Geheel Israël zalig
1983-09-02
De drie zwaarden- Jaargang 27
- nummer 32
Dat het in Israël uiteindelijk niet de rampspoeden of gerichten waren die ervoor zorgden dat er een 'rest' kwam, maar dat de Here God dat door zijn woord bewerkte, kunnen we lezen in de bekende geschiedenis van Elia's moedeloosheid na het Karmel-gebeuren. De Here zegt daar in 1Koningen 19 dat Hij zich een rest van zevenduizend zal doen overblijven die de knie voor de Ba'al niet buigt. Meestal leest men deze plaats wat geïsoleerd, alleen vanaf vs 18: "En Ik zal in Israël zevenduizend doen overblijven ... ", maar men moet de hele passage te samen nemen, vanaf vs 15. Dan komt ze in breder verband te staan.
De profeet Elia krijgt na zijn klacht over het vergeefse van zijn dienst een nieuwe opdracht. Hij moet Hazaël tot koning over Aram zalven (zoals later Kores als gezalfde des HEREN iets voor de Here God zou moeten doen, zo is dat ook met Hazaël het geval) en Jehu tot koning over Israël (want ook voor hem ligt er in onderscheiding van de andere koningen van het noordelijk rijk een bijzondere taak gereed) en Elisa tot profeet in zijn eigen plaats. Deze drie instrumenten Gods worden dan vervolgens in serie gezet: "Wie dan aan het zwaard van Hazaël ontkomt, hem zal Jehu doden; en wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, hem zal Elisa doden" (vs 17). Koning Hazaël bracht over Israël een vervaarlijk strafgericht. Daarover wordt bij zijn zalving gezegd: "Ik weet wat gij de kinderen Israëls voor kwaad zult aandoen: hun versterkte plaatsen zult gij aan het vuur prijsgeven, hun jongelingen zult gij door het zwaard doden, hun zuigelingen zult gij verbrijzelen en hun zwangere vrouwen zult gij openrijten" (2 Koningen 8: 12). Het hele overjordaanse is in die tijd voor Israël verloren gegaan (zie 2Koningen 10 : 32, 33). De ontkomenen aan het strafgericht van Hazaël echter zouden aan de acties van Jehu onderworpen worden. Want het zwaard van Hazaël trof in Israël schuldigen en onschuldigen. Hij hanteerde om zo te zeggen een botte bijl, zodat wat daarvan overbleef allerminst een gezuiverde rest was. Koning Jehu sloeg uit geestelijk oogpunt meer raak dan de heiden Hazaêl. Zijn ijver richtte zich immers tegen de dienst van Ba'al wiens vereerders hij op het feest liet ombrengen (2 Koningen 10: 18-27, vooral vs 23). Toch werkte ook Jehu nog met een onjuiste tegenstelling. Zijn verzet tegen de Ba'al cultus lijkt nationalistisch van aard te zijn geweest, gericht als het was tegen de buitenlandse invloed van Izebel. De meer nationale cultus van Jerobeam die de Here God toch ook een doorn in het oog was liet hij ongemoeid (2 Koningen 10: 29). Men kan dus ook van Jehu niet zeggen dat hij, het geëigende instrument in de hand van de Here God geweest is om een gezuiverde rest te voorschiin te brengen. Dat is voorbehouden geweest aan de dienst van de profeet Elisa: "En wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, hem zal Elisa doden" (vs 17). De 'rest' gaat dus in deze passage door een steeds fijnere zeef. Er zit iets stylistisch in de reeks van de drie zwaarden. De bedoeling is niet te zeggen dat ze precies na elkaar zouden optreden; hun orde is meer een rangorde dan een volgorde. Een procedé van verdelging in toenemende precisie is ermee aangeduid. Zoals bijvoorbeeld in Joël 1 : 4: "Wat de knager had overgelaten, heeft de sprinkhaan afgevreten; wat de sprinkhaan had overgelaten, heeft de verslinder afgevreten en wat de verslinder had overgelaten dat heeft de kaalvreter afgevreten". Dit alles nu is inleiding tot vs 18: "En (aldus) zal Ik in Israël zevenduizend doen overblijven: alle knieën die zich niet gebogen hebben voor Ba'al en elke mond die hem niet heeft gekust". Het is uiteindelijk door zijn woord dat de Here God zich een rest overlaat, al kan Hij ook: het geweld van een Hazaël of van een Jehu gebruiken als een soort voorbereidende 'genade'. Let erop dat na al dat doden het 'doen overblijven' als een totale verrassing naar voren komt. Eigenlijk zou er niets moeten overblijven bij zoveel zwaardgekletter.
Dat dat niettemin toch gebeurt, is alleen aan de genade Gods toe te schrijven. Het is ons dus niet toegestaan om te romantiseren over de 'rest' noch ook te dromen over de reinigende en zuiverende kracht van het geschiedenis- gericht. Lijden loutert niet vanzelf. Deze les over de 'rest' staat in de bijbel op de goede plaats. Ieder die zich gaat verdiepen in de boodschap van de profeten, die met de idee van de 'rest' nogal in de weer zijn geweest, komt er langs om zo te zeggen, en leert dan dat er op twee manieren over de 'rest' gesproken kan worden:
1) degenen die na een veldslag of een ramp zijn overgebleven en
2) degenen die de Here God in geestelijke zin door zijn woord doet overblijven.
In de onderhavige tekst staan beide betekenissen bij elkaar en maakt de eerste plaats voor de tweede.
Het kritische Woord
De hele Bijbelse geschiedenis door is het Woord kritisch met Israël bezig geweest om te laten zien dat niet allen die van Israël afstammen ook Israël zijn. Niet altijd kwam het daardoor tot een even duidelijke 'rest' -vorming; het was ook wel eens een meerderheid in het volk die gehoor gaf. Om deze kritische functie van het Woord te laten zien wijs ik op een verschijnsel dat we tamelijk vaak tegenkomen in de poëtische gedeelten van het Oude Testament, dat namelijk aan het begrip 'Israël' een geestelijke bepaling wordt meegegeven die meestal in het meervoud gesteld is en dus op de afzonderlijke leden van het Gods volk slaat. Ik geef daarvan nu wat voorbeelden.
Deuteronomium 32 : 36 (= Psalm 135 : 14): "Want de HERE zal recht doen aan zijn volk en zich ontfermen over zijn knechten"; Psalm 73 : 1: "Ja, waarlijk, God is goed voor Israël, voor hen die rein zijn van hart"; Psalm 105: 43: "Hij voerde zijn volk uit met blijdschap, zijn uitverkorenen met gejubel"; Jesaja 59 : 20: "Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren" (deze tekst wordt aangehaald in Romeinen 11 : 26); Daniël12 : 1: "Maar in die tijd zal uw volk ontkomen, ieder die blijkt geschreven te staan in het boek"; Psalm 22 : 24: "Gij die de HERE vreest, looft Hem, verheerlijkt Hem, gij ganse nageslacht van Jakob, en hebt ontzag voor Hem gij ganse nageslacht van Israël (alwaar 'heel Israël' parallel staat met de 'Godvrezenden’). Er zit een eigenaardige spanning in deze en dergelijke zinswendingen. De bedoeling ervan is namelijk niet dat ze twee groepen van verschillende grootte naast elkaar zetten ('het volk' groot en 'zijn uitverkorenen' kleiner), maar geheel het volk wordt via elk van zijn afzonderlijke leden aangespoord de geestelijke houding aan te nemen die bij de naam ‘Israël’ past. Dat dan de uitkomst hiervan een verschil in omvang oplevert, is helaas waar: niet allen van Israël blijken van hart te zijn. Maar dat staat niet voorop. Voorop staat dat heel Israël vermaand wordt rein van hart te zijn en de belofte krijgt dat daar ruimte voor is. Dat s de hoopvolle spanning die in deze zinswendingen zit. Toen echter de kloof tussen 'Israël' en ‘de reinen van hart' steeds dieper begon te gapen, kon de 'rest'-prediking van de profeten bij deze spreekwijze aansluiten. Een mooi voorbeeld daarvan is Joël 2: 32: " ... want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn ...en onder de ontvlodenen die de HERE roept", alwaar deze meervoudsaanduiding een typering is van de 'rest', het geestelijke Sion Jeruzalem.
Het geestelijk centrum
We blijven nog even bij die opmerkelijke zinswending, waarbij aan Israël een geestelijke typering wordt toegevoegd. Want zij komt ook nog in een andere vorm voor die de juistheid van de gegeven uitleg in het licht stelt. We hebben gezegd dat de tweede helft van dergelijke zinnen Israël oproept tot het aannemen van een geestelijke houding of tot het zoeken van een geestelijke betrekking tot God. Om nog een voorbeeld daarvan te geven, Jesaja 63: 8: "Hij zeide: zij zijn toch mijn volk, kinderen die niet trouweloos worden". Volk-des-HEREN-zijn wordt hier uitgelegd in de richting van een oprecht kindschap van God. Maar nu dan die andere vorm waarvan we een voorbeeld vinden in Habakuk 3: 3: "Gij trekt uit tot redding van uw volk, rot redding van uw gezalfde". Hier wordt het volk niet maar naar zijn geestelijke houding toegedreven, maar naar zijn geestelijke centrum vanwaar het die houding mag ontvangen: de Messias des HEREN. Hij is het tegenover wie de Israëlieten ieder persoonlijk hun standpunt moeten bepalen; op hem scheiden zich de wegen tussen Israël naar het vlees en Israël naar de Geest. In een versregel bijlvoorbeeld als die van Psalm 149: 4: "Want de HERE heeft een welbehagen in zijn volk, Hij kroont de ootmoedigen met heil", staat hij, deze knecht des HEREN, als een onzichtbaar criterium tussen beide vers helften in. En voor alle verdere voorbeelden gaat dat op. Wat God door middel van zijn ambtsdrager doet splitst het volk in een meervoud van persoonlijke beslissingen, vóór of tegen. Zoals te zien is in Psalm 94: 14, 15: "Want de HERE zal zijn volk ,niet verstoten en zijn erfdeel niet opgeven. Maar het oordeel zal een wending nemen naar zegevierend recht - en daar gaan alle oprechten van hart achteraan", Het oordeel tot zegevierend recht brengen is het werk van de Knecht des HEREN (2 Jesaja 42 : 1,3, 4 en Matth. 12: 18-21). Deze Knecht des HEREN trouwens is niet alleen in de messias-koning, maar ook in de gestalte van de hogepriester, het huis van Aäron, voor afgebeeld. En zo kunnen we dan in het psalmboek enkele malen de reeks tegenkomen: "Israël, vertrouw op de HERE .... , jullie, huis van Aäron, vertrouwt op de HERE ... , jullie, die de HERE vreest, vertrouwt op de HERE. .. "
(Psalm 115 :.9-11; 115: 12, 13; 118 : 2-4; 135: 19, 20). Zowel in Psalm 94 als in Psalm 115 zien we Gods ambtsdrager (koning of priester) instaan tussen 'Israël' en de geestelijke typeringen: 'alle oprechten van hart' en ‘jullie, die de Here vreest'. Een samengaan tenslotte van priesterdienst en koning als scheiding makend criterium binnen het volk vinden we in Psalm 149 : 2: "Israël verheuge zich in zijn Maker, laten de kinderen Sions juichen over hun koning". Hier wordt het volk naar Sion, (het inbegrip van alles wat met het heiligdom te maken heeft.) en naar de koning toegedreven en de Israëlieten naar de geest scharen zich als kinderen rondom deze geestelijke centra.
Niet het bloed alleen
Maar hebben we nu door wat er ondertussen gebeurd is? We hebben voor het volk van God een reeks aanduidingen gevonden: 'knechten', 'zij die rein van hart zijn', 'uitverkorenen,' 'wie zich in 'Jakob van overtreding bekeren' , 'ieder die blijkt geschreven te staan in het boek', 'jullie die de HERE vreest', 'de ontvlodenen die de HERE roept', 'kinderen die niet trouweloos worden', ootmoedigen', 'kinderen Sions' (en er zijn er nog meer!), en het zijn aanduidingen die stuk voor stuk geestelijk van aard zijn en een bloedsband aan vader Abraham niet noodzakelijk tot vooronderstelling hebben! Met name met de aanduiding 'zij die de HERE vrezen' is de nationale beperktheid doorbroken. Deze ontdekking is niet van ons, maar blijkt al veel eerder gedaan te zijn. De termen die zoeken naar de geestelijke kern van Israël zijn tegelijk ruimer dan Israël en voor algemeen rnenselijke toepassing vatbaar. Dat blijkt in het Nieuwe Testament waar we ze tegenkomen: de 'Godvrezenden' of de 'vereerders van God' (bijvoorbeeld in Hand. 13: 16, 26, 43 en 50), niet- Joden die zich op geestelijke gronden min of meer aangesloten hadden bij de plaatselijke synagoge. Maar ook in het Oude Testament ontmoeten wij hen reeds: "De HERE schouwt uit de hemel, Hij slaat alle mensenkinderen gade, uit zijn woonplaats ziet Hij naar alle bewoners der aarde, Hij die hun aller harten vormt, die al hun werken doorgrondt. Geen koning wordt behouden door een machtig leger, geen held wordt gered door geweldige kracht; het paard faalt ter overwinning, en doet niet ontkomen door zijn geweldige sterkte. Zie, des HEREN oog is op hen die Hem vrezen, die op zijn goedertierenheid hopen ... " (Psalm 33 : 13-18). Kunnen zij 'Israël' heten? Het is in ieder geval opmerkelijk dat aan deze wijde oekurnene van 'Godvrezenden' thematisch deze versregel voorafgaat (vers 12): "Welzalig het volk welks God de HERE is, de natie die Hij zich ten erfdeel koos", - woorden waarbij iedereen aan Israël denkt. Het is ook Israël, maar in geestelijke zin. En laat wie nog niet overtuigd is Ps. 24 : 4-6 opslaan, waar om zote zeggen de omgekeerde weg bewandeld wordt; niet: 'Israël' en vervolgens een geestelijke typering (zoals we dat eerder steeds tegenkwamen), maar: eerst enkele geestelijke typeringen, uitlopend op een verrassende constatering: "Die rein is van handen en zuiver van hart, die zijn ziel niet op valsheid richt, noch bedrieglijk zweert ...dat is het geslacht van wie naar Hem vragen; die uw aanschijn zoeken; dat is ... Jakob". Hier is de kring rond. 'Israël' - dat zijn degenen die de Here God vrezen, onverschillig of hun Abraharn's bloed door de aderen vloeit of niet. En de weg ligt nu open om terug te komen op die oudtestamentische teksten waarin dit Israël, dat wil zeggen: de gemeente bestaande uit de 'rest' van Israël plus de geroepenen uit de volken, als volk Gods van de toekomst wordt aangekondigd.