Pastorale notities

1979-02-24
  • Jaargang 23
  • nummer 8
Evenals vorige week ook nu iets over de Duitsers. Zij herinneren zich de Joden, maar ze hebben ook hun eigen verliezen. In vrijwel elke Duitse huiskamer hangt een portret van een man in uniform. Vader of zoon. Gesneuveld. Waarvoor? In een klein dorpje in de Palts zag ik een bord met de namen van de gevallenen. Een lange rij, uit dat éne dorp. Er stond een Bijbeltekst onder die namen: “Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden. “ Joh. 15:13.
Was dát het sterven van die mannen aan het Oostelijke front? Hebben zij zich daarheen begeven om hun leven te geven voor hun vrienden? Mocht de plaatselijke pastor dit als troost aanreiken aan de moeders en vaders? Maar misschien heeft hij gedacht: dit is beter dan een nationalistische kreet. Op school las ik indertijd in het oefeningenboek de latijnse zin: Dulce et decorum est pro patria mori. Het is een aangenaam voorrecht en een eer om voor het vaderland te sterven.
Het was een Geref. gymnasium en de leraar voelde zich geroepen om hierop commentaar te geven. Dit is heidense gedachte, zei hij. Alsof het sterven voor het vaderland iets verhevens is, in tegenstelling tot het sterven thuis, op je bed, aan t.b.c. Zo’n opmerking van de leraar laat je nooit meer los.
Hoe vaak wordt het niet gezegd: sterven op het veld van eer. Duitse oorlogsbegraafplaatsen heten: erevelden.
“Het vaderland”, de “Natie”, gemakkelijk wordt dit een afgod. Ik voel me niet op mijn gemak als op of na de dertigste april het eerste couplet van het Wilhelmus gezongen wordt. Die woorden passen immers allerminst in een eredienst aan God. Er schiet bij het zingen de mensen wel een brok in de keel, maar dat is vanwege nationale gevoelens. En wat is een Nederduits of Ned. Geref. Kerk? De wortels van die namen liggen in de geschiedenis, dat weet ik wel, maar daarmee is het nog niet geod. Een nationale kerk, dat kan gewoon niet; dat is in strijd met Kolossenzen 3:11.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief