Omtrent het kerkverband (2)

1979-02-24
  • Jaargang 23
  • nummer 8
Onze bijbelkring, die iedere veertien dagen een avond samenkomt, maakt met dankbaarheid gebruik van de artikelen "hulp bij bijbelstudie" , die van de hand van ds M. R. van den Berg in Opbouw verschijnen en die ook in gebundelde vorm in de reeks "Zicht op de Bijbel" worden uitgegeven door Buijten en Schipperheijn te Amsterdam. Het zijn fijne en praktische Schriftverklaringen, in heldere taal geschreven. Zo ook de bundel over de brief aan de Colossenzen.
Bij de bespreking van hoofdstuk 4 vrs. 15 e.v. maakt ds Van den Berg enige opmerkingen, die kerk en kerkverband raken.
Zo lezen wij, dat ons denken over de kerk altijd zo verinstitutionaliseerd geweest is en dat wij de kerk altijd zo binnen het kader van een kerkelijke organisatie gezien hebben en dat organisatieschema zo wézenlijk achtten voor de kerk, dat de nieuwtestamentische tekening van de kerk, zoals we die in de besproken Schriftplaatsen tegenkomen, bij ons nooit kon overkomen.
Reeds uit het "altijd" en "nooit" kan ons blijken, dat de zaak de schrijver zwaar ligt. Wij vragen: ligt het nu werkelijk zo? Het thema wordt op onderscheiden punten uitgewerkt.
Als de apostel de gemeenten van Colosse en Laodicea opdraagt zijn aan hen gerichte brieven over en weer te lezen, merkt ds Van den Berg daarbij op: dat is nu gemeenschapsoefening tussen zusterkerken en dat nog wel zonder kerkenordening. Hij vergelijkt deze briefwisseling met onze kerkelijke correspondentie op het niveau van kerkelijke vergadering en kerkeraden, met als gevolg, dat de gemeenten zelf het op z'n best moeten doen met een nietszeggend verslagje. Iets dergelijks signaleert ds Van den Berg met betrekking tot vermaningen aan het adres van ambtsdragers.
Paulus liet die voorlezen in de gemeentesamenkomst, maar wij hebben dat verwezen naar de kerkeraadstafel, censura morum en zulks zelfs in onze kerkenordeningen vastgelegd.
Ds Van den Berg wekt ons op, over deze dingen eens door te denken en dat willen we graag doen. Het gaat mij daarbij nu niet zozeer om de voorbeelden zelf, al meen ik te mogen zeggen, dat de schrijver wel licht heenglijdt over de wijze, waarop het apostelambt zelf blijkens klare mededelingen van de Schrift geïnstitutionaliseerd is en over het daarmee samenhangende feit, dat er sedert de twaalf apostelen van het eerste uur geen apostelen meer geweest zijn. Wij hebben geen persoonlijke Paulus met zijn apostolisch ambt en apostolisch gezag, die ons kan opdragen apostolische brieven van vandaag te lezen en uit te wisselen. Er moge twintig eeuwen geleden geen kerkeraad en kerkenordening geweest zijn, thans zijn er geen apostelen meer, die in relatie staan met recentelijk door hen gestichte zendingsgemeenten. De brieven van vroeger, die hebben we nog wel als een onvervreemdbaar bezit van Christus' kerk en we wisselen die ook uit: de boekjes van ds Van den Berg zijn daarvan een bewijs.

Is het nu waar, dat onder ons het leven van de gemeente en tussen de gemeenten klem geraakt is tussen instituten als kerkeraden en kerkverbanden met de kerkenordeningen erbij?
Zijn organisatie en institutionalisering gevaren, die ons bedreigen? Ik meen hiermee de tendenz van ds Van den Berg's opmerkingen wel goed te hebben samengevat.
Hierbij moeten wij nog wel nader onderscheiden. De bezwaren van ds Van den Berg richten zich niet zozeer tegen de wijze van gebruik van organisatie en institutionalisering onder ons, maar veeleer tegen dat proces zelf.

Hij richt zijn verwijt ook aan óns, niet aan de roomse kerk met haar hier archie en bureaucratie, niet aan de hervormde of synodaal gereformeerde
kerk met de vele landelijke raden en kerkelijke bureau's, maar aan ons, vrijgemaakten. Niet dus aan die kerkgemeenschappen, waar de idee van een voortgezet apostolisch gezag hand in hand is gegaan met een centralistische, hiërarchische en bureaucratische institutionalisering van de kerkelijke samenleving. De kernvraag is: zijn wij nu vrijgemaakt of zijn we het nog steeds niet?

Onlangs heb ik samen met mijn zoon onze tuin klaargemaakt voor het volgende voorjaar. Wij zagen ons genoodzaakt de woekerende hedera, bij ons gebruikt als bodembedekker, fors in te tomen: de planten wrongen zich langs brem en sierheesters naar boven, naar het licht. Het resultaat van ons zwoegen overziende vroeg ik hem wat bezorgd of we niet te fors waren geweest en de planten onherstelbaar hadden beschadigd. Nee, antwoordde hij, die hedera organiseert zich wel weer.
Planten leven, zij organiseren zich. Uit de Schrift weet ik, dat wij mensen de planten zeer ver te boven gaan. Mensen die leven organiseren zich.
Mensen die christelijk leven organiseren zich naar het beeld van God, naar het licht. Zij brengen zichzelf in een levend verband. Zo zijn ze geschapen.
Fundamenteel heeft God dat al voor hen gedaan: Hij schiep de verbanden, huwelijk, gezin, gemeente en Hij gaf ons de opdracht, nu maar verder te bouwen. Organiseren is cultuur van de goede soort. Om te kunnen organiseren, moet je vrij zijn.
Als het begrip "organiseren" voor ons een louter negatieve klank heeft, dan zitten wij op het verkeerde spoor. Dan laten we, zo vrees ik, ons door de wereld een goede scheppingsgavé van God ontroven.
De zonde heeft altijd vernield wat goed was, gebroken wat harmonisch was, uiteengescheurd wat samenhoorde. Statuten, regelingen, notulenboeken, registers, procedures, het kan allemaal harmonisch deel uitmaken van organiseren, van het zoeken van een levend verband. Maar de Boze haalt de dingen uit elkaar; hij zet elementen van techniek, d.w.z. van ons cultureel handelen, brengt ze in een ander verband, verzelfstandigt dit en gebruikt zijn schepping als overste van deze wereld. Zo maakt hij de cultuur dienstbaar aan de dood. Weinig machtsmiddelen zijn in zijn hand zo effectief als die van organisatie en instituut. De wereld om ons heen is daar vol van. De kerkgeschiedenis getuigt ervan. Het is goed, als wij bevreesd zijn, terecht als we waarschuwen. We moeten onszelf niet overschatten, zondige mensen als we zijn, belust op macht.

Overal waar een van Gods fijnste scheppingsgaven, het gezag, werelds verminkt wordt tot tirannie, zullen wij moeten strijden voor herstel van gezag als dienst. Zo zullen wij overal, waar organisatie en instituut het leven verstikken en de mondigheid roven, moeten strijden voor organisatie, die de weg naar het Licht helpt vinden. In het brandpunt van dit gebeuren staat -de ontiwikkeling van het recht. Werelds recht, dat die naam niet mag hebben. Christelijk recht, dat de zonde, het kwaad en de vernieling ontmaskert. Recht dat zich ook organiseert in geschreven regels, opdat ik het kan kennen, lezen en hanteren, tegenover mijzelf en tegenover mijn naaste.
Als het goed is, is het een voorrecht een kerkeraad, een kerkverband en een kerkenorde te hebben.
Hetgeen ons in 1 Samuël 30, de verzen 21 tot en met 25, beschreven staat, moge ons tot onderwijzing strekken.

U kent de geschiedenis.
David verblijft met zijn mannen bij de Filistijnen, in Siklag. Als hij ten strijde is uitgerukt, komen de Amelekieten, verwoesten Siklag en nemen vrouwen, kinderen en alles mee. Als David terugkeert - de Filistijnen vertrouwen hem niet - en de vernieling aanschouwt, trekt hij met zijn mannen de Amelekieten achterna. Zo moe als ze waren. Want ze hadden geschreid, tot ze geen kracht meer hadden. Zeshonderd man gaan mee.
Als bij de beek Besor tweehonderd niet meer kunnen, gaat David met vierhonderd verder. Hij verslaat de vijand. Alles wat die geroofd had, brengt hij terug.
Dan komt het conflict. Teruggekeerd bij de beek Besor verenigen zij zich met de tweehonderd, die achtergebleven waren. Maar er zijn boeven en booswichten onder de volgelingen van David. Die willen niet dat de tweehonderd in de buit delen. Want de tweehonderd zijn niet meegeweest; ze hebben niets gedaan, geen gevaar gelopen, zijn lekker uitgerust. Ze kunnen hun vrouwen en kinderen krijgen, maar de buit, daar blijven ze van af.

Zie nu, hoe "David koninklijk het recht bestelt:

a. Neen broeders, dat kan niet. Het gaat hier om een gave van Jahwe. Hij heeft ons beschermd en Hij heeft de bende, die ons had aangevallen aan ons overgeleverd (de rechtsgrond).

b. Dacht U dat iemand het met zo iets eens kon zijn? Het deel van wie ten strijde trekt is ook het deel \iàn wie bij de tros blijft. Ze moeten samen delen (de rechtsregel).

c. Zo is het sindsdien gebleven; David maakte het toen tot wet en recht in Israël en het geldt tot op de huidige dag (de institutionalisering van het recht binnen het kerk-staat verband). (zie vers 23-25, Willibrordvertaling).

Is de sprong naar ons Akkoord van Kerkelijk Samenleven te groot? Ik citeer de artikelen 31 en 40, zoals die door onze Landelijke Vergadering van Wezep zijn aanvaard:
a. De Kerken, die van Christus zijn (het gaat hier om een gave van Jahwe)
b. werken eendrachtig samen. Zij wekken elkaar op het Woord van God te bewaren en te blijven bij de leer van de kerk naar de "formulieren van enigheid". Zij helpen en dienen elkaar ... (ze moeten samen delen).
c. De kerken beloven elkaar dit gemeenschappelijk aangenomen akkoord naar vermogen te onderhouden met inachtneming van wat Gods Woord gebiedt (het geldt tot op de huidige dag).

Ik weet zeer wel, dat er in dat akkoord nog wel wat meer en andere dingen staan. Indien wij echter ons laten beheersen door "het is een gave van Jahwe" en "ze moeten samen delen", dan zullen wij onszelf behoeden voor uitgesponnen, overbodige, perfectionistische bepalingen en procedures, voor juristerij. De artikelen moeten kunnen herleid worden tot wat christelijk en kerkelijk recht is.
Als we zeggen "getrapt" te zullen vergaderen, zullen de broeders recht doen, ze vertrouwen en geen onnodige tijdsbeslag van hen vragen. Als we zeggen "rechtstreeks" te zullen vergaderen, zullen we de broeders recht doen en minderheden aan het woord laten.
Als we zeggen, dat de kerken het agendum samenstellen, zullen we de broeders recht doen en geen stem van een kerk, hoe klein die zij, smoren; of ook geen kerken overheersen, door als landelijke vergadering maar zaken op te voeren. .
En zo voorts. Een bijzonder aspect van het recht is de bescherming van wat klein is, of zwak, of in de minderheid. De tweehonderd aan de beek waren een minderheid.
In de discussies op de Landelijke Vergadering van Kampen heeft de rapporteur van de Kommissie Funktionering Kerkverband eens gezegd "dat een kerkenorde geen andere bedoeling heeft, dan de vrijheid en het recht van de zwakke te beschermen". Deze zin is, zij het wat verdwaald, terecht gekomen in het informatieboekje 1977 van onze kerken. De redacteur van het jaaroverzicht, ds G. Janssen, heeft daar tussen haakjes drie vraagtekens achter gezet.
Nu maar hopen, dat hij ze thuis weer uitpoetst.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief