Reactie op de antifoon van ds Blokhuis

1983-09-02
  • Jaargang 27
  • nummer 32
Op verzoek van de redactie geef ik hier, in wat uitgebreider vorm, mijn reactie weer in de Opbouwvergadering van 7 mei jl. op het referaat van ds Blokhuis. Met grote belangstelling heb ik hem over "Israël" horen spreken. En vooral ook met dankbaarheid. Want "Israël"
mag ook onder ons niet worden doodgezwegen. Evenals ds B. heb ook ik jarenlang over de toekomstverwachting voor Israël nagedacht en de Schriften onderzocht. Maar misschien anders dan hij, begin ik op dit punt wat voorzichtiger te worden.

Er is n.l. in sommige kringen, die bijzonder geboeid zijn door de joodse wortels van het christelijk geloof, iets aan de gang, dat me met grote zorg vervult. Omdat het zo sterk doet denken aan het judaïsme, waar de apostel Paulus het zo mee te stellen gehad heeft en dat hij zo sterk bestrijdt in zijn brieven. Het lijkt tegenwoordig , soms wel, of het Jodendom meer te bieden heeft aan ons, dan wij, christenen aan de Joden. Ik denk aan hen, die per se het joodse Pesach willen vieren, met ongezuurde broden en al, en niet genoeg schijnen te hebben aan het Avondmaal, dat de Heer Jezus Christus instelde en ons naliet. Zou naast zondag 30 van de Catechismus over het onderscheid tussen het Avondmaal en de roomse Mis, ook niet een catechismusantwoord kunnen worden geschreven over de vraag naar het onderscheid tussen de joodse pesachmaaltijd en de 'Maaltijd des Heren? ik denk dat daarbij dan zou verwerkt moeten worden een ander onderscheid, n.l. dat tussen de joodse feesten vóór Christus of ná Christus. Duiken hier niet dezelfde vragen op als t.a.v. het judaïsme in de apostolische tijd? Bij een bezoek aan Nes Ammin enige jaren geleden werd ik ook al getroffen en verontrust door de wijze van benadering van de Joden door de christenen van Nes Ammin. Ik kan er best inkomen, dat we ons wel zeer bescheiden dienen op te stellen tegenover Israël. Maar ik ben bang; dat het een principiële opstelling is, als men steeds maar leren wil van de gelovige Joden en zo weinig leren wil áán.

Soms ben ik ook bang, dat in deze denkwereld het door christenen gekruisigde Israël Christus-en-die gekruisigd uit het middelpunt van het geloof verdringt. Niet dat ik in het spreken van ds B. daar iets van gemerkt heb, integendeel. Maar er rijst bij mij toch wel ernstig bezwaar tegen zijn spreken over de schuld van Israël aan de kruisiging van Christus. Het waren volgens ds B. maar sómmige Joden, die instemden met de kruisiging van Jezus. De Joden, van het platteland stonden er helemaal buiten; zelfs velen in Jeruzalem hadden er part noch deel aan. Meer dan 90% van het joodse volk had met de kruisiging van onze Heer niet direct te maken. Ik denk, dat we nooit zullen weten hoeveel koppen de menigte telde, die voor Pilatus geroepen heeft: Kruisig Hem! En die de goddelijke wraak over zichzelf en hun kinderen hebben getrotseerd vanwege het bloed van deze Rechtvaardige. Maar deze manier van denken in getallen en procenten lijkt mij nu eens typisch onjoods, en on-Bijbels ook. Ds J. H. Veefkind, door Ds B. ergens geciteerd, gaat wel heel ver in zijn uitleg van Matth. 27: 25: "En al het volk antwoordde en zeide: zijn bloed kome over ons en onze kinderen". U Vindt deze verklaring in zijn zeer lezenswaardige boekje "Hoe leest u ... ", waarin van ettelijke Schriftplaatsen een andere dan de gangbare exegese wordt geboden. Ds V. betreedt bepaald geen platgetreden paden. Maar wie hem nagaat moet hem wel goed na gaan. Zijn verklaring van de genoemde tekst uit het lijdensevangelie doet me denken aan de vraag in de opbouwvergadering, die ds B. de moeilijkste vond, die hem die dag was gesteld, deze vraag nl.: komen we eigenlijk vanuit een bepaalde visie tot exegese van de Schrift, of vanuit de exeges tot onze visie?

Maar nu de uitleg van ds V. In "al het volk" of "heel de schare" op Gabbata wil hij slechts zien de leden van het Sanhedrin, 71 man sterk, en genoeg z.i. om van "schare" en zelfs "volk" te spreken.
Op de ene bladzij van zijn boek drukt hij zich nog voorzichtig uit: bij schare moeten we in hoofdzaak aan het Sanhedrin denken, in ieder geval vormden zij het grootste deel van de schare.
Maar een bladzij verder heet het: het volk - dat is het Sanhedrin: Het gewone volk had hier part noch deel aan. De joodse leiders wilden immers juist het volk er buiten houden, bang als ze waren voor oproer onder het volk, .Welnu, aldus ds V., ze zijn er ook niet bij geweest. De zaak was al in kannen en kruiken toen de mensen in Jeruzalem wakker werden.Het komt mij toch wat gezocht voor: de ene keer is het volk het Sanhedrin, de andere keer is het volk de gewone mensen van Jeruzalem.
Wie heeft dan Lucas op het oog bij zijn verslag van het Pinksterfeest, als hij spreekt over de menigte, die te hoop liep bij de opzienbarende Pinkstertekenen? En wie worden door Petrus aangesproken als "Joden en allen die te Jeruzalem woonachtig zijt" en als "mannen van Israël"? Tegen wie verklaart Petrus zo openlijk: "GIJ hebt Jezus aan het kruis genageld en gedood" (Hand. 2 : 23)? Natuurlijk, daar zitten enige schakels in: het doodvonnis van het Sanhedrin, de fatale uitspraak van Pilatus, de kruisiging door romeinse soldaten en achter dit alles "de bepaalde raad en voorkennis van God". Maar Petrus spreekt er toch maar die hele menigte van Joden voor hem op aan! En een paar dagen later herhaalt hij in de zuilengang van Salomo deze beschuldiging, ongenuanceerd zouden wij zeggen: "GIJ hebt Jezus overgeleverd en verloochend tegenover Pilatus, en de Leidsman ten leven hebt GIJ gedood" (Hand.3 : 13-15). Het is duidelijk, dat Petrus hierbij speciaal het toneel voor Pilatus voor ogen staat. Maar hij spreekt hier niet alleen het Sanhedrin op aan, want dát gebeurt pas in het volgende hoofdstuk, als hij onder arrest is gesteld vanwege het Sanhedrin, terwijl hij het volk staat toe te spreken (Hand, 4 : 1-10) in zijn toespraak tot het volk maakt hij trouwens zelf onderscheid tussen het volk en zijn oversten, als hij zegt: "ik weet, dat gij uit onkunde gehandeld hebt, gelijk ook uw oversten". En dan laat hij opnieuw zien, dat God zo de oude heilsprofetie in vervulling deed gaan dat zijn Christus moest lijden (Hand. 3: 18, 19).

Ds B. vertelde ons, dat hij bezig is aan een studie over dat moet of moest (het griekse woordje "dei"); dat zo'n belangrijke plaats inneemt in de Bijbelse interpretatie van het kruisoffer van Christus en waar b.v. iemand als dr Wiersinga geen weg mee weet. Zou dat griekse woordje “dei" in het lijdensevangelie ook geen sleutelwoord kunnen zijn voor het vraagstuk van "Israël"?
Het is overigens heel goed te begrijpen, dat zowel jood als christen wel af wil komen van die zelfvervloeking van het volk en Gabbata, die zulke verschrikkelijke gevolgen gehad heeft in de geschiedenis. Hoe vaak hebben kerk vorsten en kerkmensen niet gemeend in gruwelijke pogroms Gods wil uit te voeren! Alsof GOD deze vervloeking uitgesproken had! En alsof de lijdende Jezus zelf aan het kruis niet gebeden heeft om de Geest, die ogen en harten opent, toen Hij bad: "Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen. Neen, in het "zijn bloed kome over ons en onze kinderen" sprak niet de stem van God, maar de stem des volks! Maar wat heeft de Kerk bitterweinig verstaan van haar roeping, om deze stem te overstemmen en tot zwijgen te brengen door de lokkende en reddende stem van Jezus bloed-der-verzoening!

Maar we moeten niet doen, alsof die stem van het volk voor Pilatus niet geklonken zou hebben. En alsof Israël zijn van God gezonden Messias niet gekruisigd zou hebben. Daar is Israël niet mee gebaat. Petrus windt er geen doekjes om. Hoezeer hij ook zelf jood is en zelfs zelf Jezus verloochend heeft. En als het volk part noch deel had aan de kruisiging van Jezus, waarom zouden ze dan zo van hun stuk geraakt zijn onder de prediking van Petrus? Petrus laat zijn Pinksterprediking nota bene uitlopen op de nog eens wéér herhaalde beschuldiging: "Deze Jezus, die GIJ gekruisigd hebt"(Hand. 2 : 36). Deze scherpe aanklacht echoot nog door de tempelhallen als uit de ontstelde menigte vóór hem de kreet opklinkt: "Wat moeten we doen ... " Ze schuiven de verantwoordelijkheid door Jezus dood niet af op het Sanhedrin, of op een stelletje schreeuwers op Gabbata, ze verschuilen zich zelfs niet achter "Gods raad en voorkennis" of achter het "moet/moest" ("dei"), neen, ze nemen de verantwoordelijkheid volledig op zich. Dit is Israël op zijn kleinst en op zijn best! En blijft dit niet de enige weg voor Israël tot verzoening en behoud? Behouden door diezelfde Christus, die zij gekruisigd hebben.

Geldt dat laatste nu nóg, zovele eeuwen na Golgotha? Men moet de verbondstaal van het Oude Testament al slecht verstaan, om daartegen bezwaar aan te tekenen. Werd en wordt bij elke herdenking van de uittocht uit Egypte niet gezegd, dat "wij'' bevrijd zijn uit het diensthuis, "wij" in onze voorvaderen? Wordt trouwens juist door christelijke schrijvers, die zich bijzonder aan Israël verbonden weten, hetzelfde ook niet van ons, christenen gevergd en verwacht, dat we ons n.l. medeverantwoordelijk zullen voelen voor de wandaden, die de eeuwen door de Joden zijn aangedaan door christenen?
Overigens moeten we daarbij wel oppassen, dat we de gekruisigde Christus en het gekruisigde Israël niet tegen elkaar gaan uitwisselen, alsof de oplossing zou liggen in een soort quitspel, Israël en de Kerk kunnen elkaar alleen vinden aan de voet van het ENE KRUIS van CHRISTUS, Koning der Joden en Redder der wereld. Dáár halen we nooit ons "gelijk", tegenover God nieten tegenover elkaar niet. Aan de voet van het kruis, onder de adem van de Geest, komen Jood en christen tot de eenparige belijdenis: "Ik deed door al mijn zonden Hem al die jammer aan".
De bekende dichtregel van Revius "Het zijn de Joden niet, Heer Jesu, die U kruisten ... " spreekt mij alleen toe, tegenover christenen, die de schuld aan Jezus’ kruis van zich af de Joden alleen toeschuiven. Maar het spreekt me niet toe, als bedoeld wordt de Joden vrij te pleiten. En ik dacht, dat Revius ook dát niet bedoelt heeft.

Dit wilde ik graag kwijt, ter aanvulling van wat ds B. gezegd heeft. Ik zou zijn "antifoon" niet graag tot zwijgen willen brengen, integendeel, ik zou haar met mijn aanvulling willen versterken, En verder heb ik het sein op onveilig willen zetten tegen opkomend judaïsme. We moeten het boze van het antisemitisme niet bestrijden met het niet kleinere kwaad van het judaïsme, door met dr H. Jansen e.a. driftig jacht te gaan maken op antisemitisme in het Nieuwe Testament. Vanuit een bepaalde "Visie" overgaande tot "exegese" zal men heel veel blijken van antisemitisme in het NT te vinden, dat kan ik u nu al wel verzekeren! Om Israël vrij te pleiten van schuld aan Christus' kruisdood (maar we zijn daar ALLEN schuldig aan!) komen de schrijvers van de evangeliën en de brieven en het laatste Bijbelboek in de beklaagdenbank. En ik denk, ja ik ben er van overtuigd, dat we voor déze ontwikkeling niet minder oog en oor moeten hebben, dan. voor alles, waar ds B. zo terecht op heeft gewezen. De antifoon mag niet eenzijdig worden, wil ze een voluit bijbels geluid laten horen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief