Het hoeft niet allemaal zo moeilijk
1979-11-02
Op mijn bureau liggen op het ogenblik twee bundeltjes gedichten van Geert Boogaard, uitgegeven bij Callenbach in Nijkerk. De titels zijn: "En toch", en: "Wanneer ik bid". Ik vermoed dat veel lezers van Opbouw deze gedichten met genoegen zullen lezen. Ze zijn niet "moeilijk" door hun taalgebruik, maar ze zijn tegelijk niet zó eenvoudig dat men het woord "simpel" liever zou gebruiken.- Jaargang 23
- nummer 41
De bundel "En toch" bevat een aantal gedichten waarvan de eerste gaan over kleine, schijnbaar onbelangrijke belevenissen in de kinderjaren; dan komt de puberteit en vervolgens de volwassenheid.
Ik heb er eigenlijk weinig behoefte aan commentaar te geven: het zijn eenvoudige, zuivere, gedichten met een inhoud die de lezer, als ze tenminste góed geleren worden, een hele tijd bezig kan houden! Goede literatuur confronteert de lezer met zichzelf. Misschien herkent u ook iets in het volgende gedicht.
Impasse
Toen de dagen van
mijn kindergebed
voorgoed waren
voorbijgegaan
is er lang
gezwegen.
Niet dat God
niet sprak,
maar van mijn kant
was er geen
antwoord.
Jaren later
werd ik genodigd
voor een bidstond
en ook ik kreeg
een beurt
Onmiddellijk
verrees ik
en bad
en het liep
geweldig
als een paard in
een wedstrijd
en ik won.
God vergeve mij
mijn gebeden.
Ook de bewogenheid met de lijdende medemens klinkt door, met name in de latere gedichten.
Toen ik ze las, dacht ik: Hij heeft gelijk, wat maken wij met elkaar van het grote gebod? Natuurlijk, ik heb vaak genoeg gehoord over de "gevaren van de moderne theologie" en soms is er zelfs wat smalend gesproken over die "medemenselijkheid". Maar met Geert Boogaard denk ik: En toch!
En wie er niet zo best meer tegen kan, misschien wel doordat hij moet lijden in de kerk, mag het volgende gedicht lezen. Ik hoop op Geert Boogaard terug te komen. Juist omdat er zo weinig goede christelijke literatuur is, mogen we zijn werk dés te meer waarderen.
Wat maakt het uit
Wat maakt het uit
of je sterven kunt
of niet;
in dat christendom van ons
moet je altijd
wat kunnen:
flink zijn en
niet klagen,
ook en vooral
geduldig zijn,
dan staat er later in de krant
dat je heenging
na een langdurig
doch geduldig gedragen
lijden;
in stilte verbinden ze
je zaligheid
daarmee.
Let liever op Jezus,
een mens
in doodsangst,
onbeschrijfelijk
bedroefd,
en daarom
klagend,
vragend of de beker
aan Hem mocht
voorbijgaan,
alleen
en alleruiterst
benauwd,
geen man meer,
een worm.