Leringen van demonen
1979-02-16
Een veelbesproken vraag is de kwestie van de Christelijke vrijheid.- Jaargang 23
- nummer 7
Over die vrijheid in het natuurlijke, gewone leven zegt Paulus belangrijke woorden in het begin van I Tim. 4. Hier begint de tweede helft van de eerste brief, die Paulus aan Timotheüs richtte. Dat stuk wordt ingezet met de forse uitspraak: Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof.
De Heilige Geest sprak op een directe manier tot de apostelen.
Hij heeft naar de belofte van Christus deze dienstknechten van de Here in alle waarheid geleid. Wat de Geest tot de apostelen gezegd heeft vinden wij nog steeds in hun brieven.
Na de hooggestemde beschrijving van de verborgenheid der Godsvrucht (3 : 16) komt nu de voorspelling van zware tijden. Paulus ziet de afval komen. De Geest zegt het nadrukkelijk. Op welke manier de Heilige Geest het heeft gezegd deelt Paulus niet mee. Waarschijnlijk moeten we niet denken aan een mondeling of schriftelijk overgeleverd woord van de Here Jezus, maar aan een onmiddellijke openbaring door de Heilige Geest. De Heilige Geest heeft eens aan de broeders bekend gemaakt, dat het in Jeruzalem voor Paulus levensgevaarlijk was (Hand. 21 : 4, 11).
Zo heeft de Geest ook nadrukkelijk gezegd, dat in latere tijden sommigen zouden afvallen van het geloof.
In dat verband horen we over de werking van dwaalgeesten en boze geesten. Voor "boze geesten" gebruikt Paulus het Griekse woord "daimonia", demonen. Van deze demonen wordt gezegd dat zij aan het bestaan van één God geloven, maar ze doen dat sidderend (Jak. 2 : 19). De macht van demonen is heel groot.
Ze richten hun aanvallen op het door God geschapen leven, op de geschapen werkelijkheid. Daarom zegt Paulus, dat alles wat God geschapen heeft, goed is en niet verwerpelijk, wanneer het met dankzegging genomen wordt; want het wordt geheiligd door het Woord van God en door het gebed (4 en 5).
Timotheüs eerst, wij vandaag niet minder moeten goed weten, dat er dwaalleraars zullen komen. Als resultaat van hun werk zullen sommigen afvallen van het geloof. Ze zullen in opstand komen tegen de grote Schepper. Mensen, die leden zijn van de gemeente zullen met het geloof breken en de gemeente verlaten.
Wanneer? In latere tijden.
We moeten hierbij goed onderscheiden.
Petrus, Judas, Paulus zelf ook spreken soms over zondaars in de laatste tijd, in de tijd als hij op het laatst is en op het eind loopt. In de laatste tijd, dat is: tegen het einde.
Maar hier horen we heel algemeen over latere tijden. Tijden die op het schrijven van deze brief volgen.
Tijden vol dwaling en bijgeloof.
In zulke "latere tijden" leven wij ongetwijfeld. Tijden waarin sommigen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, door de huichelarij van leugensprekers, die in hun eigen geweten gebrandmerkt zijn. Waarschijnlijk heeft nooit eerder zo'n stortvloed van dwaalbewegingen het Christelijk erf overspoeld.
Wie er meer van wil weten raad ik dringend aan het nieuwste boek van dr W. J. Ouweneel, "Het domein van de slang" te bestuderen.
Timotheüs moest zich wapenen en de gemeente waarschuwen.
Wat gaat er gebeuren?
Het boek Openbaring spreekt van mensen, die zich niet bekeerden van de werken hunner handen om de boze geesten niet meer te aanbidden en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen zien noch horen of gaan (9 : 20). Paulus verwachtte voor latere tijden een bijzondere werking van duivelse, demonische machten. De Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen. In Openb. 16 horen we Johannes dit zeggen: Ik zag uit de bek van de draak en uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten komen, als kikvorsen; want het zijn geesten van duivelen, die tekenen doen, welke uitgaan naar de koningen der gehele wereld, om hen te verzamelen tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God.
Wat zal er gebeuren?
Sommige mensen zullen afvallen van het geloof. En met dat geloof is maar niet in het algemeen godsdienstigheid bedoeld: religiositeit, allerlei godsdienstigheid zal er bij de vleet zijn. Haar geloof, daarmee bedoelt Paulus het vertrouwen op het Woord van God, het echte geloof, het "ware geloof" waar zondag 7 van onze Catechismus over spreekt. Wat gebeurt er als mensen daarvan afvallen? Dan gaan ze misleidende geesten volgen.
Dan gaan ze breken met de waarheid en geloof hechten aan wat dwaalgeesten preken, die hen misleiden.
Die dwaalleer is aan de propagandisten van de leugen ingegeven door de demonen, zodat hun leringen leringen van boze geesten zijn.
De laatste dagen zijn begonnen toen Christus zijn rijk uitbreidde onder alle volken (Hand. 2 : 17).
Gods Geest is krachtig gaan werken.
God heeft die Geest uitgestort op jonge en oude mensen.
Maar dan komt de Boze en hij zaait onkruid op de grote akker, die de wereld is.
Allerlei menselijke regels en zonden verdrongen de goede, gezonde leer. De zwaarst verzoekingen komen van lieden die grote woorden gebruiken en indruk maken door hun fanatisme. Ze doen aanvallen op de vrijheid, die wij in Christus hebben. Het tweede vers zegt: door de huichelarij van leugensprekers, die een vertoning opvoeren, een show. In plaats van het geheim der Godsvrucht, het geloof in Christus, verkondigen ze hun eigengemaakte of door demonen ingegeven godsdienstige leefregels. Het zijn leugensprekers, die in hun eigen geweten gebrandmerkt zijn. Paulus gebruikt hiereen zeldzaam woord: brandmerken.
Hij bedoelt: deze mensen dragen het kenteken van een slaaf. Ze zijn geknecht onder een geheime zonde.
En dat weten ze. Want ze zijn in hun ge-we-ten gebrandmerkt. Mogelijk denkt Paulus hier aan het brandmerken van een misdadiger, waardoor hij als misdadiger publiek getekend is. Bij deze leraars staat het brandmerk niet op hun voorhoofd, maar wel in hun geweten.
Je kunt het niet aan hen zien. Voor het oog lijken ze vroom. Maar alle vuiligheid van deze wereld, waarvan de satan de overste is, dringt' daardoor de Christenheid binnen.
De zonden van de oude heidenwereld (Rom. 1: 24-32) zullen al meer voorkomen binnen de Christenheid (11 Tim. 3 : 1-8). Vaak in de vorm van brutale normloosheid, vaak ook in de vorm van een ernstig, schijnbaar vroom wetticisme.
Over dat laatste spreekt Paulus hier. Hij geeft een paar aanduidingen.
Deze leugenleraars verbieden het huwelijk en het genot van spijzen. We kennen het uit de kerkgeschiedenis.
Allerlei secten hebben eigen wetten en regels verplichtend opgelegd. En de grote, de officiële kerk van de Middeleeuwen heeft haar ambtsdragers, de priesters, en al haar monniken en nonnen het huwelijk verboden. Het gedwongen coelibaat heeft onnoemelijk veel verdriet en gewetensnood in duizenden mensenlevens gebracht. En met hoeveel smaad zijn Luther en Calvijn overladen, toen zij de ban van deze wet wisten te doorbreken!
Maar zij die geloven en die de rechte kennis van de waarheid hebben, erkennen God als de .
Schepper van datgene, waarvan de dwaalleraars het gebruik verbieden.
Dit geldt voor eten en drinken en trouwen, Wat in het geloof en met dankzegging uit de hand van God aanvaard wordt is niet verwerpelijk.
Het huwelijk verbieden en aandringen op onthouding van bepaalde voedingsmiddelen. Het is de neiging die in de beruchte gnostiek tot uitgroei is gekomen. Er zijn altijd bewegingen geweest die hun aanhangers het huwelijk en het eten van vlees totaal verboden hebben.
Daar zit altijd dit achter: God en de materie staan vijandig tegenover elkaar; de stof, het zichtbare, met name het menselijk lichaam, zijn minderwaardig.
Maar de Here heeft niemand verboden te trouwen, te eten en te drinken. Spijzen heeft God geschapen om met dankzegging te worden gebruikt door de gelovigen, die tot erkentenis der waarheid gekomen zijn. Het is de HERE, die al 't vlees zijn voedsel geeft. Om te gebruiken.
Adam mocht van alle bomen eten, behalve van de éne, die God hem verboden had. En tot Noach kwam dit woord: Alles wat zich roert, wat leeft, zal u tot spijze zijn; Ik heb het u alles gegeven, evenals het groene kruid.
Welaan, eet uw brood met vreugde en drink uw wijn met een vrolijk hart, want als gij dit doet, dan heeft God dit reeds lang zo gewild.
Laten uw klederen te allen tijde wit zijn en olie ontbreke niet op uw hoofd. Geniet het leven met de vrouw dit gij liefhebt al de dagen van het ijdele leven, die Hij u geeft onder de zon ... (Pred. 9 : 7-9).