Pastorale notities

1979-01-05
  • Jaargang 23
  • nummer 1


Eertijds had je de nieuwjaarsdienst. De kerk lang niet vol; de aanwezigen zongen lusteloos en hoorden vermoeid de preek nog aan. Er waren de laatste weken te veel preken over hen uitgestort en ze hadden te weinig beweging gehad in de buitenlucht. Om aan die kerkdienst wat meer gewicht te geven, had je de toespraken van de dominee voor de koster en de organist en het toezingen van de predikant: “Dat ’s Heren zegen op U daal.’ “ En dan ook de bevestiging van nieuwe ouderlingen. Hoe zag je de mannen die daar stonden, terwijl ze toegezongen werden? Het formulier gaf de indruk, dat het nieuwe bestuursleden waren van de gemeente. Zij regeerden de kerk. Ze moesten ook de gemeente controleren: of een iegelijk zich behoorlijk gedroeg. Vervolgens zouden zij inzonderheid toezicht nemen op de dienaar des Woords. Aldus hun “driederlei ambt”.Je had dan de indruk, dat de ouderlingen tot taak hadden om de gemeente te runnen, de zaak moest behoorlijk blijven lopen; rustig verder in het oude spoor. Die gedachte had Paulus er niet van. In Efeze 4 wijst hij aan, als taak van hen die het ambt hebben, dat zij de heiligen zullen toerusten tot dienstbetoon. Ik denk, dat de meeste ouderlingen zullen zeggen: ik zou niet eens weten, hoe dat moest. Daar zijn wij niet op ingesteld; hoe zet je zoiets op en hoe pak je dat aan?
In de regel zijn we al blij, als het kerkelijk leven stabiel is.
Paulus wil, dat de hele gemeente in beweging komt. Daarin ziet hij een taak voor de herders van de kudde. Het zal hun wel niet meevallen, want we zijn er al zo lang aan gewend, dat we de preek aanhoren en daarna gaat ieder zijn weg.




Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief