Het gezag van de Heilige Schrift
1979-12-21
"Geen canon in de canon"- Jaargang 23
- nummer 48
In het voorafgaande heb ik willen betogen dat de erkenning van het feit dat de Heilige Schrift in' haar ontstaan een ontwikkeling heeft doorlopen, niet in mindering komt op haar gezag.
De bijbel leert ons zelf dat zijn boodschap een centrum heeft: Jezus Christus, gestorven en opgewekt naar de Schriften. ' Dit centrum fungeert niet als een maatstaf, die wij mensen gaan aanleggen om vast te stellen wat nu wel en wat nu niet tot het Woord van Gold behoort, maar klopt als het levende hart in heel de Schrift. Het is dikwijls voorgekomen, dat, wanneer de eenheid van de Schriften niet werd aanvaard en de bijbel werd beschouwd als een losse verzameling van boeken, gezocht werd naar een beheersend principe om uit te maken, wat nu precies als goddelijke boodschap verscholen in allerlei mensen-woorden kon worden beschouwd.
Men zocht dan naar een soort "canon" in de bestaande canon, zoals deze door de vroege kerk is aanvaard.
Zelfs Maarten Luther is hieraan niet ontkomen, toen hij de brief, van Jacobus uit de canon schrapte, omdat daarin niet de boodschap van de vrije genade in Christus hoorde.
We moeten er ons van bewust zijn, dat wanneer we het gezag en de eenheid van de Schriften aanvaarden, er een aantal vragen op ons af komt, die we niet kunnen ontwijken.
Er doen zich vragen voor als het gaat om de leer b.v. bij de goede werken in de brieven van Paulus en Jacobus; er zijn "tegenstrijdigheden" en moeilijkheden in de uitleg.
De voorbeelden die ds De Jong noemt spreken mij niet zo aan.
Hij citeert een woord van Prediker: "Onder duizend heb ik één mens ontdekt, maar een vrouw heb ik onder deze allen niet ontdekt".
Ik geef toe dat dit woord niet aanstonds duidelijk is, maar dit is niet zo verwonderlijk, omdat de wijsheden in dit boek hun eigen uitleg nodig hebben.
Uit het thema van Prediker: IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid, blijkt dat hij bezig is met vragen naar de zin van het leven en daarin naar de zin van het dienen van God.
Is de stelling dat alles in het leven ijdelheid is juist te noemen?
Aan het eind van het boek blijkt dat Prediker niet klaar is gekomen, want hij heeft geen sluitrede gevonden, maar hij grijpt boven zijn moeiten en vragen' uit in het slotwoord:' Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen.
Voor het rechte verstaan van de woorden van Prediker moet de inhoud daarvan door het centrum van de Schriften heen.
De Prediker moet a.h.w. met Jezus Christus sterven en opstaan en zo voegt zijn boodschap zich in het geheel van de Schrift, die ons leert dat onze arbeid niet ijdel is in de Here Jezus Christus en die in Romeinen 8 ook spreekt van het zuchten van het schepsel, dat Prediker in zijn, tijd hoorde en onder woorden bracht. Wanneer we zo de sleutel vinden, kan uit het geheel licht vallen op de dellen.
Het is niet billijk om, zoals ds De Jong doet, een wat moeilijke tekst uit het geheel te lichten en dan te concluderen tot een smalle rand van onzekerheid.
Van het voorbeeld genoemd uit de brief aan Judas "en haat ook de rok, die van het vlees bevlekt is" kan hetzelfde gezegd worden.
Ik weet evenals collo De Jong, dat dit één van de teksten is, die in een onzorgvuldig bijbelgebruik een eigen leven is gaan leiden.
We moeten daar niet aan meedoen en daarom niet spreken van een zelfstandig vermaan en daarin dan de suggestie wekken alsof in deze tekst het wat angstvallige standpunt van de zo bekende "zwakken" uit Paulus' brieven doorklinkt, zoals in het artikel gebeurt.
De kerk leeft niet bij een verzameling bijbelteksten en zelfstandige vermaningen, maar bij het éne Woord van God.
De vermaningen in de brieven ontvangen hun verklaring uit het verband en zo uit het centrum van de Schrift.
Een nieuw argument voert ds De, Tong aan, wanneer hij stelt dat hij geen moeite heeft met het voluit bijbelse karakter van een gelovige baptisten-gemeente, inclusief het omstreden punt van de kinderdoop.
Het kost mij geen moeite om Baptisten, die de Christus van de Schriften hebben aangenomen en willen buigen voor zijn woord, te erkennen als broeders en zusters in Hem, maar over het "voluit bijbelse karakter" van zo'n gemeente zou ik toch wel een aantal woorden met hen willen wisselen.
Wanneer ik ervaar op welke wijze men in deze kringen de "Schriftuurlijkheid" van de "grote doop"
aantoont met de overbekende teksten, zoals: Wie gelooft zal hebben en gedoopt zal zijn. . . krijg ik de neiging om de vraag te stellen "Hoe leest u de bijbel?".
Voor centrale waarheden uit de Schrift over Verbond en kerk, heeft men nauwelijks oog, daarom mist men het rechte zicht op de doop van de kinderen en maakt de volwassendoop tot het kenmerk van het ware.
Daarom gaat het mij veel te ver, wanneer ds De Jong in dit verband zegt: niet alles in de Schrift is nu eenmaal duidelijk en hieraan een argument ontleent voor zijn betoog over een zekere relativering van het gezag van de Schrift, omdat wij Baptisten als medechristenen aanvaarden. Het ligt toch wel wat anders, omdat hier geen sprake is van onduidelijkheid in de Schrift over Verbond en Doop, maar van dwaling bij de Baptisten.
Daarom is hier iets anders in geding.
Mensen, ook gelovige mensen, hebben allerlei moeiten om de Schriften recht te verstaan, vanwege weerstanden in het hart en de verduistering van ons verstand en dit veroorzaakt onzekerheden in het hart van de mens.
Maar onzekerheid in ons hart en in ons verstaan zullen we moeten onderscheiden van onzekerheid in de Schrift.
Wan eer we "bijbelgetrouwe" christenen uit Baptistische kringen en andere groeperingen aanvaarden als mede-gelovigen in Christus, betekent dit niet dat wij ook hun dwalingen aanvaarden, omdat nu eenmaal niet alles duidelijk is in de Schrift.
De onfeilbaarheid van het Woord van God
leder die bij zijn studie kennis maakt met de schrift-critiek in zijn uitwerking, zowel ten aanzien van de leer als van de uitleg van de bijbel, die in het overgrote 'deel van het theologische studiemateriaal overvloedig voorhanden is, zal er begrip voor hebben dat iemand die wil vasthouden aan het gezag van de heilige Schrift dikwijls voor moeilijkheden en vragen komt te staan.
Wanneer ik lees hoe ds De Jong in zijn artikelen over het voorechtelijk samenleven met de Schrift en met name met de boeken van Mozes omgaat, valt er van enige invloed van de pentateuch--critiek niets bij hem te bespeuren.
Lees ik dan nog eens over zijn moeiten met wat Paulus in 1 Kor. 9 schrijft over het dorsende rund, dan heb ik de neiging om te vragen hoe zo'n kleine oneffenheid, die hij meent te constateren, aanleiding kan geven tot een betoog overeen rand van onzekerheid aan de Schrift.
Voor alle duidelijkheid citeer ik nog eens het woord van Paulus dat moeilijkheden geeft: Want in de wet van Mozes staat geschreven: gij zult een dorsende os niet muilbanden. Bemoeit God zich soms met ossen? Of zegt Hij dit in elk geval om onzentwil".
Ds De Jong geeft eigenlijk zelf al de "oplossing" aan, wanneer hij zijn opponent de woorden in de mond legt: Je moet dit kleine onderdeeltje, dat misschien iets onduidelijks heeft, gewoon uit het geheel van Paulus' brieven verklaren.
Dan is er geen enkel probleem".
Maar hij neemt hier toch geen genoegen mee, want hij zegt dat bij de onder ons gangbare exegese niet alleen het onduidelijke uit het duidelijke wordt verklaard, maar dat daarnaast het kromme ook wel gewoon reoht gepraat wordt en noemt dit een uitvloeisel van de leer van de onfeilbaarheid van de bijbel.
Uit liefde dekt men de onvolkomenheden toe, zo serieus dat men niet eens geloofde dat ze er waren.
Het zal gehoord dit betoog niet helpen;' wanneer ik verwijs naar diverse kommentaren, of naar een publicatie van K. Schilder, waarin men met het verstaan van dit woord van Paulus nauwelijks moeite heeft.
Wel moet ik zeggen dat hier een ongelukkig voorbeeld is gekozen om aan te tonen dat het kromme wordt reoht gepraat.
Daarom laat ik het dorsende rund nu maar verder met rust om te zoeken naar de schrift-opvatting die achter deze vragen ligt.
In het artikel op pag. 276 van Opbouw lees ik de vraag: zitten we wel goed met een strak juridisch vastgestelde leer van de onfeilbaarheid van de H. Schrift, In dit verband wordt gesproken van een oneigenlijk bijbelgebruik, waarin makkelijk veroordelingen worden uitgesproken over zaken als homofilie, abortus e.d., vaak langs de weg van klakkeloze, onzorgvuldige uitleg.
In dit oneigenlijk gebruik zou de Schrift fungeren als een alles perfekt regelend wetboek en als rechter in alle geschillen.
Ds De Jong maakt het ons niet makkelijk door zoveel overhoop te halen.
We treffen in onze dagen inderdaad heel vaak een oneigenlijk bijbelgebruik aan waarin voor en tegenstanders in actuele problemen elkaar met bijbelteksten om de oren slaan en er heel oppervlakkige conclusies uit schriftplaatsen worden getrokken.
Dit oneigenlijk schriftgebruik vinden we in onze dagen niet alleen aan de rechterzijde bij de behoudenden, maar evenzeer aan de linkerzijde bij hen die zich als progressief aandienen, Een verkeerd hanteren van de Schrift, mag ons er niet van weerhouden bij het licht van de Schriften in zorgvuldige afweging een antwoord te zoeken op de vragen van de dag.
De zaak, die in dit alles in geding is, kunnen we aangeven met de vraag wat te verstaan is onder de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift.
Hier liggen allerlei misverstanden, zowel bij hen die opkomen voor de onfeilbaarheid als bij anderen, die met bezwaren komen.
In onze Nederlandse Geloofsbelijdenis lezen we in art. 7: "Wij geloven, dat deze heilige Schrifture de wil van God volkomen vervat en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven om zalig te worden daarin genoegzaam geleerd wordt."
Wanneer er gesproken wordt over de onfeilbaarheid van de Schrift, moeten we er voor waken, dat die geen eigen leven gaat leiden, maar bepaald wordt door het doel waartoe God ons Zijn Woord gegeven heeft.
Het is in strijd met dit doel: het heil en het behoud van de mensen, wanneer we een wat ds De Jong noemt juridisch vastgestelde leer van onfeilbaarheid op de Schrift zouden toepassen.
De Schrift heeft haar eigen onfeilbaarheid of betrouwbaarheid, die niet wordt afgemeten naar juridische maatstaven van mensen, maar bepaald wordt door de Heilige Geest, Die ons in alle waarheid leidt.
Wie de Schriften aanvaardt en daarbij leeft, komt niet verkeerd uit, want hij vindt daarbij de weg naar het heil in Christus, want de Schrift faalt niet. De Schrift is ons gegeven om ons de weg terug naar God door Jezus Christus te leren, daarin is zij de Waarheid .Gods.
De heilige Schrift is geen handboek voor theologen, waarin op wetenschappelijke wijze in menselijk volmaakte betogen ons een leer wordt gegeven.
De Schrift is het levende woord, daarin spreekt de Here tot zijn volk in een verstaanbare, levende taal in de werkelijkheid waarin wij staan en zij is een licht op ons pad en een lamp. voor onze voet op weg naar de volmaking van het rijk Wanneer we wetenschappelijke maatstaven gaan aanleggen zullen we wel eens op onvolkomenheden stuiten b.v. in verhandelingen van de apostel Paulus, maar die onvolkomenheden maken geen inbreuk op de volkomenheid van de Schrift in haar totaal eigen strekking.
Meermalen is de strekking of gerichtheid van de bijbel uit het oog verloren en heeft men van de bijbel een soort handboek gemaakt, Zo wordt er in de bijbel veel geschiedenis verhaald, er wordt gesproken over mensen, over dieren en planten, maar wanneer iemand de Schrift gaat hanteren als een onfeilbaar handboek voor de geschiedenis of voor de kennis van dieren en planten, dan wel voor de kennis van de mens, wordt de Schrift overvraagd, want daarvoor is zij ons niet gegeven.
De Schrift is daarom wel een tendenz-boek genoemd d.w.z. dat al wat ons wordt. verhaald ondergeschikt is aan de strekking van het boek: de boodschap van het heil en de zaligheid tot eer van God.
De Schrift spreekt over mens en wereld in verhouding tot God..
Uit het schrijven van ds De Jong krijg ik de indruk dat hij onder de onfeilbaarheid van de Schrift verstaat dat er geen enkele oneffenheid of onvolkomenheid in wat ons wordt verhaald en geleerd kan worden aangewezen.
Dit kan zijn moeite verklaren met het woord van Paulus over de dorsende os, wanneer de apostel in een levend gesprek met de gemeente uitroept: Bemoeit God zich soms met ossen. Ds De Jong meent hier een fout bij Paulus te bespeuren, want de bijbel leert duidelijk dat de dieren God ter harte gaan.
Hij vermoedt zelfs dat Paulus als stadsmens te weinig van ossen wist.
In het geheel van Paulus betoog in het betreffende schriftgedeelte stoor mij de mogelijk wat oratorische vraag van de apostel helemaal niet.
In wat ds De Jong schrijft bespeur ik een zeker perfectionisme, waarin alles recht in het gelid moet staan, wil de Schrift inderdaad onfeilbaar zijn.
De onfeilbaarheid van de Schrift is niet die van een notariële acre of een strak juridisch vastgesteld wetboek.
Het heeft de Here onze God behaagd de Schriften ons te geven door de hand van mensen, die door de Geest geleid het Woord van God ons hebben doorgegeven en de betrouwbaarheid en onfeilbaarheid daarvan zijn niet naar de maatstaven van deze wereld, maar hebben een totaal eigen aam.
We moeten in de verwarring van onze dagen ons niet van de wijs laten brengen door carricaturen, die anderen geven van wat ons belijden zegt over het gezag en de volkomenheld van de Schrift.
Komen we dan, zoals ds De Jong in zijn exegetische arbeid, in een isolement te staan, Iaat dan het woord van Paulus ons troosten: Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is! 1Kor. 2: 15.
In een slot-artikel hoop ik nog enkele opmerkingen te plaatsen en ook iets te zeggen over reacties op het schrijven van ds De Jong.