JEREMIA
1979-03-02
Niet ingaan vanwege ongeloof. Zo ligt het ook met Gods beloften in Jer. 33. De ontrouw van Israël sluit de weg naar Gods toekomst niet af.- Jaargang 23
- nummer 9
Die toekomst is niet tegen te houden.
Jeruzalem zal weer herbouwd worden.
Het volk zal weer terugkeren uit de ballingschap. De geslagen wonden zullen weer worden geheeld. De stem van de bruidegom en van de bruid zal weer klinken. Er zal weer feestgevierd worden. De schapen zullen weer weidegrond hebben. Vergeving en vrede zullen volop geschonken worden (vss. 6 v.v.). Dat zal allemaal gebeuren. Want het maakt deel uit van Gods verlossingsplan, van zijn heilsplan, dat uitmondt in de komst van de Spruit der gerechtigheid, de grote Zoon van David, de Messias (vss. 14 v.v.).
Het komt allemaal. Onstuitbaar. Ook als er bij het volk zelf nog geen sprake zou zijn van geloof en bekering.
Maar of men dan ook zelf zal delen in de vergeving van persoonlijke schuld en persoonlijke zonden, dat is afhankelijk van de vraag of men persoonlijk al of niet leeft uit het geloof.
Dié samenhang wordt aangeduid in vs. 3: roept tot Mij en Ik zal u antwoorden.
Zo is het mogelijk te delen in Gods heil dat Hij geeft in het kader van de realisering van zijn heilsplan en toch niet te delen in datgene waarop dat heil uiteindelijk uitloopt. Zo trokken alle Israëlieten onder Mozes uit Egypte en door de Rode Zee en achter de wolk aan. Ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel en dronken allemaal water van de geestelijke steenrots, Christus. Anders gezegd: ze deelden allemaal in Gods verlossing, in het heil dat Hij aan zijn volk uitdeelde.
Maar toch heeft God in het merendeel van hen geen welgevallen gehad. Ze stierven in de woestijn en kwamen niet in het beloofde land (1 Cor. 10: 1-11). En waarom bereikten ze het beloofde land niet? Ze konden niet ingaan vanwege hun ongeloof (Hebr. 3 : 19).
Plasregens
Luther heeft daar eens een prachtig beeld voor gebruikt. In zijn tijd waren de mensen voor hun drinkwater sterk aangewezen op de regenval. Ze moesten de regen opvangen in regentonnen.
En als er een enorme plasregen op komst was, moesten de mensen ervoor zorgen dat hun regentonnen buiten stonden. Want anders zaten ze, als de regen weer voorbij was, zonder water.
Zo is het ook met Gods heil. Als God dat laat neerregenen, zorg er dan voor dat je tonnetjes buiten staan. Anders sta je straks met lege handen en zit je zonder water.
Jahweh zal weer met zijn plasregens van heil naar Israël toekomen. Daar zal heel het volk van profiteren. Ieders tuintje wordt weer groen en fris. Maar als iemand vergeet zijn regenton buiten te zetten en dat heil niet opvangt in geloof, heeft hij er uiteindelijk toch geen baat bij. Dan blijft hij leeg achter.
Dat is ook wel gebleken. De plasregens van Gods heil zijn gekomen voor Israël. Het volk is teruggekeerd uit Babel naar Jeruzalem. De stad en de tempel zijn weer herbouwd. De Messias is gekomen. Dat waren allemaal bewijzen die lieten zien dat God doorwerkte aan zijn heilsplan, Dat plan was niet te stuiten. En Israël deelde in dat heil. Wonden werden genezen.
Christus trok zegenend en zonden vergevend door het joodse land. De sluizen van Gods vrede gingen open.
Maar toch hebben toen de meesten hun regenton niet buiten gezet. Ze hebben wel de verfrissende bui over zich heen voelen gaan. Maar hun ton bleef leeg.
Meerwaarde
De plasregens van Gods heil zijn er de hele geschiedenis door geweest.
Want God wil naar een nieuwe aarde toe, waar het leven volledig genezen zal zijn van alle zonden en wonden.
De ontrouw van Gods volk kan dat niet tegenhouden. Zelfs het verwerpen van de Messias kan dat niet. Zelfs als Israël dat gedaan heeft, laat God zijn heilsbeloften voor Israël niet schieten. Hij blijk trouw aan zijn verbond aangaande Juda en Jeruzalem.
En de tijd komt, zegt Paulus in Rom. 11, dat die beloften ten volle vervuld zullen worden.
Dat is nog niet gebeurd. Israël is wel teruggekeerd uit Babel. De Messias is ook gekomen. Maar er zijn in Gods beloften nog elementen die nog vervuld moeten worden. Ik zal hun één hart en één weg geven, zodat ze Mij vrezen al de dagen (32: 39). Ik zal mijn vrees in hun hart leggen, zodat zij van Mij niet afwijken (32 : 40). Ik zal hen voorgoed in dit land planten (32 : 41).
Heeft Israël na de terugkeer uit Babel de HERE gevreesd, al de dagen?
Neen. Zijn ze sindsdien niet meer van Hem afgeweken? Wel degelijk. Er ligt in de beloken aangaande Israëls herstel een stuk meerwaarde, dat uitstijgt boven datgene wat er al van vervuld is bij de terugkeer uit Babel en bij de eerste komst..van de Messias. Dat wacht nog op vervulling. De plasregens
van Gods heil voor Israël zijn nog niet allemaal overgedreven.
Vandaag zien we al een wolkje als eens mans hand: de terugkeer uit alle delen van de wereld naar Kanaän.
Dat hoort bij Gods heilsbeloften, waarvan de vervulling niet gebaseerd is op een voorafgaande bekering van het volk. Want die bekering heeft inderdaad nog niet plaatsgevonden. Die komt nog. Eén hart en één weg. Een tijd waarin ze zich zullen schikken en gewonnen geven aan de Spruit der gerechtigheid, Christus, en waarin Jeruzalem zal heten: Jahweh onze gerechtigheid (33 : 16).
Die woorden zijn de vertaling van de naam van koning Zedekia. In zijn leven maakte hij die naam niet waar.
Maar de dag zal komen, waarop niet alleen de Koning-Messias (23: 6) maar heel het volk die naam terecht zal dragen.