DE KERK EN DE RECHTEN VAN DE MENS (2)

1979-01-12
  • Jaargang 23
  • nummer 2
De grondslagen Wat zijn nu echter de grondslagen van de rechten van de mens, zoals die in de Universele Verklaring van 1948 geproclameerd worden? Aan die vraag kunnen we moeilijk voorbijgaan, indien we tot een verantwoord oordeel willen komen. De U.V. maakt het ons in dit opzicht niet bepaald gemakkelijk, want zij zwijgt er zelf praktisch geheel over.
De Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 wijst, evenals sommige Declarations of Rights van afzonderlijke kolonies de Schepper aan als de bron van de mensenrechten, maar een dergelijke verwijzing naar wat in elk geval boven de mens uitgaat, missen we in de U.V. helemaal. Trouwens het noemen van èlke bron of grondslag ontbreekt in deze verklaring.
Op zichzelf behoeft ons dit niet al te zeer te verwonderen, want als we nagaan wat de verschillende juristen in de loop van de tijd over de bronnen van het recht hebben naar voren gebracht stuiten we op een veelheid van meningen. Er is op dit punt allerminst eenstemmigheid.
Verschillende scholen zijn over deze vraag met elkaar in strijd geweest.
Het is de laatste tijd zelfs zo dat de vraag of er wel vaststaande beginselen zijn, waaruit wij bepaalde normen kunnen afleiden voor het menselijk gedrag door velen niet meer bevestigend wordt beantwoord.
Het zogenaamde natuurrecht, dat - hoe ook precies opgevat en nader uitgewerkt - vaste beginselen scheen te geven, is ook in de crisis geraakt, blijkbaar zelfs in Rooms-Katholieke kring. Enige jaren geleden schreef prof. dr G. E. Langemeijer in een artikel in Wending (jan. '72) dat er misschien nog nooit een tijd is geweest waarin zo zeer alle richtingen waarin men houvast voor ons gedrag kon zoeken reeds beproefd en opgegeven zijn. Wat dat betreft ziet het er dus niet zo best uit.
Het is daarom niet zo vreemd dat de U.V. zich niet heeft gewaagd aan een nadere fundering van de mensenrechten. De bovengenoemde Amerikaanse Declarations waren trouwens ook vrij vaag, al noemden sommigen ook de Schepper.
Van de door haar genoemde mensenrechten wisten ze weinig meer te zeggen dan dat zij in zichzelf duidelijk waren: self-evident.
Dit alles neemt niet weg dat de U.V., hoezeer in de hoogte gestoken en begroet als bijna een
evangelie, waarmee "een nieuw tijdperk ingeluid" werd voor de internationale bescherming van de rechten van de mens, diepte mist.

Humaniteit als motivatie
We vinden in de U.V. dus geen duidelijke motivering van de mensenrechten, geen grondslag of bron, waaruit ze worden afgeleid. Wel kunnen we zeggen dat er een opkomen voor humaan gedrag in aan het woord is. Zij is in eerster aanleg een reactie op de barbaarse gruwelen, zoals het Nationaal-Socialisme heeft doen zien, op heel' de geest van dit systeem dat geleid heeft tot de tweede wereldoorlog - al zijn daarvoor nog wel meer oorzaken aan te wijzen. De Preambule spreekt in dit opzicht duidelijke taal. Zij overweegt dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens hebben geleid tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan. Het woord geweten is hier een uiterst vage uitdrukking.
Er zal wel een algemeen bewustzijn mee bedoeld zijn in de zin van het weten dat de mens geroepen is tot een humaan gedrag.
Wat daartegen strijdt - barbaarse handelingen - doet dit geweten geweld aan. De redenering is hier moreel van aard, ook al houdt dit stuk zich bezig met de rechten van de mens. Er is trouwens geen waterdichte scheidingswand tussen recht en moraal, evenmin als er zulk een scheiding is tussen recht en religie.
We moeten hier wel opmerken dat het te optimistisch is om te spreken van het geweten der mensheid als een algemene en vaststaande grootheid.
De in verschillende staten en landen ook na de tweede wereldoorlog voorkomende gruwelen weerspreken dat. Er is geen algemene humaniteit, die over de gehele wereld erkend en beoefend wordt. Dat er nochtans voor werkelijk humaan gedrag gepleit wordt en gezonnen wordt op maatregelen om werkelijke humaniteit te bevorderen, mag ons met dankbaarheid vervullen. Een christen zal niet zeggen dat dit een bewijs is tegen de volstrekte zondigheid van ons menselijk geslacht, waaraan wij allen deel hebben. Hij zal ook niet proberen dit feit op de belijdenis van die zondigheid ook maar enigszins in rekening te brengen. Hij zal er een teken in zien van Gods regering.
De Here houdt deze wereld nog in stand en stuit in vele opzichten en in vele tijden de doorwerking van de zonde, ook daar waar Christus niet wordt gekend en erkend als de Behouder van het leven. God werkt door Zijn openbaring in Zijn werken in op de gevallen mensheid, die van Christus niet weet, zodat er enige kennis is van goed en kwaad, eerlijk en oneerlijk; zodat er natuurlijke liefde is en menselijkheid, een van nature
doen van wat de wet gebiedt. We raken hier aan de kwestie van de zogenaamde gemene gratie, waarover onder de Gereformeerden nogal wat te doen is geweest, meer echter over de naam en de oorzaak, dan over de zaak zelf. Daarover spreekt trouwens de belijdenis der kerk zelf niet onduidelijk, vergelijk de Leerregels van Dordt, 111 en IV. Zelfs van de heidenen, die de wet niet hebben, zegt Paulus, hoewel niet ongeconditioneerd, 1) dat zij tonen dat het werk der wet in hun hart geschreven is, Rom. 2 : 14 en 15. Zo is er in onze wereld vol geweld en boosheid nog vaak sprake van humaniteit en een besef van het humane als roeping en plicht van de mens ... het geweten.
God laat deze wereld niet uit Zijn hand vallen, zodat er nog weerstand is tegen de chaos en vernietiging van ale menselijke waarden.
Dit te erkennen is iets anders dan er in naïef optimisme op te bouwen.
De Bijbel spreekt óók over tijden, waarin dit alles zal afnemen, waarin de wetsverachting zal groeien en de liefde van de meesten zal verkillen, Matth. 24: 12. Dat kan nu hier dan daar gebeuren, nu in deze tijd dan in een andere. De Here kan de mensen overgeven aan hun hartstochten, Rom. 1: 24 en wat blijft dan ongeschonden?
Deze humanisetit is daarom nooit een zaak, waarop de mens zich beroemen kan als vrucht van zijn beschaving, goede wil, rechtschapenheid of wat ook. Zij verwijst ons naar God alleen en kan daarom door de kerk met dankbaarheid worden opgemerkt, wanneer en waar zij zich vertoont en bijdraagt tot het dragelijk maken van het aardse leven. Zij kan van Christus losgemaakt nog het pleit voeren voor geestelijke en zedelijke waarden.
Daarom behoeven wij niet de mogelijkheid te ontkennen van tijdelijke samenwerking met hen, die deze waarden van Christus hebben losgemaakt en toch opkomen voor het vernietigen van deze waarden onder het volk, zegt Woelderink ergens. 2) Hij voegt er nadrukkelijk aan toe dat een christen met deze geestesrichting - van het Humanisme - nooit eensgeestes kan zijn.

1) Vgl. Dr G. C. Berkouwer, De algemene openbaring, pag. 172. Heel hoofdstuk VIn bevat veel dat voor het onderwerp van dit artikel van belang is, zie ook wat B. schrijft over het natuurrecht en de humaniteit.
2) In Christendom en Humanisme. In plaats van het door Dr W. geaccentueerde "tijdelijk" zou ik liever zeggen: "in bepaalde omstandigheden".

Daar moet echter aan toegevoegd worden dat déze humaniteit, van de normen van het evangelie losgemaakt, in zichzelf vaag en zwevend is. Je kunt er vele kanten mee uit en dat gebeurt ook. Zij is in haar opvatingen en nadere uitwerking soms verbluffend tegenstrijdig.
Zij kan opkomen tegen de doodstraf voor schenders van de menselijkheid en tegelijk tegen de bescherming van het nog ongeboren leven.
Daarom is een onkritische aanvaarding van de humaniteit voor de christen gevaarlijk. Hij zal nauwlettend hebben toe te zien in welke richting zij zich beweegt en welke consequenties uit haar getrokken worden. Dat geldt ook van de codificatie van de mensenrechten, zoals wij die vinden in de U.V. van 1948. Het gaat niet aan dit document zonder meer van de tafel te vegen als afkomstig uit de periode van de Franse Revolutie. Het is eveneens onjuist het onkritisch toe te juichen als een soort evangelie, dat een nieuw tijdperk inluidt van vrede, gerechtigheid en vrijheid op aarde.
Het is een boeiende en noodzakelijke bezigheid zich nader af te vragen hoe je het moet beschouwen en hoe er mee wordt gewerkt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief