Identiteit van de Nederlands Gereformeerde Kerken (2)

1979-12-14
  • Jaargang 23
  • nummer 47
Het kerkverband
In het voorafgaande heb ik in gesprek met ds H. de Jong er op gewezen dat onze kerken duidelijk hebben uitgesproken dat zij als gereformeerde kerken de belijdenis aanvaarden en willen handhaven bij de ambtelijke dienst.
Daarom kan gesteld worden dat de binding aan de belijdenis vervat in de drie formulieren van enigheid behoort tot de identiteit van de kerken.
Ds De Jong heeft ook over het kerkverband geschreven en een lange discussie hierover is gelukkig niet nodig, daar hij voorstander blijkt te zijn van een kerkverband, dat voor een geestelijk oordelend mens niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. Wie zou zo'n goede zaak niet begeren, want afspraken vastgelegd in een kerk-orde, naar de Schriften, zijn niet bestemd om een eigen leven te gaan leiden in heerschappij-oefening van synoden e.d., maar ondergeschikt aan de geestelijke opbouw van de gemeenten van Christus die de levende God en elkaar dienen.
Volgens ds De Jong moeten wij een verband zoeken met een speelrand, waarin ook het experiment een wettige plaats heeft.
Dit zal alleen mogelijk zijn, wanneer er duidelijke afspraken worden vastgelegd voor het kerkelijk samenleven.
Eerst wanneer de regels vaststaan, kan worden bezien welke wettige ruimte er is voor wat een experiment genoemd wordt. Daar er meer overeenstemming is dan verschil ten aanzien van het kerkverband, laat ik deze zaak nu verder rusten, te meer daar er de laatste tijd al zo veel hierover geschreven is, om te komen tot het belangrijkste dat hij aan de orde heeft gesteld.

Het Schriftgezag
Heb ik collega De Jong goed begrepen, dan hebben zijn opmerkingen over het gezag van de Schriften eerst hemzelf slapeloze nachten bezorgd. (daarna anderen) Hij vreest op één hoop met de moderne schriftaanranders te worden gegooid en voelt iets van wat in David omging toen hij de slip van Sauls mantel had afgesneden.
Wanneer een schrijver zelf blijk geeft van onrust en onzekerheid, wanneer hij een onderwerp als het
onderhavige aansnijdt, is het niet verwonderlijk wanneer er bij anderen verontrusting wordt gewekt.
Het gezag van de Heilige Schrift neemt in het leven van de kerken en van de gelovigen zo'n centrale plaats in, dat we heel voorzichtig moeten zijn wanneer we hier publiek vragen gaan stellen en ook goed dienen te overwegen waar we dit zullen doen.
Ik weet dat het in het beleid van de redactie van Opbouw past om ruimte te geven voor discussie over zaken die aan de orde zijn, zodat het blad dikwijls meer informatie dan leiding geeft en Ik ben niet gelukkig met die ontwikkeling.
De grenzen aangegeven in de ondertitel van het blad: weekblad tot opbouw van het gereformeerde leven, worden in vrije discussie nog al eens uit het oog verloren.
Zijn er vragen rondom het Schriftgezag - en wie de ontwikkeling van de bijbelwetenschap kent, zal zich daarover niet verwonderen dan moeten die ergens besproken kunnen worden, maar Opbouw lijkt me daarvoor niet de rechte plaats. Daarom heb ik wel wat aarzelingen moeten overwinnen bij het schrijven van deze artikelen.
Worden er vragen gesteld over het gezag van de Bijbel, dan verwacht je dat deze opkomen in verband met de zoëven genoemde ontwikkelingen in de bijbelwetenschap.
Onze lezers weten dat het gezag van de bijbel altijd een aangevochten zaak is geweest, maar dat in de jaren na de oorlog de schriftcritiek steeds verder in opmars is, ook in kringen waar die critiek altijd contrabande was.
De situatie is vandaag zo, dat zij die de Schriften aanvaarden als het betrouwbare Woord van God, ingegeven door. de Heilige Geest, steeds meer in een isolement komen en door anderen worden beschouwd als mensen die hun tijd niet verstaan.
In de artikelen van collega De Jong proef ik niet de geest van de moderne bijbelcritiek en dat maakt zijn artikelen zo merkwaardig en uitzonderlijk.
Uitgangspunt in zijn betoog is dat de Heilige Schrift in haar ontstaan een geschiedenis, heeft doorlopen, met daaraan verbonden de vraag in hoeverre dit haar gezag nuanceert.
Het is in onze Gereformeerde Kerken van overlang aanvaard dat de Heilige Schrift een geschiedenis heeft doorlopen. De bijbel is niet een dictaat met eeuwige waarheden, dat op een gegeven moment uit de hemel is komen vallen, maar een verzameling van boeken en geschriften op onze aarde geschreven, door mannen die door de Heilige Geest werden gedreven en geleid.
Het zg. fundamentalisme, dat geen oog heeft voor de geschiedenis van het heil en van de openbaring, verschilt van wat in de Gereformeerde Kerken is verstaan van het gezag van de Heilige Schrift, ook al zijn Schriftverklaarders, die het goddelijk gezag van de bijbel aanvaarden dikwijls op één hoop geworpen met de fundamentalisten.
We moeten ons door gebrek aan onderscheidingsvermogen bij aanhangers van- de moderne theologie niet van de wijs laten brengen.
Onze Nederlands Gereformeerde Kerken hebben in dit opzicht een erfgoed, wanneer we letten op het werk van voorgangers als S. Greijdanus, Schilder en B. Holwerda, die beslist niet hebben behoord tot mensen, die door een bepaalde vrees geleid zeggen: "Laten we maar niet al te nauwkeurig lezen, want daar komen alleen maar moeilijkheden van".
Het werk van genoemde voorgangers en anderen zouden we zelfs kunnen typeren door te zeggen dat zij de aandacht hebben gevestigd op de geschiedenis van het heil en van de openbaring.
Hun arbeid heeft weerklank gevonden in de heilshistorische prediking, die van zoveel belang is geweest in de opleving van de dertiger jaren.
Niet alleen bij de schriftverklaring, maar ook in de leer van de kerken heeft men rekening gehouden met het feit dat het Woord van God tot ons is gekomen in de weg, die de Here met Zijn volk is gegaan in de geschiedenis.
In de leer van de Heilige Schrift is onderscheid gemaakt tussen het historisch en het normatief gezag in de bijbel.
Wanneer er gesproken wordt over het historisch karakter van de Schrift en de voortgang van de Openbaring van de belofte naar de vervulling, betekent dit niet dat de Schrift een smalle rand van onzekerheid heeft, die haar gezag enigermate relativeert, zoals ds De Jong vragenderwijs oppert.
Wie de vraag zo stelt, kan direct de vraag verwachten, waar die smalle rand aan de Schrift dan wel begint.
In de hoop dat ik ds De Jong goed heb begrepen, wil ik proberen duidelijk te maken wat hier in het geding is.
Ieder, die zijn bijbel kent, weet dat de Heilige Schrift levend en onderscheiden spreekt in allerlei afwisseling van onderwerpen, waarbij niet alles van hetzelfde gewicht is.
Wanneer Paulus aan Timotheus vraagt de mantel mee te nemen, die hij in Troas had laten liggen, zijn deze woorden niet zo zwaar als wanneer hij elders zegt, dat hij besloten had niets te weten dan Jezus Christus en die gekruist.
Er zijn daarom nuanceringen aan te wijzen in de Schriften.
Een voorbeeld hiervan vinden we opnieuw bij Paulus in 1 Kor. 15, wanneer hij schrijft: Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften Hij is begraven en ten derde dage opgewekt, naar de Schriften.
Hier wijst de apostel de zaak aan waar het om gaat: het centrum in de openbaring van het heil: de dood en opstanding van Jezus Christus.
Wanneer op deze wijze het fundamentele in de boodschap is aangewezen, komt dit niet in mindering op de overige inhoud van de bijbel alsof b.V. de maagdelijke geboorte en de hemelvaart er met zo op aankomen. Paulus zegt nadrukkelijk dat dood en opstanding zijn naar de Schriften.
Jezus Christus, gestorven en opgestaan, dat is de inhoud van de Schrift.
Dit onderwijs van de apostel komt overeen met wat de Heiland zelf ons leerde, toen Hij zei: Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben en deze zijn het welke van Mij getuigen. (Joh. 5 vers 40) Wanneer we uit de Schrift zelf leren, dat er een centrale waarheid is, die vóór alle dingen wordt doorgegeven en daarmee erkennen dat niet alles in de Schrift van hetzelfde gewicht is, betekent dat niet, dat er een onbetekenende rand van onzekerheid is aan die Schrift.
Het leert ons hoe wij de Bijbel moeten lezen.
Heel de Schrift is openbaring van Gods heil en Gods weg in Jezus Christus en zal als een eenheid in Hem verstaan moeten worden.
Dit is geen eenvoudige opgave, want we lopen altijd het gevaar dat wij onze waarheden in bepaalde gedeelten uit de bijbel inlezen, zodat die delen een eigen leven gaan leiden, los van het centrum Jezus Christus.
Vooral de zg. mooie teksten, nog al eens gebruikt bij huwelijksbevestigingen, kunnen op deze wijze tot christelijke spreuken worden.
Dikwijls maken we mee, hoe links en rechts, bijbelteksten voor allerlei doeleinden gebruikt worden.
In een recht verstaan van de Schriften ontvangen de onderdelen hun licht en kracht uit het centrum, dat we door Paulus zagen aangegeven; ook vermaningen en opwekkingen moeten a.h.w. door het hart van het evangelie worden getrokken.
Het onderzoeken en lezen van de bijbel houdt daarin iets van een ontdekkingstocht.
Wat op het eerste lezen niet zo belangrijk lijkt, kan uit het centrum een nieuw licht krijgen, zoals wanneer Paulus in Galaten 3 vers 16 er de aandacht op vestigt dat de Schrift leert dat de belofte 'is gedaan aan Abraham en zijn zaad en niet aan Abraham en zijn zaden.
Het verschil tussen het enkelvoud en het meervoud heeft hier een diepe zin in Christus!
Met dit alles wil ik betogen, dat wanneer we erkennen dat er nuanceringen zijn in de Schriften, dit niet betekent dat haar gezag wordt gerelativeerd en er een rand van onzekerheid is.
Onzekerheid in ons hart bij het verstaan is heel iets anders dan onzekerheid in de Schriften. Met het verstaan van de Schrift zijn we nog maar aan het begin.
Omdat Jezus Christus, gestorven en opgewekt, de inhoud is van heel de profetie en Hij, naar een bekende uitdrukking, tot ons komt in het gewaad van de Heilige Schrift, zullen we dat gewaad in ere houden, ook al is ons niet duidelijk waarvoor diverse plooien in zijn gewaad dienen; wie weet wat de Heilige Geest nog eens uit die plooien te voorschijn haalt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief