Nog eens: de naam der kerken
1979-03-16
- Jaargang 23
- nummer 11
Nadat ik m'n opmerkingen met betrekking tot de naam der kerken geschreven had (zie Opbouw van 19 januari) kreeg ik onder ogen een Open brief van mevr. J. Kuiper te Pijnacker (zie Opbouw van 12 januari), een Ingezonden stuk van dr L. van Klinken te Haarlem (zie Opbouw van 26 januari), een publicatie van ds J. Waagmeester te Lisse, alsmede het persverslag van de landelijke vergadering waarin over de naam gediscussieerd en voorlopig gestemd werd (zie Opbouw van 5 januari).
Een en ander noopt mij nog eens op deze zaak terug te komen, zonder daarbij uitvoerig in te gaan op wat de andere scribenten gezegd hebben. Wel moet mij van het hart dat het mij verheugt dat van verschillende kanten een pleit gevoerd wordt voor de naam "Vrije Gereformeerde Kerken", en voorts dat, naar het mij voorkomt, dr Van Klinken een onjuiste voorstelling geeft van wat mevr. Kuiper bezielt: zij zou menen dat de zaken die in de vrijmaking in geding waren het fundament der kerk niet raken en zou dat fundament willen beperken tot de Apostolische Geloofsbelijdenis; zij zou de drie formulieren van enigheid niet van belang vinden voor de leer der zaligheid.
Dat is een nog al zware beschuldiging, die echter m.i. geen enkele grond heeft in wat mevr. Kuiper schreef. In de jaren dertig en veertig werden wij beschuldigd van afwijking van de belijdenis en nog veel meer. We hebben die beschuldigingen met kracht bestreden en van de hand gewezen. Laten we alstublieft niet wéér beginnen, na wat we in de jaren zestig ook nog beleefd hebben, met dergelijk geschut, tenzij daarvoor voldoende en volkomen duidelijke redenen aanwezig zijn.
In het pers verslag las ik dat een aantal leden van de landelijke vergadering de naam '"Vrije Gereformeerde Kerken" afwees, omdat deze naam te veel de gedachte aan vrijblijvendheid zou wekken. Ds Waagmeester heeft hierop terecht geattendeerd, als zijnde een vreemd argument. Inderdaad: erg vreemd.
In mijn vorige stukje schreef ik dat de kerken. de christelijke vrijheid nooit hebben aangekund, nooit hebben aangedurfd, er nooit aan hebben gewild. Dát proef ik nu precies in het genoemde bezwaar: we moeten niet de naam "Vrije Gereformeerde Kerken" dragen, want die doet te veel denken aan vrijblijvendheid!
Dit bezwaar wordt ingegeven door vrees. Zeker, Paulus, die telkens weer op de bres stond voor de christelijke vrijheid, schreef óók dat we de vrijheid niet moeten gebruiken als een oorzaak voor het vlees. Daarop zullen we altijd bedacht moeten' wezen. Maar daarmee zijn "vrij" en "vrijheid" nog geen lelijke woorden geworden.
Wanneer we de naam "Vrije Gereformeerde Kerken" gaan voeren houden we vast aan de kerkhistorie van de 16de eeuwen de 19de eeuw: Gereformeerd, en óók aan de kerkhistorie van de 20ste eeuw.
Met de toevoeging "vrij" grijpen we naar het hart van wat ons bewoog in de strijd van de jaren dertig en veertig, en opnieuw bewoog in de latere kerkelijke worstelingen.
Met de toevoeging "vrij" jagen we er ook naar of we het grijpen mochten. Ik ben er niet klaar mee wanneer ik in 1944 of daarna "vrijgemaakt" ben. Dat is mij juist na 1944 hoe langer hoe meer gaan benauwen: als het maar "vrijgemaakt" was dan was het goed, terwijl de echte christelijke vrijheid helaas meer en meer in gedrang kwam. Het is trouwens de vraag of de overheid de naam "Vrijgemaakte Gereformeerde Kerken" zal accepteren, omdat heel gemakkelijk verwarring kan ontstaan met "Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)". Met een naam presenteren we ons (o.a.) naar buiten, en de duidelijkheid wordt door die naam geenszins bevorderd. Maar genoeg hierover.
Een andere naam, die hoge punten scoorde was de naam "Nederlandse Gereformeerde Kerken". In die naam wordt, naar het mij voorkomt, enigszins teruggegrepen op "Nederduitse Gereformeerde Kerken", de naam waaraan Kuyper met zijn historische - misschien moet ik wel zeggen: historistische; wellicht kan dr A. P. Muys ons daarover eens inlichten - inslag nog al hechtte voor de uit de Doleantie voortgekomen kerken. Bij de vereniging van 1892 hebben de kerken uit de Doleantie de toevoeging "Nederduits" vóór "Gereformeerde Kerken" losgelaten, terwijl de uit de Afscheiding voortgekomen kerken de toevoeging "Christelijke" prijsgaven. Daarover zal ik nu niet uitweiden. Echter: de toevoeging "Nederlandse" ontmoet bij mij wel bezwaren. In de eerste plaats doet zij mij denken aan de "Nederlandse Hervormde Kerk" en daarmee aan de band die er vroeger was tussen kerk en staat. In de tweede plaats wekt zij enigermate de indruk dat er in Nederland maar één kerkengroep bestaat die aanspraak kan maken op de naam "Gereformeerd", terwijl we toch ook kennen de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken in Nederland. In de derde plaats is de naam "Nederlands"
niet typerend voor een kerk; hij is niet meer dan een geografische aanduiding. En dáárvoor geef ik toch de voorkeur aan: ... Kerken in Nederland.
Ik blijf erbij: verreweg te prefereren valt m.i. de naam "Vrije Gereformeerde Kerken". De benaming "Gereformeerd" typeert, want "Gereformeerd"
wordt in dit verband al lang niet meer aangevoeld als een verleden deelwoord met de betekenis: in de 16de eeuw tot reformatie gekomen. Van het woord "vrijgemaakt" geldt dat wèl. Daarbij wordt gedacht aan de kerkhistorische gebeurtenis van 1944.
Maar het wezen van de kerk gaat ver uit boven haar oorsprong en haar geschiedenis. Zij is niet een historische grootheid - al heeft zij een historisch aspect -, zij is niet een sociale noch een juridische grootheid - al heeft zij ook een sociaal en een juridisch aspect -, haar wezen wordt bepaald. door haar belijdenis, zij is een belijdenisgrootheid.
Dat is dan ook de diepe zin van de "formulieren van enigheid", de formulieren van de eenheid des geloofs waarmee we aan elkaar verbonden zijn. En wanneer ik nu het pleit voer voor de naam "Vrije Gereformeerde Kerken" dan doe ik dat omdat ik enerzijds het historisch aspect in rekening breng, maar anderzijds vooral omdat in de benaming "vrij" een belijdenis uitgesproken wordt, de belijdenis van de vrijheid die we in Christus hebben, de vrijheid die dan vervolgens geconcretiseerd moet worden in de vrijheden die ik in m'n vorige stukje genoemd heb, de vrijheid die we ook aldoor opnieuw moeten grijpen, in ons kerkelijk leven, in ons persoonlijk leven, waarbij we steeds te worstelen hebben tegen het misbruik waarvoor Paulus waarschuwt.