DE KERK EN DE RECHTEN VAN DE MENS (3)

1979-01-19
  • Jaargang 23
  • nummer 3
Twee soorten van rechten
In de Universele Verklaring van 1948 worden twee soorten van rechten genoemd: de politieke of burgerlijke grondrechten en enkele rechten van sociale, economische en culturele aard. We houden ons in dit artikel bezig met die van de eerste soort. Daaronder vallen gelijkheid voor en bescherming door de wet voor ieder, onpartijdige rechtspraak en daadwerkelijke rechtshulp, vrijheid van meningsuiting, van godsdienstoefening en dergelijke. Dit zijn belangrijke goederen, waarvoor het woord rechten passend is omdat we ons hiermee bevinden op het terrein van de staat die juridisch gekwalificeerd is, zoals wel algemeen wordt toegestemd.
Aan humanistische invloed behoeven we hier bij dit woordgebruik niet te denken. In elk behoorlijk ingericht staatsbestel zijn deze rechten wettelijk vastgelegd. Natuurlijk liggen hier wel problemen, met name voor wat betreft de tolerantie van de staat: hoever behoort deze te gaan? Heel de opvatting, die iemand van de staat heeft spreekt hier een geducht woordje mee.
Zelfs de neutrale staatsidee heeft hier nog haar problemen. Ik ga daar nu niet op in, we staan hier trouwens voor wel onoplosbare problemen, zoals dat wel vaker in onze gebroken wereld het geval is.
We gaan uit van de U.V. met haar codificatie van de mensenrechten en van het feit, dat wij in elk geval verschillende van die rechten op christelijk standpunt kunnen en graag willen accepteren. Dit sluit kritiek op de U.V. niet uit. Ik denk aan de idee van de volkssouvereiniteit, zoals die in art. 21 wordt beleden met de volgende woorden: de wil van het volk zal de grondslag zijn van het gezag van de regering.
We kunnen dit het produkt noemen van een humanistische ontwikkeling, die in de Franse
Revolutie tot algehele rijping is gekomen.
Maar daarom wijzen we de daarmee verbonden vrije verkiezingen nog niet af. Reeds Calvijn was voor een gezonde invloed van het volk op het beleid van de Overheid.
Hij zag wel degelijk het gevaar in van het berusten van de regering bij enkelen. De christelijke partijen in ons land maken geen enkel bezwaar tegen het deelnemen aan periodieke verkiezingen en ontlenen aan de mogelijkheid daartoe zelfs hun redenen van bestaan. Afgezien van hun achtergrond in de U.V. moeten de daarin genoemde rechten op zichzelf worden beschouwd.
We hebben daarin over het algemeen genomen met waardevolle goederen te doen. We gaan deze rechten nu niet stuk voor stuk na, maar willen wel op één aspect ervan wijzen.

Geen absolute rechten
Het is dit aspect, dat deze rechten niet een absoluut karakter dragen.
Daar moeten we als christenen goed van doordrongen zijn. Ik stem toe dat ook de U.V. zelf daar oog voor heeft. Art. 28 spreekt uit dat ieder in de uitoefening van zijn rechten en vrijheden slechts onderworpen zal zijn aan die beperkingen, welke bij de wet zijn vastgesteld en wel uitsluitend ter verzekering van de onmiskenbare erkenning en eerbiediging van de rechten en vrijheden van anderen en om te voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van moraliteit, openbare orde en het algegetuigen meen welzijn in een democratische gemeenschap. De formulering is hier echter uiterst voorzichtig en terughoudend. ieder zal slechts onderworpen zijn aan die beperkingen enz. En wel uitsluitend ter verzekering van de onmiskenbare erkenning en eerbiediging van de rechten van anderen. Ook wordt in het begin van art. 29 gezegd, dat ieder plichten heeft jegens de gemeenschap, maar het is onmiskenbaar dat het eigenlijke accent valt op de rechten en vrijheden van elk individu. Wanneer we verder bedenken dat de moraliteit, openbare orde en het algemeen welzijn, waarin beperkingen zijn gelegen, steeds meer vloeiende begrippen aan het worden zijn, dan is het wel duidelijk dat de beperkingen van de rechten en vrijheden niet een erg stringent karakter hebben. Wel kan terecht worden opgemerkt dat dit zware accent op de rechten en plichten zijn verklaring vindt in de tijd van de opstelling van de U.V.
Toen lag het vertrappen van alle mensenrechten nog vers in het geheugen!
Dit neemt niet weg dat de U.V. sindsdien een eigen leven is gaan leiden nu al dertig jaren lang als een Handvest van hoge zedelijke waarde en algemene geldigheid wordt beschouwd, richtlijn voor onderwijs en opvoeding in de mensenrechten, dat ieder steeds voor ogen moet houden. (Preambule).
Daarom is het niet overbodig er aan te herinneren dat deze rechten en vrijheden vanuit christelijk oogpunt niet als absoluut dienen beschouwd te worden. "Nauwelijks een enkele van deze vrijheden geldt evenwel absoluut; misschien alleen het recht op vrijheid van geweten, schrijft prof. dr Gesina van der Molen in het artikel Mensenrechten in de Christelijke Encyclopedie, 2e druk. Het kan geen kwaad ook even te luisteren naar wat zij daarvoor reeds heeft gezegd: "De vraag is ... : kan men als christen spreken van m(ensenrechten)? Zeker niet in die zin, dat aan de autonome mens bepaalde rechten toekomen
uitsluitend op grond van zijn mens-zijn. Ongetwijfeld kan de mens tegenover zijn Schepper geen enkel recht doen gelden, doch wel tegenover zijn mede-mensen en tegenover de staat en de statengemeenschap.
M(ensenrechten) zijn rechten, die God aan de mens geschonken heeft als uitvloeisel van zijn geschapen zijn naar Gods beeld". Maar als absoluut zijn deze rechten dus niet te beschouwen.
We komen hier immers in aanraking met het aloude probleem van gezag en vrijheid, zo merkt deze eerste vrouwelijke hoogleraar aan de V.U. in het internationale recht op. Het individu staat in gemeenschap met anderen, is ook burger van de staat en is daardoor in zijn rechten en vrijheden beperkt. Wie deze beperkingen niet zou erkennen, zou daarmee de weg tot de chaos en de anarchie openen.
Daarom is de visie, die we hebben op het gezag en de taak van de Overheid wel degelijk van belang in de kwestie van de mensenrechten.
De zeventien ondertekenaars van het stuk "Amnesty Internatio nal" in Opbouw van 11 aug. 1978 merken op dat de politieke overtuiging ten aanzien van de taak van de overheid er voor Amnesty International eenvoudig niet toe doet en dit heeft blijkbaar hun instemming.
Zij schrijven evenwel even daarna dat de Overheid Gods dienares is en tot taak heeft gerechtigheid te doen op aarde. Daarmee zullen wij het allen eens zijn, maar wat is de inhoud van dit begrip?
Dat is natuurlijk de spil, waar alles om draait! Men beroept zich vandaag op de mensenrechten enrijheden op heel wat zaken en wenst zich daarbij door de overheid geen enkele beperking te zien opgelegd.
Alsof de mensenrechten absoluut zijn, onbeperkt, hoe individualistisch opgevat ook. Treedt de overheid buiten de grenzen van haar taak indien zij om met onze belijdenis te spreken in haar wetgeving een dam opwerpt tegen de ongebondenheid van de mensen en kunnen wij spreken van onderdrukking van de vrijheden van de mens, indien zij aan deze wetten de hand houdt of moeten wij daartegenover erkennen dat dit behoort tot haar taak om publieke gerechtigheid te oefenen? Dat hier in de praktijk problemen liggen in onze ontkerstenende samenleving, zal wel niemand ontkennen, maar het zal duidelijk zijn dat we niet al te simplistisch moeten redeneren alsof inzake de mensenrechten de taak en het gezag van de overheid er niet toe doet en dat wij haar oefenen van gerechtigheid niet mogen opvatten als het vrij baan geven aan absoluut gestelde mensenrechten.

Er is meer dan alleen maar rechten
Voor de kerk is daarnaast nog een andere overweging van belang. Het strijden voor de rechten en vrijheden van de mens, voor zover geoorloofd en zelfs plichtmatig, is aan bepaalde regels gebonden. Blijkens haar statuten heeft ook Amnesty International daar oog voor: zij wil niet weten van geweldoefening en het aanzetten daartoe. We kunnen daarvan dankbaar nota nemen.
Maar daarmee is toch niet alles gezegd. Er is ook een verzet zonder geweld of ophitsing daartoe, dat vanuit Bijbels standpunt niet goed te keuren is. Namelijk dat verzet dat opkomst uit het vrijheidsgevoel van de autonome mens, die 't overheidsgezag niet erkent en eerbiedigt en zich laat leiden door de géést van de revolutie. De kerk mag niet nalaten ook op deze kant van de zaak te wijzen. Zij kiest daarmee niet voor "de gevestigde orde", hoe vol onrechtvaardigheid deze ook mag zijn. Zij heeft daartegen zelfs stelling te nemen zoveel als in haar vermogen is en de Overheden de eis tot christelijke gerechtigheidsoefening voor te houden.
Zij is in deze taak in het verleden meermalen tekort geschoten, heeft daarnaast die taak ook meermalen op bewondenswaardige wijze verricht. Niet als revolutionair maar als gevolmachtigde van God in het historische tijdperk waarin hij leeft en profetisch getuigde heeft Luther de overheden van zijn dagen de waarheid gezegd. Hij heeft hun verweten dat zij niet veel anders deden dan hun onderdanen "villen en schillen". Hij heeft ze vergeleken met een krankzinnige koetsier, die met zijn paard en wagen overal doorheen draaft. Hij zal niet lang rijden maar met de hele zaak in de vernieling geraken (es wird zu Trümmern gehen). Luther heeft er van geweten dat genadeloze onderdrukking en afpersing het volk onherroepelijk tot opstand brengen kan. Dan is de overheid zelf de schuld van haar ondergang en kunnen we spreken van een gericht Gods in de geschiedenis, dat weerklank vindt in de christelijke consciëntie, hoe moeilijk de theoretische rechtvaardiging van zo'n opstand ook kan zijn.
Maar iets anders is het wanneer er sprake is van een revolutiegéést, die om Gods ordeningen niet maalt.
Het tegendeel van Luthers krankzinnige koetsier zijn degenen, die de opstand verheerlijken, van geen enkel dulden van onrecht willen weten en in een "gerechtigheidsideologie" met niets ontziende felheid hun zaak doorzetten. In de keus der middelen geen onderscheid van goed en kwaad te erkennen is, is het eigenaardig kenmerk, niet van het Jezuïtisme, niet van het Jacobisme, maar van elke dweperij, schrijft Groen van Prinsterer in zijn Ongeloof en Revolutie.
We moeten ten slotte niet blind zijn voor het gevaar dat het eenzijdig spreken over de rechten van de mens meebrengt. In 1958 wees daarop reeds de Rotterdamse psychiater R. Fentener van Vlissingen in een artikel over "recht hebben op" als uitgangspunt van leven. Hij schreef ("Wending", maart '58) dat hij steeds sterker onderkende de eis end e levenshouding als een van de structuren, die voor onze samenleving typerend zijn. Daarin gevangen ziet men dan meestal niet dat men niets meer wenst te "nemen", geen zorgen, geen pijn, geen frustraties. Ondanks de op dit artikel te oefenen en ook geoefende kritiek, met name op de inzet dat de dag dat de rechten van de mens vastgelegd werden door de mens een droeve dag was, meen ik dat hier toch op een reëel gevaar gewezen werd, waarvoor we als christenen niet blind moeten zijn.
Er zijn meer dan rechten en dat moet niet slechts met de mond beleden worden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief