Voor-echtelijk samenleven (5)

1979-11-30
  • Jaargang 23
  • nummer 45
Al het tot dusver geschrevene over ons onderwerp nog eens nalezend, bemerk ik dat ik weinig tekstbehandeling heb gegeven. Is het naast de meer algemene gedachtengang die ik volgde (en die ik ook voor schriftuurlijk houd) niet mogelijk aan de hand van bepaalde duidelijke bijbelteksten aan te tonen dat voor-echtelijk samenleven niet juist is?
Sommigen worden vanwege zo'n vraag wat geprikkeld. Ze zijn bang dat we daardoor de bijbel aan een formeel en uiterlijk gezag helpen, als ware zij een wetboek. Daar moeten we inderdaad voor oppassen.
Toch moeten wij van de andere kant ook niet te trots zijn om naar de sprake van een enkele tekst te luisteren. Er kunnen daarbij trouwens ook enkele misverstanden uit de weg worden geruimd.

Een van de teksten die in dit verband nog wel eens ter sprake gebracht worden, is afkomstig uit de wetten van Mozes, Deutr. 22: 28, 29, "Wanneer een man een meisje ontmoet, dat nog maagd is en niet ondertrouwd, haar aangrijpt en gemeenschap met haar heeft, en zij worden betrapt - dan zal de man die bij haar gelegen heeft, aan de vader van het meisje vijftig zilverlingen geven, en zij zal hem tot vrouw zijn, omdat hij haar onteerd heeft; hij zal haar niet mogen wegzenden zolang hij leeft."
Echter, door met deze tekst aan te komen, kunnen wij jongelui erg boos maken. "Dit slaat helemaal niet op het voor-echtelijk samenleven, dit gaat over verkrachting of wou u die twee soms gelijk stellen?"
De jongelui hebben gelijk.
Iets anders is dat het voor-echtelijk samenleven soms wel degelijk in de buurt van de verkrachting komt. Het verschil tussen deze twee zit 'm natuurlijk, in 't algemeen, in de onvrijwilligheid bij verkrachting en in de wederzijdse bewilliging waarop het voor-echtelijk samenleven is gebaseerd. Maar soms is die bewilliging schijn, vooral bij de vrouwelijke partner. De druk van de ander, geholpen door de algemene opinie in een bepaalde omgeving, kan zo sterk zijn dat de bewilliging tot samenleven niet echt vrijwillig tot stand komt, maar onder de pressie van een groeps-terreur.
Angst voor verlies van populariteit in de vriendenkring, angst voor verlies ook van de partner zelf, kunnen hun geduchte rol spelen.
In dat geval zit je in de sfeer van de verkrachting.

Van de zelfstandigheid en de vrijwilligheid van de vrouw op sexueel gebied heb ik trouwens in het algemeen niet zo'n hoge dunk. De kreet 'blijf van m'n lijf' zou ik wel eens wat eerder aangeheven willen zien dan pas nadat men bont en blauw geslagen in het vrouwenhuis terecht is gekomen. Ik heb maar zo'n idee dat als je zo iets in een vroeger stadium zegt, het meer helpt. Moeten de vrouwen en meisjes niet wat moediger worden tegenover (hun) mannen?
Maar toch blijft het waar dat 't een houterig en klunzig tekstgebruik is om Deutr. 22 : 28 en 29 op het samenleven vóór het huwelijk toe te passen. Trouwens, deze zelfde tekst heeft ook wel dienst moeten doen om iets zeer ingrijpends te ijken: het zogenaamde 'gedwongen huwelijk'. Jongelui die vóór het huwelijk sexueel verkeer hadden gehad - hetgeen in de openbaarheid kwam doordat de geboorte van een kind zich aankondigde - waren verplicht nu ook te trouwen. Het stond er immers: "en zij zal hem tot vrouw zijn"? En: "hij zal haar niet mogen wegzenden, zolang zij leeft"?
Maar dit is nu toch een bijbelgebruik dat alle historische en situationele bepaaldheid van de tekst volledig uit het oog verliest, - hèt manko, dunkt me, van het fundamentalisme.

Want bij Mozes' bepaling moeten toch duidelijk twee opmerkingen gemaakt worden, In de eerste plaats: een "gebruikte" vrouw bleef in Israël 'onverkoopbaar' achter; een huwelijk met een ander zat er voor haar niet in.
Kinderzegen was dus voor haar uitgesloten en op haar oude dag viel ze in de kwetsbare kategorie van de weduwen. Haar leven was dus door dit gebeuren totaal geruïneerd, tenzij degene die haar overweldigd had haar ook huwde, en wel voor het leven. In de tweede plaats, de man die haar huwde, kon ook nog andere huwelijken aangaan, zodat die twee niet zo nauw aan elkaar geklonken hoefden te zitten als twee mensen die in een monogame cultuur met elkaar trouwen. Derhalve, wat bij Mozes een voor de vrouw humane bepaling was, kan ten onzent bij ongenuanceerde overname ontaarden in een huwelijk als levenslangestraf-voor-twee-mensen. In onze cultuur is er immers maar één geldige reden waarom twee mensen met elkaar trouwen: dat ze van elkaar houwen. Ontbreekt deze voorwaarde, dan kun Je nog wel wijzen op de verantwoordelijkheid van de een voor de ander (bijv. in geval er een kind verwacht wordt) maar een huwelijk kan niet met dwang worden opgelegd. Dat aldus tot stand gekomen huwelijken toch heel goed kunnen worden, is God dank waar. Maar dat praat die dwang niet goed.

Het gebruik van de tekst uit Deutr. 22 is dus niet zo overtuigend gebleken.
Maar we lezen in datzelfde hoofdstuk nog iets anders dat meer steekhoudend is. Ik heb nu het oog op de vss. 13-21, waar een regeling voorkomt die te lang is om hier over te schrijven. Het is ook niet nodig. Het gaat me. alleen om een gebruik, waarvan hier melding wordt gemaakt, namelijk dat de bruid na de huwelijksnacht het kleed waaraan het bewijs van haar maagdelijkheid te zien was, bij haar ouders in depot gaf om het, in geval haar man haar een proces zou aandoen, gerechtelijk te kunnen voorleggen. Ik wil het er niet over hebben of deze bepaling wel zo afdoende was. Uit de Mozaïsche wetgeving spreekt wel eens een heilige naïeviteit, gericht als zij is tot een publiek dat geacht wordt zeer geestelijk te oordelen. Nee, alleen nu dit: hier blijkt dat de sexueIe intimiteit in Israël, ook tussen 'verloofden' voor na de huwelijksdag werd bewaard.
En geldt nu deze bepaling ook nog voor ons? Niet zonder meer! Wij staan niet meer onder de wet van Mozes. Wel "gebruiken wij nog de getuigenissen, genomen uit de Wet. .. om ons leven te reguleren, in alle eerbaarheid, tot Gods eer, volgens zijn wil", - zegt art. 25 van de N.G.B. D.w.z. wij lezen zulke bepalingen om er wijs uit te worden. Om hierop nog wat dieper in te gaan: ik kan me de wanhoop van jongelui wel wat indenken die bij mij hun nood klagen: "Mijn vader jongleert met allerlei bepalingen uit het O.T. Maar het lijkt mij zo willekeurig wat hij doet: de ene bepaling geldt vandaag nog wel, de andere weer niet. En het gekke is dat als 't over bepalingen gaat die iets met de sexualiteit te maken hebben, ze allemaal voor vandaag nog gelden!" Dat moet ook wel verwarrend zijn.
Ik pleeg dan te antwoorden, dat wij mensen in het sexuele meestal erg onzeker zijn, zodat 't niet verwonderlijk is dat wij op dat gebied de bijbel afgrazen om houvast te vinden in allerlei geboden. Die vormen dan een soort looprek voor onze zwakke gang. Maar verder zeg ik dat heel Mozes' wetgeving als wetgeving niet meer van kracht is.

Uitgezonderd de tien geboden, maar die zijn dan ook met Gods eigen vinger geschreven, (Ex. 31 : 18; Deutr. 10: 4), d.w.z. uitgeheven boven tijden situatie en bedeling.
Als wet is heel Mozes' wetgeving achterhaald. Maar ze staat nog wel in de bijbel om ons wijs te maken, om ons te leren onderscheiden waarop het aan komt (Philip. 1: 10), om ons te leren beproeven wat de wil van God is, het goede, het welgevallige, het volkomene (Rom. 12: 2). Het is zo goed om tijd en gelegenheid te leren onderkennen in verband met wat God van ons vraagt. Het O.T. en de wet van Mozes zijn daarbij een goed hulpmiddel.
Er gaat dus van de bepalingen van Mozes' wet, al zijn ze dan ook als bepalingen (met de daarbij gevoegde straffen) niet meer geldig, een prediking uit. Van deze prediking worden we vooral dan zeker, als het N.T. ze opneemt en op het aangewezen spoor doorgaat. Dat is ten aanzien van het voor-echtelijk geslachtsverkeer inderdaad het geval. Hierbij denk ik aan de passage die in het vorige week gepubliceerde stuk uit 1 Thess. 4: 3-5 was aangehaald, maar ook aan de enigszins bekende uitdrukking van Paulus in 1 Cor. 7 : 9, dat 't beter is te trouwen dan van begeerte te branden. Deze opmerking heeft immers alleen maar betekenis, als ook voor Paulus vast stond dat sexueel verkeer slechts aan gehuwden was voorbehouden.
Sommigen zorgen hier wel voor een onduidelijkheid door het woord 'trouwen' wat anders dan officiëel te verstaan. Zo kun je wel' eens horen zeggen: "Wanneer je met dat meisje naar bed geweest bent, ben je eigenlijk met haar getrouwd."
Maar ik vind dat een oneigenlijk gebruik van het woord 'trouwen', al begrijp ik de bedoeling van die zin heel goed. Maar in 'trouwen' zit per se het publieke, het officiële.
Haal je dat er uit weg, dan zou Paulus' spreuk zelfs een argument kunnen gaan worden om voor-echtelijk met het samenleven te beginnen. En dat is kennelijk niet wat hij bedoelt.
Zo is dus de prediking van Oud en Nieuw Testament duidelijk tégen het voor-echtelijk samenleven gekeerd en bevestigt onze tekstbehandeling de conclusies waartoe wij in het voorgaande kwamen.
Laten ouders en opvoeders dus rustig tegen de jeugd blijven zeggen dat de Here 't zo niet wil. Laten zij niet toegeven aan de geest van verlamming die op dit gebied over zovelen lijkt gekomen te zijn.
Laten wij allen, jong en oud, blijven veohten voor een verantwoordelijk burgersohap in christelijke zin. Laten wij niet mee doen aan de ontbinding van gemenebest en samenleving.
Gek eigenlijk, wat betreft de materiële belangen van die samenleving (energie-besparing, milieu-beheer, atoom-wering) legt de na ons komende generatie een voorbeeldige zorgzaamheid aan de dag. Waarom niet gelijkelijk voor de geestelijke belangen?
Of hebben we hier met een reaktie te doen? "Jullie ouderen waren zo voor die geestelijke waarden in de weer, en wat is het geworden?
Gedeelde kerk, gedeeld Europa, ongelijk verdeelde wereld!
Laten wij 't nu eens anders proberen, minder geestelijk, meer materieel en konkreet".
Als het zo ligt, wat dan opnieuw een argument om in het bespreken van deze dingen de toon bescheiden te houden en een sfeer te scheppen waarin gesprek echt mogelijk is! Want nog eens, zijn wij niet samen ontaard?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief