L IJ D E N (2)
1979-02-09
Er was eens een volk, dat vocht voor zijn bevrijding tegen een wreed onderdrukker: er werd een hevige guerilla-oorlog gevoerd. Een lid van deze ondergrondse verzets-beweging ontmoet in de nacht een Vreemdeling, die een diepe indruk op hem maakt. Zij brengen die nacht door in gesprek. De Vreemdeling vertelt de partizaan, dat hij zelf aan de kant staat van het verzet, ja later in het gesprek laat hij zich ontvallen dat hij in feite de algehele leiding ervan in handen heeft. Hij dringt er bij de partizaan op aan om wat er ook gebeurt in hem te blijven geloven. De partizaan is in die ontmoeting totaal overtuigd van de oprechtheid en standvastigheid van de Vreemdeling en neemt zich voor hem te vertrouwen.- Jaargang 23
- nummer 6
Zij ontmoeten elkaar nooit meer in zulke vertrouwensmomenten. Maar soms wordt de Vreemdeling gezien terwijl hij mensen van het verzet helpt - dan is de partizaan dankbaar en zegt tegen zijn vrienden: "Hij staat aan onze kant". Soms echter wordt hij gezien in het uniform van de politie, terwijl hij mensen van het verzet aan de vijand uitlevert. Op zulke momenten murmureren zijn vrienden tegen hem, - maar de partizaan houdt vol: "Hij staat aan onze kant." Hij blijft geloven dat de Vreemdeling, ondanks dat wat mensenogen zagen, hem niet bedriegt. Soms vraagt hij de Vreemdeling om hulp en krijgt die. Dan is hij dankbaar. Soms vraagt hij die en krijgt ze niet. Dan zegt hij: "De Vreemdeling weet wel kerkelijk leven wat het beste is voor ons."
Deze gelijkenis is gemaakt door een engelse theoloog (Basil Mitchell) en gaat over het vraagstuk van het lijden, waar wij in deze artikelen mee bezig zijn.
In het vorige artikel heb ik gezegd dat het dilemma, waarvoor Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus ons stelt eenzijdig is en beperkt.
Ziekte en armoede, concreet genomen: een auto-ongeluk of kanker overkomen ons of door toeval of door Gods Vaderhand.
Ik vraag: waar vinden wij in de bijbel buiten het boek Prediker ons voor dit dilemma gesteld. Er is een beperkt recht om in bepaalde situaties dit dilemma te stellen (het boek Prediker staat niet voor niets in de bijbel), maar het is een beperkt recht. Want veel vaker zien wij in de bijbel een ander dilemma gesteld: is dit uit God of uit Beëlzebul (Mc. 3: 22 ev., vgl. Jac. 1 : 12-18, 1 Petrus 5 : 8, 2 Cor. 2: 11, 12: 7 e.v.).
Het Nieuwe Testament vooral leert ons dat de geschiedenis beheerst wordt door twee krachten: het rijk van de boze tegenover het rijk van Christus. Die strijd is in de diepte reeds beslist, op Golgotha, een feit wat ieder die het horen wil persoonlijk wordt verzekerd, maar het is in de breedte en hoogte nog niet uitgevochten en nog volop aan de gang. Het dilemma waarvoor dit geschiedenisbeeld ons stelt is niet: noodlot of God, maar Vriend of Vijand. Heel moeilijk echter blijkt het soms in de praktijk van het leven om precies vast te stellen wat van wie komt ...
Die moeite wordt ons nu duidelijk beschreven in de bovengenoemde gelijkenis.
Zolang het gevecht tussen deze twee rijken voortgaat zal de onhelderheid en aanvechting voortduren.
Maar één ding is wel duidelijk: niet ieder auto-ongeluk of ieder ziektebeeld komt ons toe van Gods Vaderhand. En ook: niet ieder auto-ongeluk of ieder ziektebeeld komt ons toe van de Vijand. Soms zien wij heel duidelijk dat het van de Vriend komt, de Vreemdeling, die wij op Zijn Woord hebben leren vertrouwen. Als wij zien waarom, dan leert het ons iets belangrijks, maar zien wij niet waarom dan zeggen wij: Hij weet beter dan wij wat goed is voor de ontwikkeling van de strijd tussen de twee rijken.
Maar soms ook is een auto-ongeluk of een ziektebeeld zo duidelijk uit de koker van de Vijand, dat wij er .zeer verslagen door zijn. Toch zeggen wij ook hier: maar de afloop staat vast: in de diepte is de overwinning al bevochten. D-day is geweest.
Straks mogen ook zij die de Vijand geslagen heeft het feest van de Overwinning meevieren.
Ja eigenlijk liggen de vragen die hier rijzen soms nóg ingewikkelder, want als Paulus in 2 Corinthiërs 12 spreekt over het lijden, dat hem in die tijd trof (de z.g, doorn in het vlees) dan zegt hij beide: zowel dat het een engel van de satan is, die hem met vuisten slaat (12: 7) als dat het de Heer is, die niet van hem aflaat (12: 8). Merkwaardig, dat Paulus hier niet gladstrijkt naar de ene of naar de andere kant, maar beide vasthoudt: de engel van de satan slaat hem, en hij bidt tot de Here of die van hem wil aflaten.
Hij laat beide staan. Hierin nu zit iets zeer realistisch: een realisme, dat ik in de Catechismus mis: het werk van de duivel blijft het werk van de duivel. Punt. Dit zou in Zondag 10 niet ongenoemd mogen blijven. Maar tegelijkertijd zit in Paulus' woorden iets bijzonder vertroostend en bemoedigends, nl.
wat er ook gebeurt: niet alleen loopt het de Heer, de leider van het verzet, niet uit de hand, maar - meer nog - hij blijkt zó groot te zijn, dat Hij zelfs de gemeenste aanslagen van de Vijand kan inschakelen voor Zijn toekomst. Dàt is het antwoord dat Paulus van de Vreemdeling gekregen heeft, toen hij in zijn omstandigheden hem voorwierp: hoe kunt u, dit nu doen?
"Mijn genade is u genoeg, want kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid' (12 : 9).
Dat is hogere strategie. M.L heeft de Catechismus dit tweede wat in Paulus' woorden besloten ligt tot uitdrukking willen brengen. Maar .. als het eerste niet genoemd wordt, wordt het tweede alléén een karikatuur.
Als het tweede niet genoemd wordt, maar alléén het eerste, dan wordt God onmachtig en hebben veel ongelovigen terecht het gevoel dat hun een stuk geloof en troost ontnomen wordt.
Hier ligt ook een vaste bijbelse lijn die ons helpt om de theologische litteratuur over dit onderwerp kritisch te lezen: aan de ene zijde vinden wij schrijvers, die benadrukken dat ziekte en ongeluk' demonisch zijn en de schepping bederven - zonder excuus en zonder enig vroom toevoegsel. Dorothee Sölle is hiervan een voorbeeld. Zij strijkt glad naar de éne kant toe.
Er is geen sprake meer van Gods overmacht: alleen van de bitterheid van het kwaad, dat machtig is en de wereld bederft en àls wij het niet verhoeden de wereld overwoekert.
Haar realisme spreekt vele jongeren aan - het is harde en klare taal met nadruk op onze verantwoordelijkheid.
Iedere vrome - maar ook iedere gelóvige uitweg wordt de pas afgesneden. De vijand is bij haar oppermachtig.
Haar boek heet "Lijden" (Bosch en Keuning).
De tweede lijn maar dan in modern gewaad vinden wij vertegenwoordigd door Jurgen Moltmann met zijn boek 'De gekruisigde God". (Ambo-reeks). Hier is geen sprake van het lijden als het werk van de Vijand. Het is alles in God. De God, waarin Moltmann gelooft heeft een nachtzijde en een dagzijde.
Christus is die kant van God die ons verkondigt: in al het lijden ben Ik aanwezig. Straks zal de dagzijde van God doorzetten, maar nu is er nog strijd - je zou haast zeggen: in God zelf. Alle nadruk ligt hier uiteindelijk op Gods overmacht, maar ik mis het realisme van Paulus' "engel des satans".
Deze twee boeken zijn uit de hoek van de moderne theologie. Voor wie een boek zoekt over deze vragen dat van een orthodoxe visie op de bijbel uitgaat, wil ik nog noemen: Gods megafoon van C. S. Lewis of in de engelse taal van dezelfde schrijver 'A grief observed'.
Maar misschien heeft een van de lezers behoefte om een goed boek hierover aan te raden of zoekt u een meer complete bibliografie. In dat geval zou ik dat graag van u horen.
Voorlopig zet ik hier een punt achter mijn artikelen over het lijden.