De plaats van de vrouw in de gemeente
1979-12-07
Het lijkt me goed, dat ik de gedachtenwisseling met br. v. d. Wetering over de plaats van dè vrouw in de gemeente nog even voortzet.- Jaargang 23
- nummer 46
Terecht constateert hij, dat we het over een aantal punten wel eens zijn. Daar zijn echter nog enkele, waarover we niet gelijk denken en deze zijn juist van groot belang voor ons onderwerp.
Uw dochters zullen profeteren
De discussie over de positie van de vrouw in de gemeente is niet iets speciaals van deze tijd. Van bevriende zijde kreeg ik een geschrift onder ogen, dat handelt over "Calvijn over de rol van de vrouw" van dr Wills P. DeBoer (U.S.A.).
Uit dit geschrift blijkt, dat ook ven tijde van Calvijn de positie van de vrouw in de gemeente onderwerp van discussie was. En ook de vrouwen lieten zich daarin niet onbetuigd.
Marguerite de Valois, een van de vorstelijke personen, waarmee Calvijn correspondeerde, schreef, dat vrouwen dichter bij God stonden dan mannen.
Dat komt, omdat de vrouw later dan de man geschapen is. God bracht immers zijn werken in een opgaande orde van volmaaktheid tot stand: het laatste het beste. Vandaar zou de vrouwelijke volmaaktheid die van haar Schepper het meest nabijkomen.
Hoe aardig dit ook voor het vrouwelijk geslacht is, een sterk argument voor de vrouwen lijkt me dit toch niet.
Dan was de argumentatie van Katarine Zell, vrouw van de Straatsburgse Reformator Matthew ZeIl, sterker.
In een brief aan de bisschop, die haar man excommuniceerde en die haar wees op het woord van Paulus, dat de vrouwen in de gemeente moeten zwijgen, wees zij op het woord van dezelfde apostel, dat in Christus niet langer man en vrouw is en op de profetie van Joël: "Ik zal mijn Geest uitstorten op alle vlees, en uw zonen en dochters zullen profeteren."
Naar mijn mening raakt zij hier het fundamentele punt aan wat betreft de positie van de vrouw in de gemeente. De vrouw is ten volle deelgenoot in het in Christus geschonken heil en er bestaat ten dien aanzien volkomen gelijkheid tussen man en vrouw, tussen jood en griek, heer en slaaf.
Het gaat niet aan die gelijkheid op enkele beperkte terreinen wel te erkennen, maar deze erkenning te onthouden zodra het gaat om kerkelijke zaken als eredienst en ambten.
Calvijn I
De visie van Calvijn was traditioneel. In zijn beschouwingen over de vrouw was hij typisch een kind van zijn tijd. In zijn spreken gaf hij nog al eens af op wat aanzag voor typisch vrouwelijke ondeugden. IJdelheid en wellustigheid, zo merkte hij eens op, verheffen hun afschuwelijke koppen in de overdadige bezorgdheid en begerigheid wat de kleren aangaat. = "een feil, waarvoor de vrouwen bijna altijd vatbaar zijn". (Comm. op 1 Tim. 2: 9).
Een bijzondere plaag ook vindt hij hun babbelachtigheid. Een ziekte onder de vrouwen, die bij het ouder worden nog erger wordt.
Als vrouwen niet bezig zijn in hun natuurlijk domein, het huis, rennen zij van de ene plaats naar de andere. Dat ontwikkelt slechts de ondeugden van lediggang, nieuwsgierigheid en praatzucht (Comm. op 1 Tim. 5 : 13).
In een preek over Eph. 5 : 3-5 zegt hij het volgende: "Laten wij daarom goed letten op wat Paulus hier zegt. Want vrouwen heeft men lange tijd toegestaan om buitensporig onbeschaamd te zijn. En bovendien, afgezien van het gepraat, zijn er zeer prikkelende kleren, zodat het moeilijk is om te onderscheiden of zij mannen of vrouwen zijn. Zij verschijnen in nieuwe toiletten of kleinodiën, zodat elke dag een nieuwe vermomming te zien is. Zij zijn gehuld in pauwestaart-mode, zodat de man haar niet kan passeren binnen drie voet zonder het gevoel als het ware of een molenwiek hem voorbijzwaait. Bovendien maken schunnige liedjes deel uit van hun gedrag."
Hoewel deze preek van Calvijn mij bepaald niet saai lijkt te zijn, komen deze woorden van Calvijn mij toch scherp en vernederend voor tegenover de vrouwen.
Calvijn II
Gelukkig heeft Calvijn ook betere, meer juiste dingen over vrouwen gezegd.
Belangrijker nog is, dat Calvijn erkende, dat voorschriften over de hoofdbedekking van de vrouwen het zwijgen van de vrouw voor wijziging vatbaar waren, wanneer de opvattingen over wat eerbaar is veranderden .
Calvijn drukte zich erg scherp uit over het leiding geven door vrouwen.
Het gezond verstand zegt ons, zo meent hij, dat regering door vrouwen onbetamelijk en gebrekkig is.
Calvijn had echter geen moeilijkheden met de troonbestijging van koningin Elisabeth. Hij erkent, dat de geboden van Paulus met betrekking tot de vrouwen niet altijd opgevolgd behoeven te worden. Gewoonte of onderlinge overeenstemming kunnen een andere weg wijzen.
Het spreekverbod van de vrouw behoorde volgens Calvijn tot de normale, goed gefundeerde gemeente. Er kan echter een situatie ontstaan, dat er zulk een nood is, dat de vrouw behoort te spreken.
Als de liefde onze weg leidt en orde en decorum worden gehandhaafd, dan zullen blijkbaar vrouwen in de eigen culturele omlijsting mogen onderwijzen in de kerk. Calvijn is zich bewust, dat niet alle Bijbelse geboden en verboden geldend zijn in alle tijden en in alle situaties. Culturele factoren spelen een grote rol als het aankomt op het bepalen, hoe christenen aan hun christelijk geloof uitdrukking hebben te geven in een bepaalde omgeving.
"De liefde zal zeer wel oordelen wat schadelijk is of zal stichten; en indien wij de liefde onze leidsvrouw laten zijn, zullen alle dingen wèl gaan." (Inst. IV 10.30).
Opvallend is de grote waarde, die Calvijn hechtte aan decorum en welvoegelijkheid.
Deze uitingen van Calvijn wijzen erop, dat zich ook andere mogelijkheden betreffende de plaats en de rol van. de vrouw kan voorstellen, dan die welke hij hen in zijn dagen zo consequent toewees.
Calvijn bepleit geen slaafse navolging van de instellingen der eerste christelijke kerken. Alleen maar, hij trok zelf geen consequenties uit deze gedachtenlijn.
Niet de traditie is onze norm
Naar mijn indruk is br. v. de Wetering toch wat te traditioneel ingesteld en is hij te zeer bevreesd in dit opzicht af te wijken van het spoor der vaderen. Het bewijs moet geleverd worden, dat de traditie in strijd is met Gods Woord. Kan dat bewijs niet geleverd worden, dan moet de traditie gehandhaafd worden.
Het is dan ook begrijpelijk, dat hij erover klaagt dat ook in de kerk overleveringen en tradities op de tocht staan.
Nu behoor ik niet tot hen die aantrappen tegen bestaande, traditionele strukturen. Maar als ze metterdaad verouderd zijn, mogen we ze toch wel wijzigen?
Wanneer onze psalmberijming verouderd is, is het toch verstandig een eigentijdse berijming te kiezen? Dan behoef ik toch niet eerst aan te tonen, dat die berijming met Gods Woord in strijd is?
We moeten ervoor oppassen het bestaande als normatief te zien. Op deze wijze blijven we zitten met verouderde liturgische gewoonten, gebruiken we verouderde berijmingen, belijden we ons geloof in een taal die de onze niet is en hullen onze predikanten zich in costuums, die vele modes achterlopen.
Zo maken we de kerk voor buitenstaanders moeilijk toegankelijk.
De Schrift zegt ook niet, dat we oude gewoonten en tradities niet mogen veranderen.
Ook van een zich houden aan "overleveringen" in de zin van de roomskatholieke kerk weet de Schrift niets.
Wanneer Paulus het heeft over overleveringen en tradities bedoelt hij de leer, die hij aan de gemeente heeft overgeleverd. En deze overlevering is voor alles het in Christus plaats gevonden heilsgebeuren.
Alleen deze overlevering is voor ons altijd gezaghebbend.
Vrouwelijke ambtsdragers?
Br. v. d. Wetering voert tegen het bekleden van een kerkelijk ambt door een vrouw ook aan, dat de Schrift niet spreekt van vrouwelijke ambtsdragers.
Nu lezen we ook niet in de Schrift, dat vrouwen aan het avondmaal toegelaten werden en evenmin, dat de kinderen naar de kerk gingen. Zelfs wordt de kinderdoop niet uitdrukkelijk in de Schrift genoemd.
Gewezen wordt verder door br. v. d. Wetering op Hand. 6, waarin we lezen, dat er zeven mannen-diakenen werden aangewezen.
Nu lezen we in Hand. 6 niet, dat er diakenen aangewezen werden. Er worden zeven mannen gekozen, die de apostelen terzijde moesten staan in verband met de verwaarlozing van de Grieks sprekende weduwen.
Het is niet zeker, dat dit diakenen waren. Je zou hen ook hulp-apostelen kunnen noemen. Opvallend is ook, dat een van hen Stefanus een groot prediker was, terwijl Filippus als zendeling optrad.
Wanneer later sprake is van diakenen, worden ze steeds in verband met opzieners genoemd. Het is niet onmogelijk, dat ze eerst meer als assistenten van de opzieners optraden. Het is ook niet altijd duidelijk, of er sprake is van een ambt dan wel van niet ambtelijke dienst. Dat geldt zowel voor de mannen als de vrouwen.
Het gaat echter niet om als het mannen betreft te stellen, dat het een diakenambt betreft en dit bij vrouwen plotseling te ontkennen, omdat diakenen ook niet ambtelijk werk kan betekenen.
Daar komt nog bij, dat de Schrift wel spreekt van vrouwelijke diakenen.
Daarvan is sprake in 1 Tim. 3, terwijl in 1 Tim. 5 ook nog sprake is van een weduwenambt.
Verder wordt in Rom. 16 Phoebe een diaken van de kerk (ecclesia) genoemd.
Dat zal toch wel een ambt geweest zijn.
Ik zou ook willen waarschuwen, dat we ons patroon van kerkelijke ambten niet zo maar op de christelijke kerken uit de begintijd moeten overbrengen.
Die kerken leefden echt nog niet naar de kerkenorde van Dordrecht. We lezen in het N.T. van allerlei ambten zoals apostelen, profeten, leraars, herders, evangelisten, oudsten, opzieners enz. We zien in die eerste christelijke kerken een veelheid van ambtsnamen, waarvan het niet de bedoeling kan zijn, dat wij deze zouden imiteren. We zullen in onze situatie op onze wijze naam en inhoud aan die ambten dienen te geven.
Ook de kerkdiensten waren toen geheel anders dan nu. Het "leren" b.v. was een onderlinge functie der gemeenteleden en hield ook discussie in.
De leerfunctie was ook niet aan een kerkelijk ambt gebonden.
Paulus zegt in dat verband alleen maar, dat de vrouwen aan die discussies niet moeten deelnemen. Dat is in strijd met het decorum en de zeden van die tijd. Dat zou in botsing kunnen komen met de onderdanigheid, die de gehuwde vrouw aan haar man is verschuldigd, Paulus sprak er helemaal niet over, dat vrouwen in het algemeen aan de mannen ondergeschikt zouden zijn.
De verhouding van man en vrouw in het huwelijk, waarbij de vrouw onderdanig moet zijn en de man dienend leiding moet geven kan toch geen afbreuk doen aan het feit, dat in Christus man noch vrouw is?
Mijn conclusie blijft dan ook, dat de kerk aan de vrouw, ten onrechte het ambt van diaken onthoudt.