De taal is gans het volk
1979-11-23
Onder bovenstaande titel opende Prins Claus op 27 augustus jl. een conferentie voor neerlandici. Zijn toespraak werd opgenomen in de Nederlandse Staatscourant. Na het een en ander verteld te hebben over de moeite van het leren van de nederlandse taal maakte de prins een aantal waardevolle opmerkingen over het woordgebruik.- Jaargang 23
- nummer 44
De gemiddelde woordenschat van een nederlander ligt aanzienlijk lager dan het beschikbare aantal woorden. Het vervelende daarbij is dat wel gemakkelijk buitenlandse woorden worden gebruikt óf misbruikt om onder woorden te brengen wat men wil zeggen.
In dit verband werd het volgende opgemerkt:
"Het is een gevaarlijk verschijnsel - deze verloedering -, wanneer nog altijd, naar ik aanneem, het gezegde geldt: De taal is gans het volk. Dat verarmt dan wel door willekeurige overname van woorden en begrippen uit vreemde talen ook dan, wanneer er een bruikbaar Nederlands woord is."
De taal is aan verandering onderhevig.
Er is een wisselwerking tussen taalgebruik en verandering van maatschappelijke inzichten en toestanden. Dit kan zowel verrijking als verarming van de taal tot gevolg hebben. Hier volgt nog een citaat:
"In een steeds materialistischer wordende maatschappij stelt men smalend vast, dat het maar al te vaak gebruikte gezegde' dat is zonde' steeds betrekking heeft op iets dat geld kost ...
Volgens de Calvinistische predestinatieleer kon men ook uitverkoren zijn door succes in zaken. Maar de verworvenheden van dit succes dienden dan niet als persoonlijk eigendom te worden beschouwd.
De uitverkorene wist, dat hij slechts de functie van rentmeester vervulde.
Trouwens bij de na-oorlogse zuivering van het geld en het afromen van oorlogswinsten door de Nederlandse overheid, beriep de toenmalige minister van Financiën, Prof. Lieftink, zich op dit Calvinistische beginsel van het rentmeesterschap.
Tegen deze achtergrond blijft er niet veel over van de ironie, waarmede het aangehaalde gezegde' dat is zonde… .’ vandaag wordt begeleid. Laat ik nog een ander voorbeeld, dat mij wel eens bezig houdt, aanhalen.
Het is uit een geheel andere sfeer.
Diepe stilte wordt wel eens aangeduid met' Er gaat een dominee voorbij'. Is het werkelijk slechts het plotselinge zwijgen van betrapte dronkemannen, die de preek van de dominee vrezen?
'Een zeevarende natie kende de angst gedurende en na de storm.
Het was de taak van de dominee de jobstijding van verloren gegaan leven te brengen. In geladen stilte gluurden achter de gordijnen de vrouwen. Kwam de dominee op het huis af, of trok hij voorbij?' "
Zo, dat was deze keer eens wat anders.
De moraal?
Niet te veel vreemde woorden gebruiken bij preken en schrijven!
Of helemaal niet, er zijn nederlandse woorden genoeg.
Lex Barbarorum (wrede wet)
Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.
ik heb mij langzaam recht overeind gezet.
ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar één wet: léven.
allen die wegkwijnen aan een verdriet,
verraden het en dat wil ik niet.
Zo wil hij leven. Niemand behoeft zijn zwakke gezondheid op te merken.
Bij dit alles komt ook nog zijn opvoeding. Vader en moeder staan niet naast elkaar wat hun diepste gevoelens betreft, hun houding tegenover God. Dat er over deze zaken toch wel zal zijn gesproken lijkt mij haastzeker.
Vooral omdat zijn vader later, door de z.g.n. Buchmann-beweging, toch weer bijbelser is gaan denken.
Is het vreemd dat een mens'enkind in deze omstandigheden, veel bezig is met alles wat te maken heeft met het leven, de dood en het leven na de dood?
En is het dan een wonder dat hij zijn levensreis vaak ziet als bootreis?
In tijden van grote benauwdheid ligt hij dan voor zijn gevoel in een schip dat in de storm is terecht gekomen.
Maar het is toch niet alleen maar de boot waarin hij terechtkomt als de ziekte hem in de benauwdheid jaagt. Zijn angsten zetten hem ook wel tegen de muur.
Omstreeks 1932 schrijft hij:
Vrees
Ik vraag mij af
hoe lang het nog duren zal
dat ik als een bal
heen en weer wordt geslingerd
en van vrezen verval
tot steeds dieper vreesachtigheid.
en hoe kort is de tijd,
hoe kort de tijd
dat ik als een bevende vooriaarswingerd
tegen de machtigen muur van het leven hang!
waarvoor ben ik bang?
ik ben bang voor het uur
dat de dood mijn lichaam ontbinden zal
en mijn ziel wordt gezet in het vuur.
ik ben bang dat ik staan zal tegen de muur
en dat de kogel niet missen zal.
ik ben bang, dat ik noch in den duur
noch daarna in de schaduwen van het Dal
den weg naar het hart des levens
meer vinden zal
ach, de vrezen zijn zonder tal
Dit gedicht geeft weer een heel ander beeld van het verwachtte en gevreesde einde. Vandaar ook dat ik niet geloof dat we bij deze dichter aan telepathie moeten denken.
Tenslotte, er is niet alleen vrees, er is ook wel iets anders:
Berusting
Tussen dit ogenblik en mijn dood
ligt misschien een lang leven;
ook een groot?
de hoop daarop heeft mij allengs begeven;
maar is groot of klein niet om het even
voor wie gelooft dat wij pas met den dood
gaan leven?
Tot zover. Mochten U de ideeën over zijn helderziendheid niet hebben geïnteresseerd, dan hebt U in elk geval toch kennis kunnen nemen van enkele mooie gedichten, en kennis kunnen maken met een, zeer apart, mensenkind.