Zo was het (32)

1979-11-02
  • Jaargang 23
  • nummer 41
Vreemde opvattingen over het werk van de Heilige Geest ben ik wel tegen gekomen. Mogelijk denkt iemand aan zoiets als tongentaal, waarvan Paulus in 1 Korinthe 14 spreekt. Daarvan heb ik echter in m'n werk als pastor nooit iets gemerkt. En dat betreur ik niet. Het is mij nooit recht duidelijk geworden, wat wij onder de tongentaal hebben te verstaan.

Paulus had die gave en hij wilde wel, dat de Karinthiërs die gave ook hadden. Maar hij zegt er herhaaldelijk bij, dat dat werk van de H. Geest niet dient tot stichting of opbouw van de gemeente. Het schijnt een uitstoten van vreemde klanken geweest te zijn. En buiten het verstand van de "begeesterde" om te gaan. Déze werd blijkbaar door zulk "spreken" wel gesticht, bevestigd in z'n geloof. Maar de gemeente had er niets aan.

En als ongelovigen zoiets zouden meemaken, dan zouden zij de spreker wel voor waanzinnig houden. Daarom weert de apostel dit verschijnsel uit de samenkomst van de gemeente. Hij heeft liever, dat er vijf woorden worden gesproken tot opbouw van de gemeente. Hij zal daarbij gedacht hebben aan duidelijke vertroosting of vermaning. Dat is van meer waarde dan 10.000 woorden, die uitgestoten worden in een toestand van extase, van buiten-zichzelf-zijn. Paulus raadt de gemeente aan (1 Kor. 14: 39) het spreken in rongen taal niet te verhinderen. Maar het profeteren, d.w.z., het vermanen en vertroosten na te jagen. Indertijd heb ik de gegevens over de glossolalie of tongentaal in H. 14 zó samengevat:

1) Het was een bijzondere gave van de H. Geest.
2) Ze diende tot eer van God en niet tot stichting van de gemeente.
3) Ze heeft iets van een lof- of dankgebed en dient wel tot stichting van de spreker zelf.
4) Het verstand is bij dit verschijnsel uitgeschakeld.
5) Voor vreemden lijken gebruikers van tongen taal waanzinnig.
6) De gave van uitlegging kon aan iemand worden gegeven.

In m'n leven heb ik éénmaal iemand ontmoet, die dit verschijnsel kende.
Maar hij beoefende deze gave alleen voor zichzelf, nooit in gezelschap.
Eénmaal heeft iemand mij verteld in een samenkomst zo iets te hebben meegemaakt. Zij vond het maar gewouwel van koeterwaals en is uit dit gezelschap weggelopen. Ik vermoed, dat dit een gave van de Geest is geweest, wel in het bijzonder in de apostolische tijd. We moeten er dunkt mij niet naar verlangen. Wat waarschijnlijk ook wel geen lezer of lezeres zal doen.
Wel heb ik iets anders gemerkt, Dat sommigen meenden de stem van de H. Geest te horen bij het lezen van een bepaalde tekst. Eén geval herinner ik me nog. Eén van m'n catechisanten diende bij een lid van de oudgereformeerde kerk. Die wilde haar mee hebben naar zijn kerk. Maar het meisje aarzelde, ze kwam nog onder mijn gehoor. Op zekere zondagmorgen zat het gezin van deze broeder aan tafel en men las een kapittel van de Bijbel. Terwijl wagen en paard al klaar stonden om naar de kerk te gaan. Toen las de lezer Hand. 8 : 29 "En de Geest zeide tot Filippus: Treed toe en voeg u bij deze wagen". Toen zweeg de voorlezer even, keek het meisje aan en zei: Hoor je het? Voeg je bij deze wagen! ... Het meisje ging mee. Ze hoorde in dat bijbelwoord blijkbaar de stem van de H. Geest. Zo zal dat wel vaker zijn voorgekomen. Daarbij kunnen vreemde vergissingen gemaakt worden. Zo las ik ergens, dat een familielid was gestorven en dat de omgeving geen zekerheid had van haar zalig uiteinde.

Maar toen kreeg iemand een stem te horen: "Zij heeft haar zwaai en spoor de ganse hemel door!" Daarmee was het raadsel opgelost. Zij was naar de hemel gegaan. Een wel wat vreemde zekerheid. Want bedoelde woorden komen voor in psalm 19 en hebben betrekking op de zon! Maar zo leefde men in bepaalde kringen wel bij "stemmen".

Iets dergelijks bemerkte ik, als men dacht aan een "stem van de Heilige Geest" bij de verklaring van Rom. 8 : 16 "Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn". Men verstond deze tekst in bepaalde kringen zó, dat een aparte stem of een bizondere ingeving aan de "echte" kinderen Gods zou verzekeren: Gij zijt een kind Gods!
Laten we nagaan wat Paulus van de Heilige Geest zegt. In vs. 14 heeft hij gezegd, dat allen die door de Geest Gods geleid worden kinderen van God zijn. We kunnen ook wel vertalen: allen die door de Geest Gods zich laten leiden. Met die "allen" bedoelt hij zonder twijfel 'alle gelovigen.

In vs. 12 schreef hij immers "Derhalve zijn wij, broeders (en zusters), schuldig ... " Wij, dat zijn de "geroepen heiligen" te Rome. Dat zijn niet maar enkele ingeleiden of doorgeleiden in de gemeente van Jezus Christus.
Maar állen, die oprecht de Here Jezus geloven. Van hen zegt' de apostel, dat zij hebben ontvangen "de Geest van het zoonschap". En die Geest is geen Geest van slavernij. Hij maakt van ons geen slaven. Die angst hebben voor een tyran. Maar Hij maakt ons tot zonen en dochters van God. Want door de werking van die Geest roepen wij immers: "Abba, Vader". Dat mogen wij roépen! Met overtuiging uitspreken. Zoals de Here Jezus ons heeft leren bidden: Onze Vader, die in de hemelen zijt.

Wij roepen dat uit in kinderlijk geloof. Dat een gave is van de Heilige Geest. Zodat wij zeggen mogen: Dat roepen wij door de H. Geest.
En hiervan zegt Paulus nu in vs. 16: "Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn". Met onze geest, staat er. Niet met de geest van een enkeling in de kerk van God, die bizonder begenadigd is. Maar dat mogen álle gelovigen weten.
Wil dat nu zeggen, dat de gelovigen een stem uit de hemel of van de Geest krijgen: jullie zijt kinderen Gods? Geen sprake van. Maar dat staat er toch ook niet. Paulus schrijft niet: Die Geest geeft getuigenis áán onze geest. Maar Hij getuigt mèt onze geest. Wij getuigen het dus, ónze geest verklaart het. Maar ook de H. Geest getuigt het. Samen met ons.
Veel verklaarders hebben dit inderdaad verklaard als een aparte stem of een speciale inspiratie, die boven het geloof uitgaat. Anderen hebben dat getuigenis gezocht in de Schrift. Waar de Geest getuigt, dat gelovigen kinderen van God zijn. Deze laatste verklaring acht ik wel mogelijk.
Bij die opvatting is er dus een getuigenis van onze geest en daarnaast een getuigenis van de H. Geest in de Schrift: En die twee getuigenissen stemmen samen.

M.i. heeft een andere verklaring de voorkeur. Ais wij God aanroepen als onze Vader getuigen wij, dat wij kinderen van God zijn. Slaven zeggen tegen hun baas niet: vader; zij noemen hem hun Heer of Eigenaar.

"Massa" zeiden de slaven uit "De hut van Oom Tom". Met het oprechte bidden van het Onze Vader verklaren wij of verklaart onze geest, dat wij kinderen van die hemelse Vader zijn. Maar achter die verklaring staat de Heilige Geest. In en met en door dat getuigen van ons verklaart ook de H. Geest, dat wij kinderen zijn. Hij is het immers, die het geloof in onze harten werkt. En ons zo doet bidden. We lezen in Gal. 4: 6 "God heeft de Geest van zijn Zoon uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader". De Géést is het dus, die roept en getuigt. En wij zijn het die roepen en getuigen. God hoort om zo te zeggen niet alleen het getuigenis van onze Geest in ons gelovig gebed. Maar ook het getuigenis van de H.
Geest, die in en door ons bidt.

Deze verklaring komt ons mogelijk wat vreemd voor. Maar is toch in overeenstemming met andere gegevens van het Evangelie. Telkens vinden wij dat samengaan van Gods werk en ons werk. In Gal. 2 : 20 schrijft Paulus: "Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij". Ergens anders verklaart hij: "Ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods die met mij is". We mogen ook denken aan het bekende woord: "Werkt uw eigen redding met vrees en beven, want het is God, die in u werkt het willen en het werken tot roem van Zijn welbehagen".

Geloven we in Jezus Christus? Houden we ons aan Zijn opdracht?
Willen wij van Hem leren? Nu Hij heeft ons het allervolmaakste gebed geleerd. Als wij dat oprecht bidden en dus met vrijmoedigheid God als onze Vader aanspreken dan verklaren wij daarmee, dat wij kinderen van God zijn. En dan getuigt daarin en daarmee ook de H. Geest, dat wij dat zijn. Het is eigenlijk zo eenvoudig, dat kinderen in het verstand er bij kunnen. Waarom maken sommige voorgangers en veel volgelingen het Evangelie zo moeilijk? En waarom maken ook in onze kring velen het zich zo moeilijk? Is er meer nodig dan oprecht geloven in de Here Jezus?
En dus oprecht geloven in God de Vader en in de Heilige Geest? Wie dat leren, mogen weten wat zij doen. Het Evangelie leert ons dat "meer" niet. Laten wij maar niet wijzer zijn dan onze hoogste Profeet. Dat er veel "pater nosters" afgerateld worden, zal wel waar zijn. Daar er veel "onze Vaders" gebeden worden uit sleur en gedachtenloos, zal ook wel zo zijn.
Maar daarom hoeven oprechte bidders nog niet in angst te leven en tobben met de vraag: zijn wij wel kinderen Gods? De Heilige Geest wil van ons geen slaven, maar kinderen. En dat is ook de wil van onze Vader en van onze Here Jezus Christus. Laat u dat niet ontnemen. Door de duivel niet, want die liegt altijd. En laat het u ook niet afnemen door welke nog zo vrome broeder of zuster of voorganger. Het is nog altijd waar wat onze Heiland heeft gezegd: "Mijn juk is zacht en mijn last is licht".
Vaak heb ik gemerkt, dat velen, ook van de gereformeerde gezindte, veel "moeilijker" denken en spreken over het werk van de Heilige Geest, dande Schrift het ons leert. Het is alsof de Hei1ige Geest veel minder bereid is om ons van de ondergang te redden dan de Vader en de Zoon. In brede kring wordt het zó voorgesteld, alsof het een “dubbeltje op z'n kant" is of de Geest ons zijn gemeenschap wil schenken. Men zal dit wel goed bedoelen, maar ze doen toch onrecht aan de bereidheid van de Geest om ons te troosten, te regeren en te leiden tot het eeuwige leven.
Laten we maar eens horen wat de Heiland van de H. Geest heeft gezegd.
In Lukas 11 : 9-13 luidt het woord van de Here: "Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult 'vinden; klopt en u zal open gedaan worden.
Want een ieder die bidt, ontvangt en wie zoekt vindt en wie klopt, die zal opengedaan worden. Is er soms een vader onder u, die als zijn zoon hem om een vis vraagt, hem voor een vis een slang zal geven? Of als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen zal geven? Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?"
God geeft geen "stenen voor brood". Een oosters brood leek wel wat op een steen. En een vis b.v. een paling, was gemakkelijk te houden voor een slang. En een schorpioen, met z'n schild, was wei enigszins gelijk aan een ei. Vaders geven, ook al zijn het dieven, toch goede gaven aan hun kinderen? Zou God, onze hemelse Vader dan minder of slechter zijn dan de aardse vaders? Als we daar even over nadenken, dan vinden we het toch een belediging voor onze barmhartige en genadige Vader in de hemel, dat wij van Hem minder verwachten, dan van onze vaders, die van nature boos en slechts zijn?
Gelooft maar vrij en frank, dat God, de Vader de Geest en daarmee alle goede gaven wil geven, die wij nodig hebben. En dat de Geest willig en bereid is u te troosten en te leiden op goede wegen. De Heilige Geest is uitgestort eens voor al op de eerste Pinksterdag. Maar wij mogen God en zijn Geest dagelijks bidden om de leiding en vertroosting - en ook de vermaning - die wij elke dag weer nodi-g hebben. Hij doet wat Hij beloofd heeft.
Nu kunnen wij daar weer een kwestie van maken. Om over te twisten.
Hoe kan dat nu: De Geest leert ons bidden. En wij moeten bidden om de Geest. Ra, ra, hoe zit dat nu? Dat is een kwestie van dezelfde soort als wij telkens ontmoeten: God geeft het geloof en wij hebben te geloven.
Het is de HERE, die bekering geeft en wij hebben ons te bekeren. Gód werkt en wij werken.
Laten wij daar geen probleem van maken. Laten wij maar doen wat de HERE ons beveelt. En ons geen zorgen maken over wat God doen moet of liever: wat Hij doet. Aan de Geest zal het niet liggen als wij "dor en mat zijn als een dor en dorstig land". Laat ons maar véél vragen van God en zijn Geest. Hij wil geven mild en overvloedig. Zo is God en zo is ook: Zijn Geest.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief