Lezen in 1 Joh. 1:1-4 - (II) het Woord

1979-03-09
  • Jaargang 23
  • nummer 10
F. A. Schaeffer gaf aan een van zijn boeken de titel mee: "He is there and he is not silent", God leeft en Hij zwijgt niet. En inderdaad, zo mogen wij de levende God kennen als de sprekende God. Als sprekende God is Hij voor ons geen onbekende God.
Er zijn wel mensen die vinden dat over God niets te zeggen valt, behalve dan dat Hij - als Hij zou bestaan - Zich niet met deze wereld en met ons mensen bemoeit.
Maar zo'n onbekende God hoort niet thuis in het christelijke geloof.
God heeft zich niet onbetuigd gelaten waar het zijn spreken betreft.
In het O.T. wordt daar op zeer indringende wijze van getuigd met als hoogtepunt wel de konfrontatie tussen Eiia en de Baäl-priesters op de Karmei. Ondanks alle ritueel en extase zwegen de goden, zo zeer zelfs dat Elia er de spot mee drijft: "ze zijn zeker eventjes naar achteren!"
Ook in Jesaja lezen we dat keer op keer: de goden zwijgen.
God spreekt daarentegen, en op de Karmel wel op zeer overdonderende wijze. Dat maakt ons er al gelijk attent op dat God "op vele wijzen" tot de vaderen gesproken heeft, Hebr. 1: 1. In het vinden van taal wegen om ons mensen te bereiken is God zeer creatief. Hij maakte gebruik van dromen en visioenen, van het gebeuren in de natuur; vooral bediende Hij zich van het mensenwoord zoals ge sproken door profeten en apostelen, zoals Hij vandaag zich bedient van het geschreven woord zoals we dat in de Bijbel voor ons hebben.
Maar beslissend en ten laatste heeft God zich bediend van hèt Woord, Zijn Zoon Jezus Christus.
In Hem heeft God zich helemaal en volledig tegen ons uitgesproken, zodat we mogen zeggen: wie Jezus heeft gehoord die heeft God gehoord.
En dit laatste Woord doet ons God kennen tot in Zijn hart, doet ons weten dat daar de liefde klopt voor ons mensen, voor deze wereld, Joh. 3: 16.
Dit laatste Woord is het unieke en normatieve commentaar bij al Gods andere woorden.
Het woord, gesproken op de eerste scheppingsdag: er zij licht, er zij ... , er zij ... , was een woord, een daad van liefde. Er werd een woonplaats voor ons mensen toebereid.
Het woord, gesproken op de Horeb tot Israël: Ik ben de Heere uw God die u uit het diensthuis van Egypte heb uitgeleid, was een liefdesverklaring aan Israël tot heil der volkeren.
Zelfs woorden van toom: Wee u!, zo vaak uit naam van de Heere der heerscharen door profeten Israël aangezegd, waren uitingen van liefde, van Godde1ijke bezorgdheid overafval en ondergang van het volk van het verbond.
Dit vleesgeworden Commentaar op de woorden van God doet voor ons de lijnen van Gods heilsplan in de geschiedenis oplichten. En alle lijnen concentreren zich op de persoon van Jezus Christus, God die mens werd. En wie Hem belijdt, schrijft Johannes in hfdst. 2, heeft gemeenschap met de Vader; ja die is uit God geboren, is kind van God.
En van kinderen van God weet Johannes werkelijk ongelofelijke dingen te vertellen. Het meest ongelofelijke, haast ongeloofwaardige, noemt hij in hfdst. 3: een kind van God zondigt niet, doet geen zonde, ja kan niet zondigen. Zeker, deze uitspraken moeten niet losgekoppeld worden van woorden als: blijft in Christus, het zaad Gods - de H. Geest met het woord - moet in u blijven. Maar Johannes heeft ze wel opgetekend, En al voert het nu te ver om er wat dieper op in te gaan, duidelijk is toch dat wie Christus belijdt als Gods Woord aan ons dat ons om geloof en om gehoorzaamheid vraagt, zeker mag zijn van het leven, ja het eeuwige leven.
Want leven zonder zonde dat is toch pas leven!
Jezus Christus kende dat leven op aarde. En Hij wii ons erin laten delen. Daarvoor werd Hij mens, stierf Hij en stond Hij op uit de dood.
Maar nu zal hij ook terugkomen, zodat wij aan Hem gelijk kunnen wezen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief