Voorwerp van landverhuizing
1979-02-24
N.a.v. dr J. Stellingwerff, Amsterdamse Emigranten, Buijten & Schipperheijn, A'dam- Jaargang 23
- nummer 8
Uit de door dr Stellingwerff gepubliceerde brieven hebben wij u twee gereconstrueerde legpuzzeltjes gegeven. We willen u nu de derde aanreiken maar verklaren uitdrukkelijk, dat u hiermee nog maar enkele details hebt gezien. Het boek van Stellingwerff leest als een roman, biedt u ontzaglijk veel historisch materiaal, geeft een eerstehands licht op de geschiedenis der gereformeerde kerken en boeit ieder, wiens familie al of niet bij de landverhuizing betrokken is. Vandaag dus Budde, de kleine Amsterdammer, door sommigen als slachtoffer van de emigratie gezien, in werkelijkheid een van die trouwe gelovigen, die hun hoop vestigden op de Heere hun God.
Toen de familie Hospers in het vorige artikel genoemd, naar Amerika vertrok, telde zij negen kinderen. Ze kwam met zes aan. Toen de broer van J. A. Wormser, met zijn gezin geëmigreerd, wegens teleurstellingen naar Amsterdam terugkeerde, had hij eveneens drie kinderen verloren.
De kindersterfte, als gevolg van moeilijke en langdurige reizen, armelijke onderkomens in pioniershutten, gebrekkig vervoer en vele ziekten, teisterden alle gezinnen die de reis waagden. De brieven spreken over walgelijk ongedierte, onhygiënische toestanden, gebrekkige en eenzijdige voeding, onvoldoende kleding, inwoning en verdere ongemakken. Geen wonder dat veel emigranten aan hun familie schreven: zo lang je het daar kunt uithouden moet je niet weggaan. Over de kolonie van ds Van Raalte (Michigan) werd verteld dat zij al twee maal was uitgestorven, dat er talloze zieken en doden waren. Men bedenke echter dat de teleurstellingen, de wanhoop en het gemurmereer voedsel gaven aan kwade geruchten.
Bovendien was er een "concurrentie". Iedere kolonie had nieuwe emigranten nodig om te bestaan, schreef daarom gewild of ongewild goede dingen van eigen vestiging en kwade van andere gemeenschappen. Het zevende gebod was in ere, het negende niet.
Tegen die achtergrond geven de brieven van de Budde's (de vrouw schreef dapper mee) 'n ernstig maar reëel beeld van mensen, die onder beproeving en tegenslag hebben volhard tot het einde. Budde, zoals u zich herinnert, bood zijn huis aan voor de samenkomsten der afgescheidenen; was een vriend van Wormser, met wie hij geschorst is. Het oordeel van een officier van justitie over hem luidde: "geboren in Oost-Friesland, wieldraaiersbaas, tamelijk welopgevoed, maar ongeschikt om een voordracht te doen".
Dat was een beoordeling uit de tijd van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (en van het intellect in het bizonder). Maar als u vandaag zijn handschrift beziet (356) zou u waarschijnlijk heel wat gunstiger oordelen.
Hetgeen door Budde's levenswandel bevestigd is.
Inderdaad, ook Budde is van Duitse afkomst, Luthers gedoopt, lid geworden van de staatskerk, later afgescheiden en in lowa vrijwel aan zichzelf overgelaten. Roerend is hoe de vrouw van Budde op haar levenseinde Duitse gezangen ging uitschrijven: haar cirkel werd gesloten.
Ze zijn in Burlington aangeland, dat is in de Zuidoosthoek van lowa, niet te ver van Pella. Er was geen organisatie, als van Scholte; de contacten waren niet gereformeerd: men sloot zich aan bij Duitse of Engelse methodisten, waar men maar iets kon verstaan en gemeenschap vond. Andries Wormser, de oudste broer van de deurwaarder, die zijn teleurstellingen bij Budde heeft opgedaan, schreef: Budde zou misschien alleen al zijn geëmigreerd, als hij naast de psalmen ook gezangen moest zingenmaar hier worden enkel gezangen gezongen. Budde had hem gezegd, dat de bouw van een eigen kerk overwogen werd - maar daar zag Andries niets van komen.
De goede berichten over Amerika, uit de brieven van Scholte en Van Raalte en uit het door Brummelkamp gepubliceerde boekje, noemde men in Burlington "kwakzalverij". Ook de reeds aanwezige Zeeuwen zouden hun familie hebben ontraden over te komen. "De godsdienst is ook niet veel", schreef een vriend aan Budde (met het typisch Duits gebruik van een woord, dat eredienst betekent); al wat men hier vindt is brood en vlees, al het andere is slecht, onbruikbaar, duur of schaars. Het eten bij de Budde's was rapen, uien en gedroogde appelen, om en om. De aardappelen van de slechtste kwaliteit, als knollen. Het huis van Budde was als een gevangenis, schreef Andries' vrouw; men roept over Amerika, maar als men er is beklaagt men zich. Ze zei tegen Budde's vrouw: ik zou nooit zo de hele dag op het land kunnen werken; ik kan het ook niet, was het antwoord, maar het moet wel. Alle tijd, alle energie bleek nodig te zijn om het vege leven in stand te houden; tot ontspanning kwam niemand, het werk stond alleen stil vanwege de ziekten. Deze ziekten worden realistisch beschreven - hebt u wel eens een bierglas vol lintworm gezien?
Een op de 25 mensen kende Engels; de anderen bleven vreemdelingen en bijwoners. Scholte's vrouw zei, bij haar sterven: een vreemdeling in een vreemd land. De meeste contacten met Hollanders waren dan ook niet opbouwend: er was een algemeen gemurmereer om een term uit de statenbijbel te gebruiken. Ook Andries Wormser ontkwam niet aan het défaitisme.
In gesprekken met Budde kwam dit uit. Hij vroeg hem: hoe kon je ons schrijven dat je met je grond kan rondkomen? Budde bleef het antwoord schuldig, of noemde cijfers die later (vgl. 168 en 209) gehalveerd werden.
Toen Andries langzamerhand besloot terug te gaan, voelde Budde zich verlegen. Heb ik het jullie te mooi voorgesteld? vroeg hij. Niet alleen jij, was het antwoord, maar álle brieven van de landverhuizers waren veel te mooi. Er blijkt niets te deugen.
Op grote afstand en na 130 jaar kunnen we die brieven beter verstaan.
Zo lang de pioniers positief geladen bleven, als Hendrik Hospers, waren ze met alles blij, proefden overal Gods goedheid en prezen zijn genade om de vrijheid, die ze hadden. Elke kans werd aangegrepen, elke tegenslag als een uitdaging aanvaard. Schreven ze naar hun familie dan zullen de inlichtingen wel van de zonnigste kant zijn geweest. Maar was er kindersterfte, armoede, kou, ziekte, geen werk of een lege beurs, dan verleerde iemand het lachen wel.
Een broeder was knap in het schrijven van lange klaagbrieven. Als u zijn brieven leest, de sufferd die nu eens zijn spoorkaartje verloor, dan zijn beddegoed ergens achterliet, nu hier te gast was (en zich bitter over de sobere kost beklaagde), dan daar weer geld leende zonder kans het ooit terug te betalen (223), of een predikant van ketterij beschuldigde omdat hij hem niet kon volgen (242, 251), dan weer zo veel Hollanders bij elkaar zou willen hebben, dat men "zijn eigen wetten kon handhaven" (... 246), dan moet u toegeven: zulke broeders aan uw nek zou de lankmoedigste gezond opbreken! Maar intussen bereikte een van zijn brieven de vaderlandse publiciteit bij de vijanden en ging gedrukt van hand tot hand. De man betreurde dat en vond het ongepast, maar ging door met zijn jeremiades; kwam terug in Nederland, vond het daar ook maar niks en emigreerde opnieuw. En hij was niet te enige gelovige brekebeen.
Objectief gezien hebben de pioniers, na enkele jaren van grote moeilijkheden, zegen op hun moeite geoogst. Ze hebben hele steden gebouwd. Ze hebben tal van Schriftgetrouwe kerken gesticht. De volgende generaties hebben het geestelijk en stoffelijk goed gekregen. Maar dat kwam allemaal na de dood van de familie Budde.
Budde heeft aan Wormser vergeving gevraagd, voor geval hij zijn vrienden te schone dingen had voorgespiegeld. Maar bij diepe naspeuringen kon hij slechts weinig vinden, waarin hij gefaald mocht hebben; en krachtig ontkende hij dat hij de Wormser's zou hebben geronseld. Hun vriendschap stelde hij op hoger prijs dan hun aanwezigheid.
De vriendschap van Wormser heeft het uitgehouden. Wormser heeft de klachtenlijst van zijn broer en schoonzuster aangehoord en naast zich neergelegd: zijn liefde tot alle heiligen won het van Andries' défaitisme.
Toch is Wormser nooit geëmigreerd, wat geen verlies betekende.
In Februari 1849 schreef Budde aan Wormser, dat het binnen twee jaar redelijk zou worden. Reeds Maart 1850 kon hij melden: we hebben tot nu toe geen berouw, denken aan geen teruggaan, geven toe dat de verandering groot is en men erg moet wennen, maar zijn zo blij met de vrijheid en het buitenleven, dat we de zondige wereld kunnen missen en de Heere prijzen. De oogst is het vorig jaar zeer voordelig geweest en onze Jan, die het eerst ook niet zag zitten, pakt nu geweldig aan.
Het heimwee naar de "vriendenkring" is tot het einde gebleven. Toch prijzen de Budde's de Heere, want "wie in 't stof lag neergebogen wordt door Hem weer opgericht". Ze zouden wensen voor een tijd onder de oude vrienden te zijn - maar alleen de Heere weet, of dat nog aan deze zijde van het graf mogelijk is. "Anders zullen wij elkaar toch in de zalige eeuwigheid ontmoeten en in het hemels loflied mee instemmen".
Dat wordt meer en meer het thema van Budde's brieven: de rust is elders, het zal hier haast zijn gedaan. Ginds zullen we elkander bij Christus terugzien, nadat wij nog korte tijd hebben volgehouden. Gemeenteleven hebben ze in feite nooit meer gesmaakt - maar de gouden band met Wormser was hun levensvreugd. Wormser was hierin op zijn best, blijkt uit de reacties.
December 1852 sloten de Budde's zich aan bij de Hollandse Gereformeerde Kerk van New York (vele dagreizen ver) en samen met enkele Duitse families vormden ze een filiaaltje. De "Classies" spraken gauw weer een woordeke mee (ergens zat men "onder de classies") en synodes hielden niet op. Toen het filiaaltje te gering werd sloten ze zich aan bij een presbyteriaanse gemeenschap, waartoe hun nakomelingen nog behoren. Maar het tastte hun geloof niet aan: ze haalden het einde, kort na elkander. In 1872/3 zijn ze in Mount Pleasant, bij hun kinderen, overleden. Nauwelijks in de zeventig, maar zich noemende en schrijvende oud en der dagen zat.
Veel hebben ze in hun leven gemist - veel zijn ze ontlopen. Was hun emigratie verantwoord of zijn ze misleid? "Moeite en verdriet zijn ons niet bespaard gebleven", schreef Budde's vrouw. Vragen, die vandaag niet kunnen worden beantwoord. Maar de reformatie kreeg vaste voet in Amerika, gaf haar aandeel in een zeer gemend gezelschap. Nog altijd gelden in de States de papieren van Nederlands-calvinistische oorsprong als adelbrieven.
In 1874 schreef Groen van Prinsterer over Budde: een christen uit de nijvere burgerstand, die lange tijd zijn huis open zette voor de onderlinge samenkomsten en catechisatiën. Hij vertrok in 1847. De vriendschap bleef levendig door vrij geregelde correspondentie. Zijn vrouw overleed in 1872, hijzelf in 1873. Hun kinderen gaat het zeer goed, evenals het hun reeds spoedig na hun aankomst voorspoedig ging.
En neemt u verder Stellingwerff's boek zelf maar ter hand. Uw belangstelling zal nu wel gewekt zijn.