stichting redt een kind

1979-11-30
  • Jaargang 23
  • nummer 45
De hulp van bijna de hele westerse wereld is op het ogenblik gericht op de bootvluchtelingen uit Vietnam en op de vluchtelingen in Cambodja en dat is goed en heel nodig. Toch moeten we oppassen, dat niet anderen, die ook in grote nood verkeren, worden vergeten.
Wij denken dan in het bijzonder aan de mensen in Oeganda. Dit land is door veel ellende heengegaan en is na de val van Amin in een erbarmelijke toestand achtergebleven. We horen daar niet zo veel over, maar het aantal kinderen dat daar hulp nodig heeft wordt op een miljoen geschat. Ons gaan deze kinderen zeer ter harte, omdat er nog banden van vroeger met dit land zijn. Sommigen van u zullen zich herinneren, dal wij daar in de jaren 1971-1974 een kindertehuis onze financiële steun hebben gegeven. De heer Kefa Sempangi had de leiding over dit tehuis en hij heeft toen ook in Nederland over dit kinderwerk verteld. Hij doet dit ook in een boek, dat kortgeleden is uitgekomen en dat als titel heeft "A Distant Grief" (Een Ver Verdriet). Hij vertelt hierin over zijn ervaringen in Oeganda tijdens de regering van generaal Amin, hoe het kindertehuis daar werd opgericht, hoe kinderen die het slachtoffer waren van dit regiem daar werden opgenomen, hoe wreed de christenen daar werden vervolgd, over zijn vlucht uit dat land vertelt hij en bovenal over de wondere wijze waarop God uit gevaarlijke situaties redt. Het hele boek is doortrokken van de gedachte dat God nabij is ook in tijden van grote nood. Maar ook hoe de een gered wordt en de ander op wrede manier wordt vermoord.
Eén hoofdstuk uit dit boek willen wij hier graag (verkort) overnemen: "Op 4 augustus 1972 stond generaal Amin voor zijn soldaten, die gestationeerd waren aan Oeganda's oostgrens en hij kondigde aan dat die Aziaten het land moesten verlaten. Hij gaf als reden op, dat God tot hem in een droom had gesproken en hem had gezegd, dat hij onmiddellijk iets moest doen om "de economische oorlog te winnen". Zij kregen 90 dagen de tijd om het land uit te gaan.
Twee dagen na dit ontstellende bericht ging ik samen met een ouderling de familie Martin Okelo opzoeken. Martin Okelo was een vooraanstaande Oegandees en een voormalig lid van het Nationale Parlement. De zondag daarvoor hadden hij en zijn familie voor de eerste keer bij ons gekerkt. Na de dienst kwamen zij naar mij toe om kennis te maken en zij zeiden diep onder de indruk te zijn van de boodschap van het Evangelie.
Zij nodigden mij uit om voor een verder gesprek bij hen thuis te komen.
De familie Okelo woonde in een groot wit herenhuis en toen wij door de prachtige tuin naar de voordeur liepen, vroeg ik mij af, of ik wel netjes genoeg gekleed was en ik probeerde te bedenken hoe ik het beste met dit gesprek kon beginnen. De deur stond half open. We klopten en gingen naar binnen.
We stonden in een rijk gemeubileerde hall en zagen dat de deur naar de zitkamer enigszins open stond. We wachtten enige minuten, maar er kwam niemand om ons welkom te heten. Ook toen we nog eens riepen bleef het stil.
Ik wendde mij tot mijn vriend, omdat ik dacht dat we naar het verkeerde huis waren gegaan en wilde hem zeggen dat we maar beter weg konden gaan. Maar op dat moment verscheen er een kleine jongen in de deuropening van de zitkamer.
Hij stond doodstil met zijn armen in de lucht geheven. Zelfs in het halfdonker van de hall herkende ik het kind als Okelo's jongste zoon. Ik ging naar hem toe, vreemd ontroerd door zijn spoorachtige verschijning. Hij begon te huilen en hij probeerde te spreken, maar zijn woorden gingen over in snikken.
Voor ik bij hem kon komen viel hij volkomen stijf op de grond neer. Ik boog me over het kind heen om hem op te tillen en keek toen wat verder in de zitkamer. Een diepe schok ging er door heel mijn lichaam. De gordijnen waren open en de zon scheen op een tapijt dat bedekt was met bloed. Gebroken tanden en ogen die uit hun kassen waren gelicht lagen verspreid over de vloer.
Zonder te denken nam ik Okelo in mijn armen en samen met mijn vriend rende ik bevend van schrik weg uit het huis.
De korte afstand naar onze parkeerplaats leek kilometers ver weg te liggen en bij ieder geluid dacht ik gedood te zullen worden. De hele rit naar huis bleef de jongen onbeweeglijk zitten met zijn armen stijf boven zijn hoofd geheven.
Thuis legde ik Okelo op een bank neer en ik staarde hulpeloos naar zijn verlamde lichaampje. Later hoorde ik dat hij de enige overlevende was uit dat gezin. Soldaten van Amin's leger waren 's avonds laat gekomen. Ze hadden zijn moeder verkracht en daarna gedood en alle andere leden van het gezin doodgemarteld.
Okelo hadden ze op de een of andere manier over het hoofd gezien.
Toen de soldaten waren weggegaan was hij onder een bed gekropen en hij had daar een nacht en een dag gelegen. Nu, opnieuw, was zijn lichaampje verstijfd en zijn geest volkomen afgesloten voor enig menselijk contact. Ik probeerde hem te troosten, maar geen woorden of gebaren bereikten hem. In uiterste wanhoop nam ik mijn bijbel en begon hardop te lezen. Hoofdstuk na hoofdstuk, las ik, over de Christus die beloofde om over het graf heen voor Zijn kinderen te zorgen, over de Verlosser die zei, dat Zijn woorden leven en geest waren. Ik dacht niet dat Gods beloften zijn dove oren konden bereiken, maar ik wist niets anders te doen. Toen ik na uren lezen nog eens opkeek van mijn bijbel, zag ik dat Okelo zijn armen naar beneden had gebracht. Hij was niet stijf meer. Er waren tranen in zijn ogen, maar ze spraken van leven en hoop. Hij wendde zijn blik van mij af, ademde diep en sloot zijn ogen. Ik nam Okelo's hand in de mijne en ik bad en dankte de HERE voor Zijn zorg. Ik beleed mijn eigen verbazing, want ik wist dat niettegenstaande mijn ongeloof het kind had gereageerd.
Okelo was genezen. Later die avond bracht ik hem naar het kindertehuis en de volgende dag was hij aan het voetballen met de andere kinderen.
Hii leerde zich aan te passen aan het leven daar.
Okelo was de eerste van vele kinderen die naar het Kijomanyi kindertehuis werden gebracht als gevolg van de brutale moorden van Amin's soldaten. In de maanden die volgden werden vele kinderen tot wezen gemaakt."
Tot zover uit dit boek. Na de val van Amin is Oeganda achtergebleven als een uitgeplunderd land, te vergelijken met ons land na de Duitse bezetting. Er is niets meer, De heer Sempangi is weer terug in Oeganda en hij heeft verschillende kinderen uit het kindertehuis teruggevonden. Ook Okelo. Dertig kinderen zijn nu weer opgenomen, een klein aantal in vergelijking met de grote massa die hulp nodig heeft. Maar voor deze dertig kinderen hebben wij toch uw hulp nodig en ook voor het huis waarin deze kinderen zijn ondergebracht. Dit moet gerepareerd worden.
Ook in India en Kenia wachten er nog kinderen op een financiële adoptie (voor f 55,- per maand).
Wij willen besluiten met een ander citaat uit het boek van de heer Sempangi, omdat dit op de hele situatie van nu van toepassing is, in Oeganda, in India, in Kennia en op zo veel plaatsen op onze aarde, waar kinderen zijn die hulp nodig hebben: "Oh HERE, waarom kan ik er maar één meenemen als er tien zijn die hulp nodig hebben? Waarom krijg ik niet de gelegenheid ze allen te redden?" Deze vraag houdt ons ook vaak bezig. Kefa kwam tot het volgende antwoord: "Wij zijn de HERE niet, wij zijn niet de baas over Zijn wijngaard.
Wij zijn alleen maar onnutte dienstknechten en dit is de taak, die de HERE voor ons heeft. Hij wil dat wij dat éne kind redden."
Het boek "A Distant Grief", geschreven door F. Kefa Sempangi, waaruit wij met toestemming van de schrijver citeerden, is uitgegeven door: Regal Books Devision, Gospel Light Publications, Glendale, California, 91209, U.S.A.
Secretariaat: Dr. Guépinlaan 23, 4032 NH Ommeren (Gld.), tel. 03443-2079, of bij geen gehoor: 03449-1659. Postgiro: 1599333 t.n.v. Stichting Redt Een Kind te Zwolle. Bank: Raiffeisenbank te Zwolle, rek.nr. 37.73.32.860.
Kledingadres: Hortensiastraat 79, Zwolle.
Dia-avonden over ons werk kunt u aanvragen bij ons secretariaat.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief