Zo was het (24)
1979-01-19
De vorige keer spraken we over de verkiezing. Of liever: over de verkiezende God. In de loop der eeuwen is door theologen van "de verkiezing"- Jaargang 23
- nummer 3
een leerstuk gemaakt, zo dor als leer. Volgens velen behoort de verkiezing tot de "verborgen dingen, die voor de HERE onze God zijn."
Een vreemde voorstelling van zaken, daar in de Schriften vaak van verkiezing sprake is. Aan het volk Israël werd geopenbaard, dat het een door de HERE verkoren volk is. Dat staat te lezen in Deut. 7: "Gij zijt een volk, dat de HERE uw God heilig is; u heeft de HERE uit alle volken der aarde verkoren om zijn eigen volk te zijn." Opdat het God zou dienen met alle kracht. En aan de gemeente van het N.T. maakt Petrus bekend: "Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk van Gods eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht." God roept en verkiest door het Evangelie. Niet wij kozen en kiezen voor God, maar Hij koos en kiest voor ons. Door het geloof in het Evangelie zien we dat. Alle roem voor ons is uitgesloten.
We roemen in Gods vrije gunst alleen.
Dat wij tot de Kerk mogen behoren, door God verkoren, is een groot voorrecht. Maar daarin ligt ook een grootse roeping en verplichting.
Namelijk om nu die God, die ons verkoor, van onze kant ook lief te hebben, te eren en te dienen. Om lichaam en ziel, met alles wat we zijn en hebben, aan zijn dienst over de geven. Zo zullen we onze roeping en verkiezing vast maken. Dat kunnen we lezen in 11 Petrus 1 : 10: "Beijvert u daarom des te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want als gij dit doet zult gij nimmermeer struikelen." D.w.z. niet zó struikelen, dat gij ten val komt. "Want zo zal u royaal worden verleend de toegang tot het eeuwig koninkrijk van onze Heer en Heiland, Jezus Christus." En over dat "vast maken van onze roeping en verkiezing" wil ik nu wat zeggen.
Hoe kunnen de gelovigen, groot of klein, met een sterk of een zwak geloof, hun roeping en verkiezing bevestigen? Laat ik trachten dit duidelijk te maken met een voorbeeld uit de tijd, die ik doorbracht in een concentratiekamp.
Een paar maanden heb ik in Vught gezeten. Daar heb ik het betrekkelijk goed gehad. Hoe was dat mogelijk? Dat zit zo. Er was in dat kamp een barak, die diende als werkplaats van Philips. Ik zal daar wel een "voorspraak" gehad hebben, al weet ik tot vandaag niet wie dat was. Maar de derde dag van mijn verblijf in Vught kreeg ik een plaats in die afdeling van Philips. Dat was een machtig groot voorrecht. Daar had men vrijwel geen last van Duitsers. De leiding was in handen van Nederlanders.
Hard werken was er niet bij. Boven het gewone rantsoen, dat aardig goed was, kregen we daar de beroemde Philipsprak, zoals dat werd genoemd. Meestal een grote schep stamppot. Lekker. Lekkerder heb ik dunkt mij nooit gegeten. Al met al was die barak een paradijs. Tenminste in vergelijking met het leven van de vele gevangenen, die het vreselijk zwaar hadden.
Nu werd daar op zekere dag een man gebracht, die het ontzettend moeilijk had gehad. Wie het bewerkt had, dat hij overgeplaatst werd naar Philips, wist hijzelf niet. Ik natuurlijk ook niet. Mogelijk was er een commissie die hem daarvoor had aangewezen. Verkóren zouden wij kunnen zeggen. Hij was bij een verschrikkelijk zwaar "commando" geweest. Had bomen moeten hakken en zagen. Brokken van vliegtuigen overladen. Op klompen moeten lopen, die niet pasten en waarin de voeten stuk gingen.
Hij was met zijn commando bewaakt door SS-ers. Die honden bij zich hadden, die soms op de gevangenen werden losgelaten. Bedoelde man was nooit zwaar werk gewend geweest. Was ingenieur van beroep. Mogelijk wel een beetje verwend door een gemakkelijk, weelderig leven. Die was daar in de "hel" van Vught terecht gekomen: meer slaag dan eten, zwaar werken, altijd angstig door een SS-er te worden afgerost of door een hond te worden gebeten.
Die man kreeg nu het voorrecht om bij Philips te mogen werken. Want er moest wèl gewerkt worden. Waarschijnlijk ten dienste van de Duitsers.
Maar als er niets gedaan werd, dan zou de werkplaats wel worden ontruimd.
Zwaar was dat werk niet. Maar wel erg vervelend, bijv. aan de "lopende band". Zo was hij dan in dienst van Philips. Geen SS, geen honden, geen zwaar werk. En eten in overvloed. Wat heeft die man z'n best gedaan om daar te mogen blijven! Hij was daar nu aangenomen, maar hij beijverde zich om in vaste dienst te komen zal ik maar zeggen.
We zouden kunnen zeggen: hij wilde z'n roeping en verkiezing vast maken.
Want voor geen geld van de wereld wilde hij weer naar die "buitendienst" terug. Wat heeft hij z'n best gedaan om het voor hem ongewone werk (hij kwam aan een lopende band te zitten) onder de knie te krijgen!
Ik zou zeggen: waren wij allen maar zó ijverig en bezig om onze roeping en verkiezing door onze hemelse Vader te bevestigen. Om zo in zijn dienst te mogen blijven. En zo in te gaan in zijn eeuwig Koninkrijk. Maar hoe kunnen en moeten wij dat doen? Wel, dát is te lezen in 11Petrus 1 : 5.
Voor de bejaarden hier heb ik het voorgelezen uit de Statenvertaling.
Omdat zij daarmee vertrouwd zijn. Nû schrijf ik het maar over uit de Nieuwe Vertaling. Zakelijk komt dat op hetzelfde neer. Daar staat dan: "Maar" schraagt om deze reden met betoon van alle ijver door uw geloof de deugd, door de deugd de kennis, door de kennis de zelfbeheersing, door de zelfbeheersing de volharding, door de volharding de godsvrucht, door de godsvrucht de broederliefde en door de broederliefde de liefde (jegens allen)."
Paulus wil hiermee zeggen: laat uw geloof blijken uit uw werken. Een dood geloof brengt geen vruchten voort. Maar een levend geloof doét wat.
Doet alles wat maar mogelijk is om roeping en verkiezing te bevestigen.
Om in vaste dienst van de HERE te komen en te blijven. Als iemand "het wel gelooft", dan weten we wel, dat van goede werken niets terecht komt.
Wee, als van ons gezegd moet worden: zij "geloven het wel". Ze maken zich niet druk.
Paulus vermaant ons: "Voegt bij uw geloof deugd." De N.V. zegt: "Schraagt uw geloof door deugd." Over het algemeen hielden gereformeerden en orthodoxen niet van het woord deugd. Men heeft wel bezwaar gemaakt tegen een regel van Psalm 1, waar sprake is van hen, "die oprecht en rein van zeden met vaste gang het pad der deugd betreden." Als we deugd verstaan in de zin van wat mèn voor deugd houdt, dan is er wel bezwaar tegen. Maar van christelijke deugden mag ons leven vol zijn.
Behoort het vol te zijn. Voor deugd zouden we ook wel kunnen zeggen: degelijkheid. Betrouwbaarheid. Zodat men van ons zeggen kan en moet: bij die mensen is hun geloof echt! Ze zijn niet maar schijnvroom of schijnheilig.
Maar ze zijn degelijk vroom.
En voegt daarbij: kennis. D.w.z. kennis van de HERE. Van Zijn beloften, maar ook van de eisen van zijn verbond. "Ken Hem in al uw wegen."
Door in gemeenschap met Hem te leven. En te wandelen voor zijn aangezicht.
En daarbij moet komen matigheid. Liever: zelfbeheersing. Dat is een heerlijke zaak, als wij ons zelf beheersen. Er staat ergens: "Wie zichzelf beheerst is sterker dan een stedendwinger". Hoevelen zijn er, die zichzelf niet in de macht hebben. Ze willen wel van dit of dat af, maar ze doen het niet. Ze kûnnen het niet naar ze zeggen. Zouden ze het wel willen?
We falen allen wel in verschillende opzichten. Maar we zullen er naar streven onszelf te beheersen. Te láten alles wat de HERE mishaagt; en te doen alles wat Hij bevolen heeft. Dát is zelfbeheersing.
Verder zullen we streven naar "lijdzaamheid" zegt de Statenvertaling.
Beter is hier de N.V. met "volharding". Lijdzaamheid wordt allicht aangezien voor lijdelijkheid. Maar bedoeld wordt: veerkracht, uithoudingsvermogen.
Blijven staan onder welke druk ook. Standhouden tegen alle verleiding. We mogen denken aan een krachtige veer, die wel kan worden neergedrukt, maar die toch weer opveert. Dat kan alleen door de kracht van de Heilige Geest. Maar het kán. Zoals ergens gezegd wordt: "Ik vermag alles door Hem, die mij kracht geeft." Daarbij komt dan de godsvrucht of godzaligheid. Een leven in de vreze des HEREN. We zullen onze redding werken met heilige zorgvuldigheid. We zullen bang zijn om de HERE verdriet aan te doen of Hem te vertoornen. We zullen voor geen mens of macht in deze wereld bang zijn. Maar wel om van de dienst van de HERE af te wijken.
Daarbij komt dan nog: liefde voor broeders en zusters. We zullen onze gaven en krachten in dienst stellen van de "gemeenschap der heiligen".
Gedachtig aan het Woord van de Heiland: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf." Steunt de zwakken, brengt de ongeregelden terecht, spreekt moedelozen moed in, hebt geduld met de zwakheden van anderen. Troost treurenden, weest blij met de blijden en weent met de wenend en. Dat is de wil van de HERE. En wij bidden toch: "Uw wil geschiede", warde gedaan?
Nu dan, jaagt de heiligmaking na in de gemeenschap der heiligen.
En voegt daarbij: liefde jegens allen. Dat is dunkt mij een vergeten hoofdstuk voor velen van ons. Wij sluiten ons graag op in eigen kring of kringetje.
Knus en gezellig met gelijkgezinden en gelijkdenkenden. Maar de HERE wijst ons een andere en betere weg. De Kerk is er niet om zichzelf.
Zij is er voor de wereld. "Laat uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader in de hemelen verheerlijken."
"Uw vriendelijkheid (inschikkelijkheid) zij alle mensen bekend."
We zijn zo gewend alleen in eigen kring te verkeren, dat we met mensen, die het Evangelie niet kennen, slechts kunnen praten over "koetjes en kalfjes" of over kwaaltjes en nieuwtjes. Waaruit blijkt onze liefde tot allen? Dat mogen wij ons wel eens afvragen. Ook ik heb de gemeente daarop veel te weinig gewezen.
Heeft de Here Jezus alleen tot de Joden gesproken? Of nog enger: alleen tot de "vromen" onder hen? Hij heeft de verloren schapen van Israël gezocht. Hij bekommerde zich om tollenaren en hoeren en zondaars. Hij riep onrechtvaardigen tot bekering. Mensen van de wereld horen geen preken. En als zij ze hoorden is het de vraag of zij er veel van konden verstaan. Maar zij horen ónze woorden en zien onze daden. Kunnen die ongelovigen trekken uit de duisternis tot het licht van Gods genade? Als een buurman ziek is raden wij hem aan naar een dokter te gaan. Want hij ziet er slecht uit. Zouden we een ongelovige buurman niet moeten zeggen: Het ziet er slecht met u uit? En zouden wij hem niet moeten wijzen op de Heiland der wereld? Buiten Wie geen heil of redding te verwachten is?
Op de besproken tekst volgen deze woorden: "Als deze dingen (geloof, enz.) bij u zijn en overvloedig worden, laten zij u niet zonder werk of vrucht voor de kennis van onze Here Jezus Christus." Door een leven van praktijk der godzaligheid nemen we toe in de genade en kennis van de Zaligmaker. En zo maken we onze roeping en verkiezing vast. Zo komen we in vaste dienst van onze Here. Dan is verkiezing voor ons geen angstwekkende aangelegenheid. Ook geen dor leerstuk. Maar een vertroostende kennis. Dan worden we bewaard voor de angstige vraag: "Zou ik wel uitverkoren zijn?". Die vraag leeft duidelijk in menige oer-orthodoxe kring. Maar zou die vraag, vaak onuitgesproken, toch ook niet leven bij veel gereformeerden van allerlei slag? En zou dat niet hiervan komen, dat wij veel meer nadruk hebben gelegd op de zuivere leer dan op een zuiver leven? Zekerheid aangaande onze verkiezing krijgen we niet door veel gepieker en getob. Niet door te wachten op een "stem uit de hemel" of iets dergelijks. Maar door te leven naar aanwijzing van het Evangelie.
Door niet maar hoorders van het Woord te zijn maar daders. Door te leven o.a. naar II Petrus 1. Laten we daarmee maar ijverig bezig zijn. Dan hebben wij altijd werk genoeg. En de HERE zal het zegenen met rijke vrucht.