Pastorale notities

1979-01-19
  • Jaargang 23
  • nummer 3
In de jaren twintig en dertig hadden we bij ons op het dorp, Huizum, ds W.H. den Houting. Hij preekte eens over Exodus 15, hoe in de woestijn het bittere water van Mara zoet werd, toen Mozes er een stuk hout in wierp. In die preek zei hij eerst, dat sommige mensen die geschiedenis wel eens vergeestelijkt hadden: het bittere water van ons leven wordt zoet door het hout des kruises. Zó wilde hij de tekst niet behandelen, dat leek immers nergens naar. Nee, hij ging het verhaal verplaatsen in het kader van de verbondsgeschiedenis. Na de preek zei de dienstdoende ouderling: “Dominee, ik wil u hartelijk bedanken voor de preek, ik heb er bizonder veel aan gehad. U weet wel, hoe bitter het water van mijn leven is, maar ook ik mag er van getuigen, dat het hout des kruises alles zoet maakt.”
Je leert ervan, dat je in de preek maar geen dwalingen of dwaalgeesten bestrijden moet of hun zinnen citeren. Althans niet te lang en niet te vaak. Die ouderling was immers al gauw de draad kwijtgeraakt en hij bleef voortdromen over een dierbare gedachte, die hij volgens de prediker nu juist niet koesteren moest. Dominee vertelde later lachend het verhaal. Het hinderde hem niet, dat zijn inspanning, om de tekst goed te doen verstaan, aan de ouderling niet besteed was geweest. Het deed hem goed, dat die man toch getroost was en zijn vermoeide ogen gericht had op Hem, die voor ons gekruisigd is. Hoe vaak maak je het niet mee, dat iemand een enkel zinnetje uit een preek lang vasthoudt, terwijl het maar een zinnetje tussen haakjes was, een zijdelingen opmerking; een gedachte, die je in de preek juist bestreed. Niet al onze preken kunnen doorwrocht zijn en technisch in orde. Laat een groot aantal preken maar mislukt zijn; als de mensen maar getroost zijn en iets goed gehoord hebben over onze Here Jezus.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief