Het C.D.A. en de economische orde (2)

1979-11-23
  • Jaargang 23
  • nummer 44
3. De taken en bevoegdheden van het micro-, het mezo- en het macro-niveau

Het grondmotief voor het optreden van de Overheid is volgens het C.D.A. het voor haar deel creëren en beschermen van de publieke voorwaarden die mensen voor het kunnen vervullen van hun roeping nodig hebben.
Dit bevorderen van de publieke gerechtigheid valt volgens het C.D.A. uiteen in twee velden van overheidszorg (blz. 92): 1) het respecteren van de vrijheid die mensen en organisaties nodig hebben om tot verantwoordelijkheid te kunnen komen; 2) het nastreven van zekere materiële bestaansvoorwaarden die evenzeer nodig zijn voor het kunnen toekomen van mensen aan hun bestemming.
Zij doelt hier tevens op de voorziening in de collectieve goederen of diensten, die evenzeer voor het voortbestaan van mensen essentieel zijn.

Deze benadering houdt in dat de bedrijfsgenoten in de onderneming en de sociale partners op mezo- en macro-niveau een eigen verantwoordelijkheid hebben op basis waarvan men eigen doeleinden kan stellen (blz.
94). Middels de sociale voorzieningen van de verzorgingsstaat dienen de burgers door de Overheid beschermd te worden tegen de grote conjunctuurschommelingen, tegen al te grote wisselvalligheden die de vrije markteconomie veroorzaakt.
Hoever de Overheid hierbij zal gaan hangt volgens het rapport af van de actuele maatschappelijke omstandigheden (blz. 93). Ineen tijd van grote sociale nood valt niet moeilijk aan te geven dat de afweging tussen de eigen verantwoordelijkheidsbeleving en de voorziening in materiële bestaansvoorwaarden ten gunste van de laatste moet uitvallen, indien de bedrijfsgenoten of de sociale partners niet uit zichzelf tot adequate voorzieningen komen.
Tot die randvoorwaarden behoort onder meer de voorziening in de materiële bestaansvoorwaarden die thans in onze samenleving noodzakelijk worden geacht. Dat geldt ook ten aanzien van het inkomensbeleid. Ook hier wil het C.D.A. dat de overheid een minimum bestaansniveau garandeert, dat voor iedereen geldt. Het denkt in dit verband aan vormen van negatieve inkomstenbelasting (blz. 97).
De overheid beschikt niet over de instrumenten voor het kunnen garanderen van een volledige werkgelegenheid, aldus (terecht) het rapport (blz. 98). De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de sociale partners op het mezo- en het macro-niveau (blz. 99). Het werkgelegenheidsvraagstuk gaat volgens het rapport voor een belangrijk deel het ondernemingsniveau te boven. Het effect van vele beslissingen gaat immers de reikwijdte van de afzonderlijke ondernemingen te boven. Dit naar een hoger niveau brengen van de beslissingen is, volgens het rapport, geen inbreuk op het C.D.A.-verantwoordelijkheidsmodel; een echt verantwoordelijke besluitvorming, die weet wil hebben van de reikwijdte-aspecten, die de oriëntaties rentmeesterschap en solidariteit met zich meebrengen, vereist op een aantal belangrijke punten besluitvorming van een hoger niveau (blz. 102).

a) De verantwoordelijkheden op het micro-niveau

Binnen de ondernemingen valt op tal van terreinen het zwaartepunt van de besluitvorming over sociaal-economische aangelegenheden (blz. 32).
De bevoegdheid tot het beslissen over de produktie, over de investeringen wil het C.D.A. in de onderneming laten (blz. 103).
De vrije marktwerking op het terrein van de grondstoffen roept enige zeer ongewenste effecten op, aldus het rapport (blz. 112). Ten aanzien van het milieu-, het grondstoffen- en het energievraagstuk geldt, volgens het rapport (blz. 113), dat de onderneming zich gebonden zal moeten weten aan randvoorwaarden die de Overheid op deze terreinen stelt.
Inzake het probleemveld technologie en arbeid stelt het rapport (blz. 113 t/m 115), dat dit probleemveld het beste op het micro-niveau, in de onderneming dus, kan worden behandeld. Het verwezenlijken van de werkgelegenheidsdoelstelling krijgt volgens het C.D.A. meer kans van slagen als een arbeidsplaatsenbeleid wordt gekoppeld aan eenzelfde beleid met betrekking tot een inkomens- en vermogensdelingsregeling. Ook inzake het vraagstuk van de inkomensverdeling wil het C.D.A., dat de inkomens meer dan thans het geval is, binnen de ondernemingen moet kunnen worden bepaald. Op dit niveau kunnen de inkomens volgens het rapport het beste worden afgewogen tegen de te realiseren produktie, de produktiviteit, de in te schalen techniek, de arbeidstijden, etc. Het kan binnen de onderneming een heel reële keuze zijn om nieuwe technologie ook te richten op humanisering van arbeidsomstandigheden, waarbij de bedrijfsgenoten akkoord gaan met een wellicht geringere produktiviteit van de nieuwe machines en dus ook geringere mogelijkheden tot inkomensstijging (blz. 114). Per onderneming wil het C.D.A. dus de inkomens bepaald zien, maar uit overwegingen van solidariteit wil het ook dat de onderneming met andere ondernemingen tot enige onderlinge afstemming moet komen (blz. 116). Een bedrijfstak-C.A.O. als globaal kader en als minimum-richtsnoer kan volgens het rapport zeer wel functioneren ter ondersteuning van een verantwoorde zelfstandige beleidsruimte per onderneming.
Volgens het rapport (blz. 117) kunnen voorts al te grote verschillen in produktiviteitsontwikkelingen tussen ondernemingen het gerechtvaardigd maken om verschuivingen in de heffingsgrondslag voor belastingen en sociale premies te overwegen, van arbeid naar bijvoorbeeld toegevoegde waarde van ondernemingen. Op deze wijze wil het C.D.A. al te grote individuele inkomensverschillen tegengaan en binnen aanvaardbare verhoudingen brengen.

Het C.D.A. wil de interne struktuur van de ondernemingen bij dit alles betrekken en de beslissingsbevoegdheden in de onderneming leggen in handen van de gezamenlijke bedrijfsgenoten. Het rapport doet enkele voorstellen tot wijziging van de zeggenschapsverhoudingen binnen de onderneming.

b) De verantwoordelijkheden op het mezo-niveau

Het mezo-niveau van de bedrijfstakken is tot nu toe veronachtzaamd (blz. 118). Het is in zeer geringe mate ontwikkeld. En juist op dit niveau kunnen volgens het C.D.A. heel goed een aantal besluiten worden genomen, die het micro-niveau van de afzonderlijke ondernemingen te boven gaat.
Het C.D.A. wil niet streven naar een restauratie van de P.B.O. uit de jaren vijftig (blz. 121). Maar het wil wel een geïnstitutionaliseerd bedrijfstakoverleg van georganiseerde werknemers en werkgevers ter ondersteuning van de beleidsruimte in de afzonderlijke ondernemingen. Men wil de Overheid als waarnemer bij het bedrijfstakoverleg toelaten. Dit maakt duidelijk, aldus het rapport (blz. 121), dat het C.D.A-streven naar geinstitutionaliseerd bedrijfstakoverleg geen corporatisme inhoudt.

Op het bedrijfstakniveau moeren volgens het rapport de volgende vijf onderwerpen aan de orde komen (blz. 121 tlm 124):
Ten eerste: het verschaffen van informatie aan de bedrijfstakgenoten over ontwikkelingen binnen de bedrijfstak, ontwikkelingen in de buitenlandse concurrentie, ontwikkelingen met betrekking tot de afzet etc., die voor alle deelnemers in de bedrijfstak zeer belangrijk kunnen zijn, over de investeringen.
Ten tweede: het gezamenlijk verrichten van activiteiten die van algemeen ondersteunend karakter zijn binnen de bedrijfstak, doch die het draagvlak na de individuele onderneming te boven gaan, zoals research, de afstemming van de vraag naar arbeidskrachten, de scholing van arbeidskrachten, exportbevorderende activiteiten en sanering van de bedrijfstak.
Ten derde: gezamenlijke afspraken omtrent kwesties die men buiten de onderlinge concurrentie wil houden (een zekere afstemming van de inkomens, humanisering van arbeidsomstandigheden, werktijden, vakantiedagen, pensioenen, etc.).
Ten vierde: de werkgelegenheidsontwikkeling.
Ten vijfde: het bedrijfstakoverleg als invalspoort voor de overheid. De overheid heeft aldus een representatief adres tot wie zij zich kan richten als zij meent vanuit haar verantwoordelijkheden de bedrijfstakgenoten op ontwikkelingen te moeten wijzen of hen ergens toe te moeten oproepen.

c) . De verantwoordelijkheden op het macro-niveau

Op het macro-niveau gaat het enerzijds om overleg tussen de sociale partners afzonderlijk en anderzijds om (en deels in overleg met) de landelijke Overheid. De centrale werknemers- en werkgeverorganisaties moeten tezamen nagaan op welke wijze de continuïteit van onze nationale bedrijvigheid het beste kan worden gewaarborgd. Men zal ook in overleg moeten treden met (blz. 126) de Overheid over de aanpak van het milieu-, het grondstoffen- en het energiebeleid, het onderwijsbeleid, de ontwikkeling van de technologie, de internationale arbeidsverdeling en de nationale werkloosheid.
Op het macro-niveau van de sociale partners is één van de belangrijkste taken het begeleiden van de herstructurering: de verschuiving van het zwaartepunt van onze bedrijvigheid van industrie naar dienstensector (blz. 127).
Het rapport tracht tenslotte vorm te geven aan de verantwoordelijkheid van de centrale Overheid. Wij zullen ook hiervan slechts een zeer summiere behandeling geven. Men tracht ten aanzien van de vele onderwerpen de Overheidstaak aan te geven. Het is zeer de vraag, aldus het rapport (blz. 137) of particuliere ondernemingen de volle verantwoordelijkheid kunnen dragen voor een gegarandeerde leverantie van energie. De Overheid heeft volgens het C.D.A hier een bijzondere verantwoordelijkheid.
Dit gedeelte van het rapport komt er op neer, dat men daar, waar de afzonderlijke ondernemingen en het bedrijfstakoverleg tekort schieten de Overheid een taak wil geven. Ook wil men daar, waar nodig is, consumentenorganisaties in het geheel laten meespelen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief