Pastorale notities
1979-01-26
Met een aantal catechisanten besprak ik vorige week de ballingschap in Babel. We hebben fragmenten gelezen in Jasja, Jeriemia en Ezechiël. Daarna vroeg ik: Weten jullie ook een psalm die in die tijd geboren is?” Prompt riepen ze: “Aan de riwwers van Babylon!” Ik zei: “Goed zo. Dat is eigenlijk Psalm 137, maar jullie kennen die psalm blijkbaar van ene juffrouw Blondie.” Daverend gelach. Kun je nagaan, hoe weinig zo’n dominee er van weet. Blondie zegt hij en het is van Bonnie M; dat is geen juffrouw maar een groep. (“Group” moet je tegenwoordig schrijven). Zo hebben de laatste tijd de tieners overgenomen de klacht van Israël over zijn verstrooiing onder de volken. De kerken zijn over het algemeen weinig solidair met Israël geweest in dat klagen. Dat blijkt hier uit, dat Psalm 137 vrijwel nooit gezongen werd; de melodie is onbekend gebleven. Eigenlijk worden we alleen bij de bediening van de doop bepaald bij Israël, als volk van de HERE. “Gij hebt úw volk Israël droogvoets door de Rode Zee geleid”.Maar in de overige officiële documenten der kerken vind je weinig over Israël. Zeker, er wordt uit het Oude Testament gepreekt en de geschiedenis van Israël wordt, meestal waarschuwend, toegepast op Gods volk van het Nieuwe Verbond. In de oorlog hebben velen aan Joden onderdak verleend en verscheidene predikanten hebben openlijk voor de vervolgde Joden gebeden. Maar we staan toch weinig naast hen in hun klacht: Hoe zouden wij, als droeve bannelingen, op vreemde grond het lied des HEREN zingen?- Jaargang 23
- nummer 4
Nu opeens klinkt die klacht omhoog uit de mond van onze jeugd.
Laat het een rage wezen; laat er een brok commercie achter zitten, zou de HERE het niet horen en denken aan Zijn eerste liefde?
Toen Israël een kind was, kreeg Ik het lief. En ook: Israël is Mijn oudste jongen…