Alle roem is uitgesloten
1979-02-02
Waar blijft het roemen dan?- Jaargang 23
- nummer 5
Het is uitgesloten.
Door welke wet?
Der werken?
Neen, maar door de wet van geloof.
Wij mogen trots zijn op de HERE en zijn grote daden.
Het roemen in God neemt in de Bijbel een grote plaats in. Roemen in God en niet roemen in je godsdienst.
Dat laatste is iets heel anders. Alle roem - op eigen godsdienstige prestaties - is uitgesloten.
Abraham dient als bewijs. Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God (Rom. 4 : 2).
Terecht mocht Israël zich beroemen op het feit, dat het van God de wet gekregen heeft, maar de rechtmatige trots op de wet wordt gemakkelijk een zeer onrechtmatige' trots op zichzelf.
Er zijn altijd mensen geweest, die niet vertrouwden op God, maar op hun eigen godsdienst. In de dagen van Paulus kwam dat verschijnsel bij veel Joden voor. Het waren juist deze zeer godsdienstige Joden, die zich steeds weer verzet hebben tegen God en zijn genade, tegen de Here Jezus en zijn gemeente. De gemeenten in Judea hadden veel te verduren van de Joden, die de Here Jezus en de profeten gedood hadden (I Thess. 2 : 14-15).
Geen enkel stukje van onze redding is aan ons zelf toe te schrijven. Alle roem is uitgesloten. Waar blijft het roemen dan? De Jood - bij Paulus vaak het type, het model, het schoolvoorbeeld van de mens, die op zijn godsdienstigheid vertrouwt - de Jood mocht zich graag beroemen op zijn voorrechten. Maar de Jood is evengoed als de heiden een zondaar. En zondaren worden om niet gerechtvaardigd. Waar is dan de roem? Het roemen in het bezit van de wet vormde een kenmerk van de Joodse godsdienst. Maar de Jood heeft geen voorsprong op de heiden, omdat hij met al zijn roemen op het bezitten van de wet de wet toch evenmin vervult als de heiden.
De Joden roemden in de wet. Wie had een wet zoals zij? In zelfgenoegzaamheid beroemden zij zich op hun wetsbezit. Paulus grijpt hier de Joodse godsdienst aan in zijn kern, in het zelfvertrouwen dat die godsdienst stempelde. Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten.
Dat is een zeer ingrijpende uitspraak.
Zondaren moeten als bedelaars van Gods genade leven. Iedere grond, die in eigen werk, eigen godsdienst en vroomheid gelegen is, wordt weggeslagen door de manier waarop God in Christus heeft willen handelen. Dit verduidelijkt Paulus door de volgende vragen en zijn antwoord: Door welke wet? Der werken?
Neen, maar door de wet van geloof.
Door hier het woord "wet" te gebruiken spreekt Paulus een taal, die de Joden iets moest doen. Hij wil zijn volksgenoten herinneren aan wat de wet, het onderwijs 'van Gods Woord werkelijk zegt. Die wet roept op om niet jezelf te prijzen, maar de HERE te loven (Deut. 10 : 21, Jer. 9 : 23-24, Psalm 5 : 12, 32 : 11). In de glorierijke toekomst zal al het geschapene de HERE roemen om zijn grote werken (1 Kron. 16: 28-33, Psalm 96 en 98). Als er reden is om trots te zijn, dan zullen we trots zijn op de HERE en zijn daden.
Paulus gebruikt het woord "wet" vaak in de zin van: norm of regel.
Heeft God alle roemen nu uitgesloten door een regel, een orde, een norm, waarbij het aankomt op onze werken en onze verdiensten?
Vraagt de HERE zo veel? Neen, zegt Paulus. Alle roem is uitgesloten, omdat God de verlossing uit genade geeft. Het gaat daarbij toe naar de wet, naar de regel van het geloof. God heeft immers Jezus Christus gegeven als de Verzoening van al onze zonden.
De man, die dit schreef, wist uit eigen levenservaring waarover hij sprak. Paulus heeft leren inzien dat zijn hele vroegere leven als Farizeeër niets anders was dan actief verzet tegen Gods genade.
We kunnen deze vijandschap tegen God en zijn genade op verschillende manieren tonen. Eén manier is de duidelijke, brutale ongehoorzaamheid aan Gods geboden. De andere manier is veel subtieler, veel moeilijker te onderkennen. Het is het streven een zuiver mens te worden door onberispelijk volgens de wet te leven. Maar in beide gevallen is de mens bezig zich te verzetten tegen het Evangelie van Gods genade.
Het roemen op eigen godsdienstigheid is uitgesloten door de regel van: GELOOF.
Wat is geloof? Toen de zonen van Jakob hun vader vertelden: Jozef leeft nog en hij is zelfs heerser over het gehele land Egypte, bleef zijn hart er koud onder, want hij kon het niet geloven. (Gen. 45 : 26). Maar toen de zonen met bewijzen kwamen, veranderde Jakobs ongeloof in geloof. Toen leefde zijn geest op (vs. 27).
Als we echt in God en aan zijn beloften geloven, zal onze geest dan niet opleven?
Maar ijdel is de zelfverheffing van de mens ook in onze dagen, de roem van Russen èn Amerikanen, de roem van bezitters en proletariërs, alsof hun macht, hun groep, hun klasse de kroon der eer zal dragen. Nee, niet onze soort, niet onze ondernemingen, ook niet onze ideologie, onze levens- en wereldbeschouwing, onze theologie of onze godsdienst geven ons aanspraak op die kroon.
En de "ware godsdienst" dan?
Paulus is in heel de brief aan de Romeinen bezig met het Joodse volk. Dat volk was in tegenstelling tot alle heidenen het volk met de "ware godsdienst". Door de wet was Israël met eer van alle andere volken onderscheiden. Maar door de wet is het niet gerechtvaardigd.
En alle moderne idealisten en wereldverbeteraars en morele herbewapenaars hebben zichzelf niet gerechtvaardigd en de wereld niet gered.
De profeet Jesaja verzette zich tegen de politici van zijn dagen, die er op uit waren door bondgenootschappen de positie van Juda te versterken. Daartegenover stelde hij als de enige houding, die het volk van de HERE paste: Stilheid en vertrouwen. Geloof (Jes. 30: 15).
De HERE zag in dit politieke bedrijf een motie van wantrouwen.
Alleen de wet, de regel van geloof sluit de roem uit. Die wet, die weg, namelijk het geloof, het buigen van de knieën in de enige Naam onder de hemel tot onze redding gegeven, kan het menselijk geslacht verlossen van de tegenstellingen, die het vlees met zijn verkeerde roemen oproept. Dit geloof geeft geen mens eigen roem. Door dit geloof zijn allen die geloven zonder onderscheid gerechtvaardigd. Door dit geloof wordt onze hoogmoed en alle hoogmoed in onszelf gebroken.
Zo sluit de regel van geloof alle roem uit. God rechtvaardigt alleen allen, die uit het geloof in Jezus zijn. Alle roem in mensen is uitgesloten.
Dat is ook in de 20e eeuw het Evangelie tegenover alle moderne hoogten van deze wereld.
Want wij zijn van oordeel dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken der wet.
Dat is de enige boodschap van bevrijding voor de mensen van alle eeuwen.
Deze boodschap doet recht aan Gods wet. De wet is zo hoog, zo heilig, dat geen zondaar die ooit vervullen kan. Gode zij dank, de wet is vervuld door de éne Mens, die nooit zonde gehad of gedaan heeft, de Zoon des mensen. En God zal al zijn kinderen rechtvaardigen in de weg van het geloof in Jezus Christus, onze Here, zonder werken der wet.
De neiging zit ons in het bloed te roemen op iets speciaals, iets bijzonders, iets eigens. Iets dat wij hebben en anderen niet. Alle godsdiensten buiten het Christelijk geloof om geven aan die neiging toe.
Ze beginnen met iets van de mens te eisen, waaraan deze meent te kunnen voldoen.
Het Woord van God begint met de belofte. We vinden in onze Catechismus de prachtige uitdrukking: de belofte des Evangelies. Daarmee is de Here tot ons gekomen en daarmee komt Hij elke nieuwe dag tot ons.
Wie roemt, roeme in de Here.