als u dat laatste maar nooit zegt van uw eigen rug.
Als u maar nooit zo lichtvaardig over uw zonden denkt, dat u na een poosje zegt: nu ja, dat hebben we dan weer achter de rug.
En als u bij uw nadering tot God in het gebed, maar niet uw zonden achter uw rug houdt. Daar bent u niet mee geholpen. U bent alleen echt van uw zonden af als u ze God geeft en ze Hem laat werpen achter zijn rug.
De Bijbel gebruikt 3 x de uitdrukking "achter uw rug werpen", zo dat het slaat op onze eigen rug en dat is dan niet zo best.
Eén keer moet de HERE klagen, dat zijn volk zijn Wet achter hun rug heeft geworpen (Neh. 9 : 26) en twee keer nog erger: dat ze hun God achter hun rug hebben geworpen (1 Kon. 14: 9 en Ezech. 23: 35). Dat is het toppunt van wetteloosheid en Godloosheid, alsof het een stuk oud vuil was achteloos Gods Wet, ja God zelf achter je rug te werpen!
Dat had God met óns wel kunnen doen en dan met recht.
Wat een geweldige genáde als we in de krisis van ons leven (zoals Hiskia, zie tekstverband) ervaren mogen, dat God niet ons, maar onze zonden achter zijn rug werpt.
We moeten er dan wel mee voor de dag komen, niet wegstoppen, maar op de proppen er mee. Wat wij achter ónze rug houden, kan God niet achter zijn rug werpen.
Maar wat gebéurt er nu met onze zonden achter Gods rug?
Wel, daar staat het Lam Gods, dat al onze zonden op zich neemt, die God achter zijn rug werpt. Dank zij Hem mogen wij in het licht van Gods vriendelijk aangezicht leven, als vrije en blije mensen.
Want zo ziet Hij ons zo graag. Looft de Heer!