Omtrent het kerkverband (5 · slot)
1979-03-16
Kerkverband en kerkorde zijn in de kring van onze kerken in discussie.- Jaargang 23
- nummer 11
Het gaat daarbij niet om detailpunten, taalkundige modernisering of iets dergelijks, maar om hoofdzaken.
Eigenlijk is dat al sedert 1969 zo. De verklaring ligt dan ook in onze recente geschiedenis, waarin de gereformeerde kerken leden onder twee scheuringen in een generatie.
Wij hebben niets, om ons op te beroemen. Indien ons denken en spreken geestelijk is, gehoorzaam aan Gods Woord, dan zullen wij ook vruchten zien. Wij mogen bewaard worden voor het scheppen van een nieuwe kerkelijke wet en een mogelijkheid tot nieuw-kerkelijke juristerij.
De laatste term ontlenen we aan een lezenswaard artikel, dat prof. W. van 't Spijker heeft geschreven in het Jaarboek 1978 van de christelijke gereformeerde kerken. Het gereformeerde kerkverband is geen exclusieve aangelegenheid voor buitenverbanders, maar wordt door ons gedeeld met de reformatorische broederkerken.
In genoemd artikel behandelt de schrijver onder meer de vraag, hoe de classicale vergaderingen ten tijde van Dordrecht 1578 - vier eeuwen geleden - hun afgevaardigden hebben gezonden en hoe zij tegen het gezag van de te houden synode hebben aangezien. Prof. van 't Spijker stelt vast, dat de kerken bij voorbaat (!) toestemmen, berusten in en voor rechtsgeldig verklaren, wat op zulk een vergadering zal worden besloten.
Hij acht dit juist en geeft als zijn mening, dat men naar gereformeerde beschouwing geen besluiten mag nemen en die nadien ter bekrachtiging stellen van de kerken.
Het mag niet, zegt prof. van 't Spijker.
In aanvulling op onze voorgaande artikeltjes veroorloven we ons enkele nadere opmerkingen.
In de eerste plaats vragen we ons af, of de schrijver de situatie van de gereformeerde kerken, zoals die was in 1578, en zoals hijzelf die helder omschrijft, wel voldoende in rekening brengt. Die situatie was zo, dat gemeenten in het geheim moesten worden georganiseerd, dat eenheid van leer en dienst en tucht nog tot ontwikkeling moest komen, dat er onkunde was onder de mensen, van wie sommigen nog maar pas met de roomse kerk hadden gebroken, kortom, dat er van kerkverbandelijke continuïteit nog geen sprake was; men zat volop in het proces van het zich in verband brengen, men stond aan een begin. Welnu, in die situatie van constituering lijkt het ons begrijpelijk, dat men bij lastbrief van de afgevaardigden uitspreekt, bij voorbaat te ratificeren, wat besloten gaat worden.
In de tweede plaats wagen we het op te merken, dat bekrachtigen-vooraf als kerkordelijke regel een merkwaardige zaak zou zijn. Vooraf ratificeren is physiek onmogelijk. Ik kan niet bekrachtigen, wat er niet is. pit klemt temeer, omdat ratificeren niet in de laatste plaats moet worden verstaan als een vaststellen van de inhoud van besluiten. Dan moet die inhoud er ook zijn. Bij voorbaat ratificeren kan moeilijk iets anders betekenen, dan geacht willen worden de besluiten, als zij genomen zijn, te hebben geratificeerd.
Wie dit legt naast de belofte, bij voorbaat gegeven in ons Akkoord van Kerkelijk Samenleven, dat de kerken de genomen besluiten bekrachtigen, kan bezwaarlijk volhouden, dat het eerste zou moeten en het laatste niet zou mogen. Het een ligt daarvoor te dicht bij het ander.
In de derde plaats menen wij, dat ieder "tenzij ... " toetsing van de besluiten vooraf vereist. We kunnen moeilijk inzien, hoe de bevoegdheid om te toetsen zou kunnen samengaan met het vooraf ratificeren als enig goede regel.
Prof. van 't Spijker citeert zelf de vluchtelingenkerken in Engeland - zouden ook de toenmalige gebrekkige communicatiemogelijkheden niet een rol gespeeld hebben? - welke uitspraken, dat door de besluiten der vergaderingen geen kerk iets opgedrongen mag worden, dat "sij met goede redenen betoont niet te konnen aennemen". De vergadering zal niets mogen besluiten, dat niet in overeenstemming is met het Woord van God, zo lezen wij.
Welnu, van de synode die onverhoopt zo'n slecht besluit nam, mag niet worden verwacht dat zijzelf dit inziet; het oordeel over het "tenzij ... "
komt toe aan de ambtsdragers der gemeente en die zullen het moeilijk anders kunnen geven dan achteraf.
Tenslotte troost het ons, hoe ook uit de verhandeling van prof. van 't Spijker blijkt, dat ratificatie door de kerken voorwaarde is voor de rechtsgeldigheid der besluiten; ook toen al verklaarden de ambtsdragers te ratificeren.
Prof. van 't Spijker laat ons niet in het onzekere, waarom hij vindt, dat in een gereformeerd kerkverband synodebesluiten niet achteraf aan de kerken ter bekrachtiging mogen worden gesteld. We lezen: In feite betekent dit een opschorten van het kerkverband totdat gebleken is, dat wij in alles gelijkelijk voelen. Het wantrouwen wordt zo geïnstitutioneerd. Het wordt in kerkordelijke vorm gegoten.
Dit is een scherp oordeel. We zijn het er volstrekt mee oneens.
We geven onze redenen maar weer puntsgewijs.
Allereerst dit: "in aller gelijkelijk voelen" is niet aan de orde; juist niet.
Hebben we niet bij voorbaat beloofd te zullen ratificeren?
Aan de orde is het oordeel over eventuele strijdigheid van een besluit met het Woord van God of met de overeengekomen kerkorde.
Het is bitter te moeten zeggen, dat onze eigen geschiedenis leert, dat zulke strijdigheid inderdaad kan voorkomen.
In de tweede plaats: achteraf bekrachtigen is geen regel van wantrouwen, maar van onderscheiden verantwoordelijkheden.
De ambtsdragers, die zijn gesteld over de gemeente, hebben een andere verantwoordelijkheid dan de broeder, die werd afgevaardigd naar een meerdere vergadering.
Als de handtekening van de directeur van een onderneming vereist is voor bepaalde handelingen van zijn medewerkers, is dat wantrouwen? Als dat waar zou zijn, dan zwemt de schrijver van deze artikeltjes erin. Nee, die directeur heeft een eigen, een andere verantwoordelijkheid, bv. tegenover aandeelhouders, terwijl zijn medewerkers verantwoordelijk zijn tegenover hem.
Is het afnemen van een examen kerkrecht aan een theologisch student geinstitutionaliseerd wantrouwen? De hoogleraar gaat er toch niet vanuit, dat de man niet naar het Woord leeft en lui is? Nee, maar de hoogleraar heeft een eigen verantwoordelijkheid tegenover de kerken, vandaar.
Tenslotte: als bekrachtigen-achteraf in kerkordelijke vorm gegoten wantrouwen is, waarom dan de regel van ratificeren-bij-voorbaat niet ook, maar nu gericht tegen de kerkeraden?
We twisten niet over termen. Ook niet over een theorie. Het gaat om de zaak. En die zaak is deze, dat een kerk overeenkomstig het geschreven recht deel kan blijven uitmaken van het kerkverband, ook als zij een synodebesluit als strijdig met het Woord verwierp; dan wel als strijdig met de kerkorde.
Zouden vrome afgevaardigden, die alle vertrouwen waard zijn, niet tot de hen zendende kerken kunnen zeggen: toetsen jullie maar wat wij besloten hebben, want wij zijn ook maar zondig en beperkt? Besluiten de vergaderingen en bekrachtigen de kerkeraden niet beide in de ene gemeenschap aan het Woord?
De liefde verdraagt het ratificatierecht.
Meer: zij draagt het.
In het Nederlands Dagblad van 1 oktober 1977 geeft prof. J. Kamphuis kommentaar op het rapport van onze Kommissie Funktionering Kerkverband.
Hij sluit zijn beschouwing af met de opmerking, dat vele goede woorden over liefde en wijsheid het independentisme niet kunnen camoufleren (!). Z.i. zijn wij in de zaak van de besluitsbevoegdheid van meerdere vergaderingen op saillante punten gecapituleerd; de verwantschap met het oude artikel 31 K.O. hebben wij prijsgegeven, zo lezen wij: In de Reformatie van 25 maart 1978 treffen we van de hand van dezelfde schrijver een artikel aan van overeenkomstige inhoud. De eindconclusie van prof. J. Kamphuis is hier, dat hij onze gemeenschap in bandeloosheid ziet ondergaan; ons "akkoord" heet nu niet zozeer independentistisch, als wel consistoriocratisch, letterlijk: de bezegeling van de consistoriocratie.
Wat wordt er volgens prof. J. Kamphuis bezegeld, dat wij hebben gedaan?
Wel, het waren Noordhollandse kerken, die de generale synode van Amersfoort 1967, welke besloten had een afgevaardigde van die kerken niet te ontvangen, zelf en als zodanig aan de kant schoven, door te verklaren, zich in die synode niet meer vertegenwoordigd te achten. Dat was, zo lezen wij, grof ambtsmisbruik, waarbij zij door één besluit de aan hun zorg toevertrouwde gemeente buiten het verband van de Gereformeerde Kerken in Nederland voerden; deze kerkeraden drongen zich zo in de plaats van Christus.
Prof. J. Kamphuis verklaart, dat hij zich terwille van de vrijheid van de christen met de middelen die hem ter beschikking stonden, tegen deze consistoriocratie heeft gekeerd, in 1967 tegenover deze kerkeraden.
Het is duidelijk, dat prof. J. Kamphuis hier een rechtvaardiging geeft van zijn "wegroeping van de gelovigen van achter de ontrouwe ambtsdragers".
Volgens de schrijver lag hier het grote geding van de zestiger jaren en ligt hier de wezenlijke kerkrechtelijke kloof tussen de gereformeerde kerken en de buitenverbandse gemeenschap (!).
Dat ons akkoord dit kwaad bezegelt blijkt, zo lezen wij, uit de voorgestelde tekst van artikel 34, die luidde, dat besluiten van landelijke vergaderingen ter bekrachtiging staan aan de plaatselijke kerken (onze landelijke vergadering van Wezep heeft deze tekst veranderd in worden bekrachtigd").
Ons blijkt, dat de zaak ook hier voor een' goed deel vastzit op het aan de kerkeraden toekomende ratificatierecht. Dat moet weg.
Nu had prof. J. Kamphuis zich reeds in 1969, het jaar van de scheuring van dit ratificatierecht gedistantieerd. In zijn rectorale rede sprak hij toen reeds uit, dat het hem onjuist voorkwam, het "voor vast en bondig houden" van artikel 31 ... weer te geven door "ratificeren": ratificeren in de betekenis die deze term inderdaad heeft en die inzonderheid door Deddens ,is geaccentueerd, nl. door een tweede daad bekrachtigen, rechtskrachtig maken. In dit artikel hebben de kerken niet de belofte gegeven dat een besluit rechtskrachtig gemaakt, maar voor rechtskrachtig gehouden zal worden.
Het is frappant, dat ook de professoren K. Schilder en P. Deddens argumenteerden vanuit hetgeen in artikel 31 K.O. niet staat, maar nu ter ondersteuning van het ratificatierecht.
We citeren prof. P. Deddens: Er staat niet: wat zij (dat zijn de meerdere vergadering, C.H.) hebben goedgevonden heeft geldigheid, heeft verbindende kracht, heeft rechtskracht, of iets dergelijks.
Er staat niet: wat zij goedgev.onden geldt voor vast en bondig. Neen, er staat opzettelijk een futurum, een toekomende tijd: zal voor vast en bondig gehouden worden. En wie dat besluit vastmaakt, vast en bondig, dat is niet de meerdere vergadering. Dat is het recht en de plicht van de mindere vergaderingen. (Ref. 30e jaargang, pag. 156).
De vraag, wat in taalkundig of kerkrechthistorisch opzicht de meest juiste interpretatie is, is zeker niet zonder betekenis. Waar het ons thans echter om gaat, is de zaak zelf. In geding is niet een wetenschappelijke verhandeling van een professor, maar het handelen van de vrijgemaakte kerken sedert de vrijmaking en het onderwijs van de dominees aan onze kinderen.
Wie ons vandaag veroordeelt vanwege het door ons aangehangen ratificatierecht, veroordeelt zijn eigen en oqze voorgangers. Het ratificatierecht was niet een theorie, het heeft voluit gefunctioneerd in onze strijd tegen de machtsaanmatiging van synodes, zowel in de veertiger als in de zestiger jaren. Het bracht zelfs een postale aanduiding bij de naam der kerken met zich mee.
De geduldige en wellicht beproefde lezer van de vorige artikeltjes zal begrepen hebben, dat we "bekrachtigen" de beste term vinden die wij hebben, met betrekking tot het aanvaarden of verwerpen van besluiten van meerdere vergaderingen door de plaatselijke kerken. Niettemin, een term is slechts een term.
Wat we willen weten is, of de gemeente, waarvan we lid zijn, het bewezen acht, dat dit besluit strijdig is met het Woord van God of ook met de regels van de kerkorde. En dat binnen het kerkverband. Dát is de zaak.
Aan het antwoord op die vraag hangt het goed recht van de vrijmaking in kerkrechtelijk opzicht. Dit antwoord is eveneens beslissend over recht of onrecht inzake" wegroeping" annex "buitenverbandstelling" .
Wij dragen dieper sporen van onze geschiedenis.
Het is een tijd om duidelijk te zijn.
Nadenken over het kerkverband is een vreugdeloze zaak, als het moet naar aanleiding van uitspraken als van prof. J. Kamphuis. We moeten ons maar troosten met de belofte, die we lazen uit de Schrift: voor Waarheid en Gemeenschap staat een klein getal: twee of drie.