Omtrent het kerkverband (1)

1979-02-16
  • Jaargang 23
  • nummer 7
Nadenken over het kerkverband zal voor de meeste lezers en lezeressen van Opbouw wel een weinig vreugdevolle zaak zijn.
Onze herinnering is een van verdriet, zo niet van verbijstering.
Het kerkverband, dat is voor ons: eindeloos vergaderen, acta, artikelen, twisten, moe worden, verwijdering, scheuring, formalisme, dwang, machteloosheid, rommel.
We hebben elkaar opnieuw ontmoet bij het Woord, het brood en de wijn; meestal in kleine groepen, een enkele maal nog in een talrijke gemeente en we hebben tegen elkaar gezegd: dit niet weer.
Onze ervaring met het kerkverband staat niet los van onze tijd. Van die tijd gaat een enorme dreiging uit. Temidden van instituten en organisaties, onder regelende overheden en ingebed in collectieve voorzieningen zijn woorden als vervreemding, verharding, materialisme, ontmenselijking en eenzaamheid kernbegrippen geworden, waarmee onze situatie wordt geduid. In kerkverbandelijke machtsaanmatiging herkennen we de geest .van de tijd. We zijn gering gemaakt en kunnen niet meer leven zonder vrede in de gemeente, waarin broeders en zusters elkaar zeer persoonlijk kennen als mensen die gered moeten worden. En we bidden God om in het geweld van de tijd ons gezin te willen sparen: je man, je vouw en je gedoopte kinderen.
Het kerkverband is voor velen onder ons een vreugdeloze zaak geworden.

In de binnenverbandse broederkring begrijpt men hier niets van. Dat kan men ook niet begrijpen, want op de dag dat men het zag, zou de huiver over wat is aangericht de broeders overvallen.
Bij de sluiting van de binnenverbandse generale synode van Groningen, vorig jaar, heeft de praeses met dankbaarheid vastgesteld dat de synode dienstbaar was geweest aan de komst van Gods Koninkrijk. Dezelfde synode heeft ook een herziene kerkorde vastgesteld. Het Nederlands Dagblad schrijft: " ... in dezelfde maand als vier eeuwen geleden, in 1578, de toenmalige synode van Dordrecht zich eveneens met een kerkorde bezighield". Er is vreugde en er is zekerheid; de reformatorische lijn loopt recht en is vier eeuwen lang. Terloops noemt de synodepraeses onze kerken als een voorbeeld van independentisme, waarin de -vrijheid ontaardt in bandeloosheid. Het komt geen moment in de hoofden van de broeders op, dat in de bermen van de rechte reformatorische weg wel eens geslagenen zouden kunnen liggen, niet bandeloos maar met handen gescheurd.

We menen dat zo te mogen zeggen, vanwege de schending van het recht. Het is geen geringe zaak als een huisgenoot op onrechtvaardige wijze de deur gewezen wordt; maar alle ontferming is geweken, als men vervolgens zegt: nu wordt openbaar wat er al lang in zat: een kind van de straat.
Diep in ons aller hart schuilt de hoogmoed. Het is mogelijk dat wij mensen onze hoogmoedige wil tot het nemen van rechtsmaatregelenaanzien voor van God gegeven genade, die onze ogen opende voor het kwaad.

Daarom zijn wij geroepen barmhartigheid te bewijzen aan hen die ons kwaad deden.
In onze eigen kring kan dezelfde hoogmoed een passend kleed ontvangen: wij zien onszelf louter als gestalte van de lijdende Knecht des Heren. De werkelijkheid is anders. Er is gemeenschap in schuld. De meest rechtvaardige onder ons draagt de schuld dat hij onmachtig bleek het kwaad te keren en deze berg te verplaatsen, ver weg, in het hart van de zee. De minst rechtvaardige mag zich afvragen, hoe vaak hij in zijn eigenzinnigheid het bloed onder de nagels van zijn broeders heeft weggehaald.

Dergelijke vragen liggen ons reeds van nature niet. We spiegelen ons lieven aan het imago van een vroom volk, bescheiden, ootmoedig, bereid om de minste te zijn, zonder grote woorden, zonder polemiek, wijs. Voor we het beseffen hebben we, wat eens een scheldwoord was, tot onze glorie gemaakt: wij zijn de fijnen.
In een mengeling van vroomheid en zelfbedrog moeten we ergens met de schuldvraag heen. De wetenschap, dat niet slechts wij, maar ook zij schuldig zijn, maakt het ons al gemakkelijker. Als iedereen, die binnen de kerkgemeenschap verkeerde, schuldig is, dan is eigenlijk niemand schuldig. In het algemeen schuldbewustzijn verdampt mijn persoonlijke bekering tot de gewenste maar onhaalbare bekering van allen. Met de vraag naar de zaaksgerechtigheid hoef ik niemand meer te vermoeien.

Intussen reikt de tijdgeest ons maar al te graag de briljante vondst van de onpersoonlijke schuldige aan: het kwaad zit in de structuren. Het menselijk lijden is niet langer fundamenteel bepaald door de zonde, waarvan ik mij bekeren moet, maar door de onmacht, die ik van mij afschudden moet. Dus moeten de mensen zich sterk maken. Morgen werpen zij de verderfelijke structuren omver. Daarmee sluit zich de cirkel van het geweld: geïnstitutionaliseerd geweld wordt actie-geweld, conservatistisch geweld wordt progressief-radicalistisch geweld, het geweld van de heersers wordt het geweld van de geknechten, het geweld van de geweldenaars dat van de geweldlozen. Vertaald in termen van de kerkwereld: hiërarchisch geweld wordt independentistisch geweld.

Wie zal in zulk een tijd met vreugde en met vrucht nadenken over het kerkverband? Hoe weet ik ooit, of mijn hart het hart van een heerser of eén dienaar is? Wie zal mij zeggen of ik mijn hart rein wist te bewaren, vrij van de geest van tijd? Het Woord zal het ons zeggen. We zullen het vanaf de kansel horen.
Onlangs ontmoette ik een goede vriend, die ik in jaren niet gesproken had. Hoe gaat het met je?, vroeg ik. Goed, zei hij, al zijn er altijd ups en downs. Veel downs?, vroeg ik; ik dacht er aan, hoe hij jaren vrije tijd gegeven had aan kerkwerk, jeugdwerk, onderwijs en wat niet al. Nee hoor, zei hij, we zijn dankbaar dat we met onze kinderen iedere week het Woord mogen horen en we hebben leren inzien, dat al het andere daarna komt, niet daarvoor.

Zo is het. Hoe bevrijdend! Wat een wonder, dat we binnen het bereik van het Woord gebleven zijn. Daar breekt alle geweld op stuk. En het verschaft men, nadenkend over het kerkverband, een vreugdevol program: de rommel bij Christus inleveren; doen wat je hand vindt om te doen; dankbaar wezen voor wat onze ouders ons hebben doorgegeven.

Het woord "kerkverbandrommel" is niet van mij; ik kwam het tegen in een artikel, dat Milo onder de titel "Twee of Drie" geschreven heeft in Opbouw van 6 oktober 1978. Dat artikel is niet minder dan een leidraad voor Schriftstudie. Hartelijk aanbevolen voor onze bijbelkringen en jeugdverenigingen! Het is niet alleen leerzaam, het is ook troostrijk.
Waar twee of drie getuigen zijn, dat is de Waarheid; waar twee of drie in Christus Naam samenzijn, dat is Hij in hun midden. Twee of driemaal luiden de gemeenschap der heiligen in; wie eenzaamheid heeft gekend, kent ook het geluk van het deelgenootschap in twee of drie getuigen. Een bevrijdende beleving, schrijft Milo.

Aan het slot van zijn artikel spreekt de schrijver over de moeilijke tijden, die de gemeente naar Gods voorzeggingen staan te wachten: Al die kerken met torens en kosters worden zomaar geregistreerd als de Boze komt. We moeten weer leren omgaan met schuilkerkjes, als in vroegere boze dagen.
De heiligen der laatste dagen zullen waarlijk geen Kerkelijk register, geen notulenboek en geen kerkverbandrommel meetorsen. Ze zullen vervuld zijn van de Waarheid: een hart vol van beloften, een mond vol profetie. En zelfs als ze doodgeslagen worden zullen ze nog in meervoud zijn: twee.

Die allerlaatste zin is waard om lang over na te denken. Ik heb dat "twee" uit Openbaring 11 steeds beluisterd als duiding van de extreme situatie, waarin de gestalte van de kerk publiek tot het minimum is gereduceerd.
Wat een troost, als je broeder je leert hoe geladen, hoe positief dat "twee" is: het staat voor Waarheid en Gemeenschap. Die blijven, als al het andere weg is. Niet slechts de gebouwen met torens en kosters, niet slechts de registers, notulenboeken en het kerkverband zijn weg, ook de eredienst, ook de ambten, de preek, het samen zingen waarvan Milo zulke treffende dingen zegt, het onderwijs, het huisbezoek, de diaconale hulp, het schuilkerkje zelf. Ja, zelfs het schuilen is de gemeente ontnomen: wat er gebeurt, gebeurt publiek, op de straten van de stad.

Toch zit ik met een moeilijkheid. Ik kan de zin over het kerkelijk register, het notulenboek en de kerkverbandrommel moeilijk anders verstaan dan een noemen van zaken die belasten; die worden niet meegetorst, zo lees ik. Getorst.
Register, notulenboek en kerkverband zijn hier symbolen. Daarbij wordt het kerkverband, zoal niet geïdentificeerd, dan toch niet meer onderscheiden van rommel.

Toen ik ouderling werd, heb ik mijn handtekening gezet in een register, een goedkoop gekartonneerd schrift, dat op de eerste bladzij een korte en sobere verklaring heeft, waarin staat dat de ambtsdragers dankbaar zijn voor de vrijmaking uit synodale hiërarchie en zich zullen houden aan het Woord, de confessie en de kerkorde. Zo is het ook: christelijke vrijheid gaat samen met gehoorzaamheid aan Gods Woord en aanvaarding van hetgeen onze ouders ons hebben doorgegeven, de belijdenis en het schriftuurlijk recht. Dit register loopt vnaaf 1946. Met ontroering heb ik gezien, dat de eerste handtekening die van mijn vader is, de tweede die van de vader van mijn vrouw.
Ze zijn reeds lang ontslapen. Dat schrift maakt voor mij Gods trouw zichtbaar, tastbaar. Ach ja, de gemeente kan er wel zonder als het moet, maar het is dan inderdaad de Boze, die je afneemt wat erg fijn is om te hebben.

Zo is het ook met het notulenboek. Ik kan er in lezen, hoe onze ouders en zij die ons zijn voorgegaan gedacht, gesproken en gehandeld hebben en ik kan ook lezen wat ikzelf beloofd heb. Dat notulenboek is namelijk betrouwbaar, twee getuigen hebben er steeds weer voor getekend.

En het kerkverband?
Als we, daarover denkende, nu eens begonnen met dankbaar te zijn.
De dagen van de Boze kunnen komen, waarin dat kerkverband ons wordt ontnomen. Dan zijn wij in nood. Niet zo, als zouden we de Waarheid verliezen. Denk aan de twee getuigen. Twee.
Wie het kerkverband verliest, verliest hulp.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief