Zo was het (34)
1979-12-21
Uit m'n voorgaande verhalen is wel ongeveer duidelijk geworden, hoe ik tenslotte gemeend heb te moeten preken: Niet dogmatisch maar zo dicht mogelijk blijven bij de tekst. Niet theoretisch, maar gericht op de praktijk van het leven. Niet ingewikkeld, alleen voor "kenners"; maar zo eenvoudig mogelijk in voor iedereen begrijpelijke taal. Maar daarachter ligt een lange geschiedenis. Waarover ik nu iets wil vertellen.- Jaargang 23
- nummer 48
Men meende vroeger en mogelijk nog wel, dat een candidaat in de theologie, die door een seminarie of universiteit is afgeleverd, daar wel goed preken had geleerd. En de candidaat meende het zelf waarschijnlijk ook wel. Wat mij betreft was dat in elk geval helemaal met waar. Achteraf bekeken wist ik van geen toeten of 'blazen. Toen ik indertijd, in 1930 denk ik, een examentje aflegde voor het verkrijgen van een rijbewijs, zei de examinator na een minuut of 10: "Meneer, u zult het wel leren!" Dat kon van mij in 1928 mogelijk ook gezegd worden toen ik met de bediening van het Woord begon. Vóór die tijd~mocht ik alleen nog maar stichtelijke woorden spreken. Wat het verschil was is mij nooit recht duidelijk geworden. Maar zo heette dat.
Ik had gestudeerd aan de V.U. Naar velen meenden de beste gelegenheid.
voor opleiding tot dienaar des Woords. Daar heb ik in elk geval goed grieks en hebreeuws kunnen leren. Maar preken? Vergeet het maar. Veel theorie heb ik daar niet gehad. Er was juist een vacature van een prof, die de preekkunde ons moest bijbrengen. Maar erger was, dat wij praktisch totaal geen gelegenheid kregen om preken te leren. Eén preekvoorstel heb ik gehouden. En éénmaal heb ik kritiek moeten leveren op de "preek" van een ander. Dát was alles. Of onze leermeester zelf goed kon preken weet ik niet. Ik hoorde hem nooit. Na m'n candidaats in 1926 sprak ik elke zondag, gedurende twee jaren, een stichtelijk woord. Waren dat goede preken? Ik betwijfel het zeer.
Goede verhandelingen of opstellen misschien. Hoogstens. Stellig niet meer. Ik heb er niets van bewaard. Eén stichtelijke toespraak herinner ik mij. Ze had de dood van Simson tot onderwerp. Deze stond tussen twee zuilen. Met z'n rechterhand greep hij de ene zuil, met z'n linkerhand de andere. Met een laatste krachtsinspanning trok hij de zuilen omver en vond zo met vele slachtoffers de dood. Die houding van Simson, met berde armen uitgestrekt, was volgens mij toen, een teken van de kruisdood van de Here Jezus. Dat zal ik wel bij de een of andere verklaarder gevonden hebben. En ik was toen nog dwaas genoeg om dat over te nemen.
Gelukkig zat een kritische oom onder mijn gehoor. Die mij vermaande zulke kunsten maar nooit weet uit te halen. Waaraan ik mij gehouden heb. Dergelijke verklaringen waren toen vele. Als in een tekst sprake was van hout, dan was dat een teken van het kruis van Christus.
Als er gesproken werd van rood, dan was dat een heenwijzing naar het bloed van Christus. Bijvoorbeeld de rode draad, die uit het huis van Rachab werd gehangen. Zo kon men van alles uit een tekst halen. Alleen maar jammer, dat het er nooit in gezeten had. Vele hoorders vonden zulke kunststukken prachtig. Gedurende die twee jaren hoorde ik vrijwel geen kritiek van een hoorder. Men hád die vanzelf wel, maar sprak er niet met mij over. Jammer. Het is goed dat er in de samenkomsten gewillige hoorders zitten. Die met zachtmoedigheid het Woord van de HERE willen aannemen. Maar welwillend kritisch moeten ze wel luisteren. En die kritiek niet alleen achter de rug van de spreker spuien. Maar er met hemzèlf over spreken. Dat gebeurt nog naar mijn smaak veel te weinig. Een dominee mag zeker wel eens horen, dat men waardering heeft voor z'n preken. Maar van welwillende kritiek kan hij mogelijk wel wat leren. Het is niet zo, dat de man op de kansel het alleen weet. Er staat toch duidelijk dat ál de heiligen moeten onderzoeken wat de wil van God is. Er is niet maar één Geestelijke, die daar op de kansel staat. En wel even zeggen zal wat het Evangelie inhoudt en hoe de gelovigen moeten onderhouden alles wat de Here ons geboden heeft. Alle gelovigen hebben de Geest. Eén Leraar hebben we in de hernel. En wij, gelovigen, zijn allen broeders en zusters. Maar daarvan heb ik in de jaren van mijn rondsprekerij zeer weinig gemerkt. En dat is niet tot mijn voordeel geweest.
In 1928 werd ik dan predikant en m'n vrouwen ik betrokken de pastorie.
Voor het zover is heeft een candidaat twee classicale examens af te leggen.
In 1926 onderging ik het zogenaamde voorbereidende onderzoek.
Als tekst kreeg ik op Efeze 1: 4. Daar is sprake van het "uitverkoren zijn in of door Christus" en wel van "vóór de grondlegging der wereld".
Waarschijnlijk waren de predikanten van de classis en vooral m'n plaatselijke do niet helemaal gerust op m'n zuiverheid, met betrekking tot verkiezing en verwerping van eeuwigheid. Op de J.V. had ik al wel lastige vragen gesteld aan de leiders. Was dat eeuwige besluit niet een soort noodlot? Als afles reeds van eeuwigheid beslist was, waar bleef dan de verantwoordelijkheid van de mens? Waar stond in de Bijbel zoiets als een eeuwig-besluit van verwerping? Ik kreeg nooit een bevredigend antwoord.
En nu die tekst! Ge1ukkig is daar geen sprake van eeuwige verwerping.
Maar wat moest ik met dat "voor de ·grondlegging der wereld". Waarschijnlijk heb ik wel goed gereformeerd deze tekst behandeld, Wat moest ik ook anders? Ik wist toen ook niet, hoe het anders kon en moest. Tegenwoordigzou men zeggen: ik kende geen alternatief. In elk geval liep het onderzoek bevredigend af. Ik werd op de gemeenten losgelaten met m'n stichtelijke woorden. In Sneek heb ik in '28 het beslissende examen afgelegd. Ook met bevredigend resultaat. Het kan op een classis soms vreemd toe gaan. Voor een bepaald vak was 10 minuten uitgetrokken.
Maar de examinator wist niet al te veel. van dat vak. Hij had wat vragen op een papiertje geschreven. Wat hij verborg achter z'n grote handen. Ik schat dat hij binnen een minuut uitgevraagd was. En ik uitgeantwoord.
Toen zei hij met een effen gezicht, dat hij wel tevreden was "mijnheer de praeses" . Zo gaat dat soms.
Welke tekst ik bepreekt heb op de classis weet ik niet. M'n intreetekst was 11 Kor. 4 : 7, waar gesproken wordt over "de schat in aarden vaten".
Wat ik op de classis en bij de intree er van gemaakt heb weet ik niet.
Want ik heb geen enkele preek bewaard. Wel herinner ik mij, dat ds Dethmers van Sneek tegen mij zei: "De inhoud was wel behoorlijk goed, Jager. Maar je sprak veel te vlug en je haaide veel te veel overhoop. Je haalde veel te veel teksten aan, die toch geen mens kon onthouden. Je preek leek wat op een worst, waarin veel te veel "met" was gestopt." Of die opmerking direkt door mij is opgevolgd weet ik niet meer. Later heb ik de juistheid daarvan wel erkend.
"Men" vond een en ander wel goed denk ik. Welbespraakt was ik wel.
Een duidelijke stem had ik ook. Verstandelijk bekeken zat een preek wel aardig goed in elkaar. En daarmee zijn de meeste hoorders al lang tevreden.
We lagen elkaar wel, de Friezen en ik. Zij waren kuyperiaans opgevoed zal ik maar zeggen. Over het algemeen waren de gemeenteleden behoorlijk onderlegd. Ze hadden trouw gecatechiseerd, vrij algemeen een M.V. of J.V. bezocht. De grote Kuyper had veel met de Friezen op en zij met hem. De ouwe Bram was het einde van alle tegenspraak. En ik stond ook nog vrij sterk onder invloed van de V.U. en het onderricht dat ik daar had genoten was kuyperiaans. Men hield in m'n eerste gemeente, Hommerts en Jutrijp, van een gedégen preek, waarin men de oude klanken hoorde. Die aardig goed in elkaar zat. Zodat men na het horen kon zeggen: Zo is het precies! Waarmee men zeggen wou: Zo hebben wij het altijd gehoord. Zij waren er dus wel ongeveer mee tevreden. Maar de HERE? Dat is een andere vraag. En ik zelf? Ik denk, dat de HERE er niet best over te spreken was. En ik zelf ook met.
Ik wist eigenlijk niet hoe ik preken moest. En zo zal het heel veel jonge dominees wel gaan denk ik. Een eigen inzicht had ik niet. Ik was nog helemaal afhankelijk van m'n bronnen. Ik greep hier en daar van alles bij mekaar om een preek vol te krijgen. Aanvankelijk schreef ik 24 kantjes vol! Later kortte ik in tot 20 velletjes. Nog later werden het er 16. En uiteindelijk ben ik uitgekomen met een paar punten. Verder de tekst maar zoveel mogelijk op de voet volgen. Ik doe m'n best nog voor reden vatbaar te zijn. Maar of ik nog veel veranderen kan? Veel zal dat niet meer worden denk ik. Het is met het preken zoals het is met alle werk dun:kt mij. Iemand schreef daar eens van: "Al doende leert men. En een mens wordt nooit uitgeleerd. En als iemand meent eindelijk z'n vorm gevonden te hebben dan hoeft het met meer. Dan zegt God, dat het nu genoeg is geweest." Het blijft ook met het preekwerk een zoeken en tasten en een jagen naar de volmaaktheid. D.w.z. een jagen naar de eigen manier, waarop het moet en kan. Het is goed, dat dit streven er blijft.
Ons leven lang. Wee als iemand meent gearriveerd te zijn. Dat is niet best voor een dienaar en evenmin voor een gemeente. En als ik zeg "niet best" bedoel ik "zeer slecht". .
Weinig kritiek kreeg ik te horen. Gelukkig was er één wijze ouderling, die vrij met mij over de preken sprak. Hij had wel waardering - was zelf ook een kuyperiaan - maar spaarde mij de kritiek ook niet. Van hem heb ik wel een en ander geleerd. Verder herinner ik mij, dat ik op een huisbezoek gegronde kritiek te horen kreeg .. Van een letterkundige.
Vriend van Fedde Schürer. Ik had soms 3 bekende letterkundigen onder mijn gehoor. Nu ben ik nooit zo èrg bang uitgevallen geweest. Maar kunstenaar van het woord was en ben ik helemaal niet. Vermoedelijk hebben die litteratoren wel niet van mijn preken genoten. En dat zat me niet lekker als ik mij wel herinner ..Op het huisbezoek bij die letterkundige broeder kreeg ik goede kritiek. Niet over de vorm, maar over de inhoud van de preken. Hij vond, dat daarin diepgang ontbrak. Ik gaf wel een goede uiteenzetting van het Evangelie. Vergat ook de ellende van de mens niet. Maar toch kwam de tegenstelling van goed en kwaad niet uit de verf. Te weinig deed ik uitkomen de heiligheid en heerlijkheid van God. En de diepe verlorenheid van de gevallen mensheid. De tegenstelling van zwart en wit, ellende en heerlijkheid ontbrak al te zeer. Het "ik ellendig mens, Wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods" en het "Gode zij dank, door Jezus Christus, onze Here" kwam volgens hem te weinig uit. Dat moest ik hem wel toestemmen. Ook moest ik erkennen dat m'n preken te theoretisch waren, te louter-intellectueel. Te weinig op de praktijk gericht van het dagelijkse leven. Ik voelde wel dat daar een gebrek was. Maar al erkent men een gebrek, daarmee is de weg nog niet gevonden om dat te overwinnen, lik probeerde het wel, maar of het mij gelukt is? In m'n eerste gemeente zeker niet.
Dat kritiek mij niet gespaard werd heb ik leren waarderen als een voorrecht.
Ook had ik het geluk met een bevriende collega over de preken te kunnen praten. Elke maandagmorgen kwamen we bij mekaar, bij mij of bij hem. Natuurlijk hadden wij het over van alles en nog wat. Maar ook kwam de vraag aan de orde: waar heb jij over. gepreekt? En dan bespraken wij de inhoud. En dan kregen wij het over onze bronnen. Hij heeft mij de ogen geopend voor de fouten in het systeem van Kuyper.
Er zat een Wijsbegeerte achter, die hem verhinderd naar de Schrift te spreken. Bijvoorbeeld over de wedergeboorte. Kuyper maakte daarvan "instorting van een levenskiem" . Zo maakte Kuyper van Gods genade een soort van "ding". Ook had Kuyper een wat heidens begrip van verkiezing en verwerping .. Als een noodlot om zo te zeggen. Zo leerde m'n collega mij dicht bij de Schrift te blijven. Het is niet best als collega's weinig of niet spreken over hun preken en de manier daarvan. ' Voor m'n catechismus-preken gebruikte, ik, evenals bijna alle do's in die tijd E Voto, een verklaring van de catechismus in vier dikke boeken. Er was niet veel anders. Ik gebruikte het tot ik aan zondag 23 toekwam. Ik las daar tientallen bladzijden" over de rechtvaardigmaking van eeuwigheid en daarna over de rechtvaardigmaking in "het stellen van de Middelaar" enz, Toen kreeg ik door, dat hier iets mis was. In de Schrift is in elk geval de hoofdzaak: de rechtvaardiging door het geloof! Dat weet een kind in het verstand. Dat werd door Kuyper ook wei besproken. Natuurlijk wet. Maar dat stond niet op de voorgrond, maar werd van achteruit geplaatst. Sedert dien las ik E Voto nog wel even door. Maar m'n leiddraad was dat boek niet meer. Ik poogde ook bij behandeling van de Catechismus dicht bij de Schrift te blijven.
"Tot dusver", zoals de voorlezer in mijn jeugd altijd zei.