Voor-echtelijk samenleven (2)
1979-11-09
Over maatschappelijke verantwoordelijkheid, waar ik de vorige week mee eindigde, moet ik nog iets kwijt. Ik wekte namelijk de indruk alsof 't daaraan alleen bij de jongeren schortte. Maar ik moet hier ook iets scherps zeggen naar de kant van de ouderen, laten we zeggen de bejaardenhuis-generatie.- Jaargang 23
- nummer 42
Door hen wordt ter zake van het huwelijk ook een slecht voorbeeld gegeven, omdat ook bij hen gemakkelijker gehokt dan gehuwd wordt.
Vergoelijkend zegt men dan wel: "och, Iaat die ouwtjes; zij hebben hun tijd gehad en de last van de verantwoordelijkheid gedragen."
Maar ik geloof dat we hun geen slechter dienst kunnen bewijzen dan zo. Ze worden toch al zo weggedrukt in de onbenulligheid. Wij versterken dat nog door onze meewarigheid.
Ik meen dat een beroep op hun verantwoordelijkheid hun goed zal doen. Zelf klagen zij er niet ten onrechte over dat de maatschappij hen van hun waardigheid berooft.
Maar laten zij oppassen dat ze daar niet zelf aan meedoen door onverantwoordelijk gedrag. "De eer der kinderen zijn hun ouders", zegt Salomo (Spr. 17: 6). Dat is vandaag nog zo, al ligt het er niet dik (meer?) op. Ik kan mij voorstellen dat ouderen, vanwege de overmatige kritiek op vroeger door de jongere generatie, zich teleurgesteld en gekwetst terugtrekken uit de samenleving en de buitendeur achter zich dicht doen: "ze zoeken het zelf maar uit." Toch blijft door alle kritiek heen recht overeind staan, dat de jongeren veel van de ouderen en ook van de oudsten verwachten, met name waardigheid en verantwoordelijkheidsbesef. Wanneer ouderen hierin beginnen te verzuimen, richten zij meer schade aan dan zij denken.
Maar misschien maken wij het de ouderen dáárom wel zo moeilijk om hun verantwoordelijkheid na te komen omdat wij hen met een overmaat van verzorging omringen.
Voor het volwaardig meedoen in de maatschappij is niets zo fnuikend als het alleen maar voorwerp van zorg zijn. Laten wij de ouderen eren door hen wat meer om raad te vragen en een beroep te doen op hun gerijpte ervaring. Dat zal hun verantwoordelijkheid "voor de samenleving en haar noden"
(hervormd huwelijksformulier) stimuleren.
Dan zullen zij zich ook ten aanzien van het huwelijk maatschappelijker gaan gedragen, in plaats van
de huwelijksvorm in te ruilen voor de schotel linzenmoes
van het financiële voordeel dat aan hokken verbonden is.
Het psychologische aspect
Maar niet alleen de overheid en de samenleving ondervinden nadeel door het hokken, ook de mensen zelf lijden er schade door aan hun ziel. Als bet waar is dat het voorechtelijk samenleven gemakkelijker wordt opgebroken dan het huwelijk (en dat is nog steeds waar), dan stel ik dat het hokken veie stille slachtoffers maakt: mensen, meisjes vooral, die zich zonder vorm van proces geruisloos aan de kant geschoven en afgedankt voelen, nadat ze eerst gebruikt en vaak ook financiëel-geëxploiteerd zijn. Vooral immers de sexuele intimiteit is een zo teer gegeven en een zo rechtstreeks de eer van de mens rakende aangelegenheid, dat men zich schromelijk vergist, als men meent, dat men daarmee in een kennismakingsfase of in een probeer-verhouding kan experimenteren.
Men ziet er dan aan voorbij dat men door de sexuele gemeenschap één Vlees met iemand wordt, zoals in den beginne gezegd is (Gen. 2 : 24).
Wanneer je dit vandaag in een gesprek over deze dingen in het midden brengt, kun je te horen krijgen dat je romantiseert. Het is allemaal niet zo verheven, zegt men levenswijs. Toch is dit een typische drogreden, die we moeten doorzien.
Men heeft er een plat belang bij, de sexuele gemeenschap te vervlakken.
Want inderdaad, het is ook onmogelijk om enerzijds de overgang van de ene partner naar de andere te vergemakkelijken (hetgeen het hokken doet, bewust of onbewust) en anderzijds het éénvlees-worden in z'n diepgaandheld en verstrekkendheid vast te houden.
De "winst" in de breedte moet uit de diepte komen.
En zo worden we breed en ruimdenkend in het minnen. Van mensen, jongens en meisjes, die door de partner met wie zij samenleefden, bedrogen werden, verlangen wij dat ze daar niet al te veel misbaar over maken, ja, dat ze dat sportief opvatten, Wij prijzen hen, als ze 't, verlaten en wel, opbrengen, nog iets goeds over hem of haar te zeggen en hem of haar tegenover derden te verdedigen. Elke uiting van verontwaardiging of haat wordt voor onvolwassen gehouden.
Maar m.i., is dit óf onecht óf, als 't wèl echt is, wordt het begeleid door een zware slagschaduw: het groeiend onvermogen in onze samenleving tot natuurlijke liefde.
Waar niet gehaat wordt, wordt ook niet bemind. Waar geen verontwaardiging is, daar is ook geen waarde die op het spel staat. Fletsheid en ondiepte gaan de relaties kenmerken.
Wanneer wij het één-vlees-worden in z'n bijbelse diepte als romantiek aan de kant schuiven, dan zullen wij gestraft worden met cynisme op 't gebied van het minnen.
Het cynisme waar Paulus op botste in de gemeente van Corinthe. Men veroorloofde zich daar allerlei sexuele vrijheden en het argument ervoor was: het voedsel is voor de maag en de maag voor het voedsel (1 Cor. 6: 13). Met deze vergelijking trokken zij de sexuele omgang in de consumptieve sfeer: je neemt een vrouw zoals je een croquet trekt uit de muur. Dat is cynisch.
Nu zeg tik niet, dat het hokken zo cynisch móet zijn, want er is veel hokken-te-goeder-trouw. Maar ik zeg wel dat het huwelijk, door zijn publieke belofte van duurzame trouw, een beschermend instituut is, waarbinnen de sexuele intimiteitals het één-vlees-worden in z'n volle strekking kan gedijen. Dat wil zeggen dat de partners zonder remmend wantrouwen ten opzichte van elkaar en zonder de belastende ervaring van andere sexuele 'avonturen zich daaraan kunnen overgeven.
Elke verzwakking van het huwelijk baant de weg naar het cynisme en naar het uiteindelijke onvermogen tot het aangaan van een echte liefdesband. "Wie vrijt dat het slijt, die kust zonder lust", zei Cats.
Ik ben ook bang, en zie dat ook eigenlijk voor mijn ogen, dat voorechtelijk samenleven gemakkelijk wordt gevolgd door buiten-echtelijke vrijheden. De vervaging van de grens van het huwelijk in het tijdelijke wordt dan doorgetrokken naar het ruimtelijke. Ik zou eigenlijk niet weten hoe zo'n ontwikkeling tegengehouden zou kunnen worden. Men kan die konsekwentie wel verontwaardigd afwijzen en dat voor zijn eigen geval ook waarmaken.
Maar het zwakke punt is, dat men begonnen is het huwelijk te vervangen door een relatie zonder enige sociale controle. Dat verraadt een instelling. Zal deze instelling verdwenen zijn, wanneer men later toch om de een of andere reden trouwt? Zal men die controle dan wèl toestaan? Of blijft ook dan nog alles privaat?
Maar we weten hoe een manvrouw-relatie concreet in elkaar kan zitten. Hoe er bijvoorbeeld sprake kan zijn vaneen groot overwicht van de ene partner over de andere. En hoe dat overwicht mis bruikt kan worden, doordat de ene partij bij de andere rechten afdwingt die hem of haar uit een oogpunt van trouw niet toekomen.
Of dat de een ziet dat de ander zich te grote vrijheden veroorlooft en daar niets anders tegen weet te doen dan zelf daaraan het recht te ontlenen om vreemd te gaan, zodat de verhouding in een kwalijke ruilhandel ontaardt. Waar is bij hokken eigenlijk de instantie die er toezicht op houdt, dat man en vrouw, in relatie levende, 'elkaar in persoonsrechten niet te kort doen?
Ik weet wel, dat deze vraag ook ten aanzien van veel huwelijken te stellen is, omdat ze gesloten worden in een zelfde afweerhouding naar de kant van de samenleving toe: afblijven! Privé! Het is nu eenmaal zo dat wij het hokken tegenkomen als alternatief voor een veelszins vermolmd huwelijksinstituut en dat daardoor de vergelijking tussen die beide nadelig voor het huwelijk kan uitvallen. Als wij daarom het hokken toch afwijzen, zullen we tegelijk moeten gaan werken aan een herstel van de huwelijksvorm teneinde de privatisering ervan tegen te gaan. Bijvoorbeeld het feit dat er bij een huwelijkssluiting getuigen nodig zijn, zou weer met z'n oorspronkelijke zin gevuld kunnen worden. Dat dus huwenden omzien naar enkele betrouwbare personen, die zich mede verantwoordelijk weten voor en meeleven met het huwelijk om op tijd met raad en hulp beschikbaar te zijn en ook in te springen als er iets mis dreigt te gaan. De meer officiële publieke instanties als overheid en kerk komen immers meestal te laat. Zij zijn te log en te ver voor een optreden op tijd ter voorkoming van rampen. Maar de getuigen zouden de samenleving en het belang dat zij heeft bij goede huwelijken kunnen vertegenwoordigen en de persoonsrechten van de gehuwden ten opzichte van elkaar kunnen behartigen op basis van een vertrouwensrelatie en in een ruimte waar geen grote klok hangt.
Het hokken dwingt ons er dus toe, de slijtage waaraan het huwelijk in de loop des tijds onderhevig is geweest, op te nemen en met het herstel een begin te maken. Opdat het huwelijk weer mag zijn zoals het bedoeld is: een publiekrechtelijk beschermende instituut, waarbinnen tot alle boosheid geneigde mensen zich restloos aan elkaar kunnen toevertrouwen.