De dichter en zijn dood (1)
1979-11-16
In een vraaggesprek dat de redakteur van de Haagse Post, Jan Brokken eens met de dichter en prozaschrijver F. C. Terborgh had, vertelde de laatste dat hij niet in het toeval geloofde.- Jaargang 23
- nummer 43
Hij had, op een moeilijk moment in z'n leven, op de witte muur van z'n slaapkamer donkere wolken gezien en daarachter het gele licht van de maan.
Twee weken later ontving hij een brief van een nicht die in Duitsland woonde. "Veertien dagen geleden", zo schreef ze, "viel een bloembak van het balkon en tegelijkertijd schoot een schilderij in de zitkamer van de wand. Dat schilderij stelde een mooi landschap voor met daarboven onweerswolken en daarachter de zon."
"Kan dat", zo vroeg Terborgh, "toeval zijn?"
Toen ik dat las moest ik denken aan vrienden die eens vertelden over telepathische belevenissen. Zij noemden voorbeelden waarvan ik de waarheid niet in twijfel kon trekken.
Maar ook, en vooral, moest ik denken aan de dichter Hendrik Marsman, die in de nacht van de 20ste op de 21ste juni 1940 verdronk. Hij was op de vlucht voor de duitsers vanuit Bordeaux naar Engeland. De boot waarmee hij de overtocht begon, werd getroffen door een torpedo en zonk. Zijn vrouw, die het ruim waarin zij lagen even had verlaten, was de enige die werd gered.
Welnu. Marsman schreef ongeveer vijftien jaar vóór dit gebeurde, het volgende gedicht:
De Overtocht
De eenzame zwarte boot
vaart in het holst van de nacht
door een duisternis, woest en groot,
den dood, den dood tegemoet.
ik lig diep in het kreunende ruim,
koud en beangst en alleen
en ik ween om het heldere land,
dat achter den einder verdween
en ik ween om het duistere land,
dat flauw aan den einder verscheen.
die door liefde getroffen is
en door het bloed overmand
die ervoer nog het donkerste niet,
diens leven verging niet voorgoed;
want de uiterste nederlaag
lijdt het hart in den strijd met den dood.
O! de tocht naar het eeuwige land
door een duisternis somber en groot
in de nooit aflatende angst
dat de dood het einde niet is.
Is het niet om stil van te worden? Vijftien jaar vóór zijn dood heeft de dichter de wijze waarop hij zijn leven beëindigen zou, al voorzegd.
Geen wonder dat mensen die beslist geloven in telepathische krachten, hierin een duidelijk bewijs voor de juistheid van hun mening zien. Hoe kan iemand, die dit gedicht gelezen heeft, nu nog zeggen dat geen mens iets over zijn toekomst weet?
Toeval? Onzin.
Nu ja, toeval daar gelooft een christen niet in. Maar te zeggen dat uit deze, inderdaad wonderlijke samenloop, konklusies mogen worden getrokken ten aanzien van helderziendheid, gaat mij toch te ver.
Dat ga ik proberen uit te leggen, en daarom eerst iets over het leven van de dichter vertellen.
Hij is geboren en opgegroeid in Zeist. Zijn vader werkte als filiaalhouder in een boekhandel. Hij was van huis uit gereformeerd, maar liet daar weinig van blijken. Van een vriendin van de dichter hoorde ik eens dat hij nogal vloekte. Zijn vrouw, de moeder van Hennie, zoals de dichter werd genoemd, was hervormd en de kinderen werden in haar lijn opgevoed.
Zij gingen op school bij de Hernhutter Broedergemeente in Zeist.
Hennie had een zwakke gezondheid. Hij leed aan astma waardoor hij vaak aan bed gebonden was. Ook bepaalde het mede zijn levensweg.
Zo had hij graag de zeevaartschool doorlopen, maar werd daarvoor afgekeurd.
In 1918 is hij een tijdlang ernstig ziek. Een longontsteking dwingt hem maanden het bed te houden.
In die tijd had hij zijn eerste gedichten al geschreven.
Het jaar 1923 was, wat de gezondheid betreft, ook een heel moeilijke periode. Daarbij had hij een ernstige geestelijke inzinking.
Hij studeerde in die tijd al aan de universiteit, te weten, rechten. In 1928 doet hij doktoraal examen en vestigt zich, na zijn trouwen, als advokaat in Utrecht.
Dat beroep geeft hij in 1933 op en gaat met z'n vrouw naar Frankrijk, later naar Spanje en tenslotte naar Italië.
Zijn zwakke gezondheid dwingt hem in 1935 terug te keren naar Holland.
Later, als hij wat beter is trekt hij naar het zuiden van Frankrijk en gaat daar, samen met zijn vrouw, in een soort hut wonen.
Als in 1940 de duitsers Frankrijk aanvallen vlucht hij en komt zoals reeds verteld, op zee om.
Dit is, in grote trekken zijn levensweg. Volgende week hoop ik in te gaan op de gedachten over zijn helderziendheid.