Het werk van de verhoogde Christus in de reformatie van zijn kerk

1979-03-23
  • Jaargang 23
  • nummer 12
In het vorig artikel hebben we gezien, hoe de verhoogde Christus zijn kerk regeerde, door de dienst van de apostelen.
Daarbij is gewezen op het feit, dat de Heilige Geest meermalen direct ingreep b.v. bij de afzondering van Paulus tot de dienst onder de heidenen.
Toen de apostelen waren heengegaan, kwam de jonge kerk te staan voor een vacuüm, omdat het apostel-ambt niet op anderen is overgegaan.
We geloven, dat ook in die nieuwe situatie de Here Christus zijn kerk regeerde.
De apostelen hadden er zorg voor gedragen dat in de gemeenten de "gewone" ambten van opziener en diaken waren ingesteld.
De regering van de kerk in Christus' naam was aan die ambtsdragers toevertrouwd.
Die ambtsdragers waren bij de vervulling van hun taak aangewezen op het apostolisch getuigenis, vastgelegd in de brieven en geschriften, die als het woord van God werden aangenomen.
Van een direct ingrijpen van de Geest was niet langer sprake; ook voor de leiding van de Geest was men aangewezen op de inmiddels volgroeide openbaring in de Schriften.
We kunnen dus stellen dat de belofte van de Heer: Zie Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding, uitsluitend belichaamd was in de geschriften van het oude en nieuwe testament.
Uit de geschiedenis blijkt dat de jonge kerk deze regering door de verhoogde Christus, door zijn Woord en Geest niet voldoende achtte en een leer opkwam van de apostolische successie, die inhield dat de apostelen overal bisschoppen als hun opvolgers hadden aangesteld.
In de strijd van die dagen tegen de opkomende dwaalleer, waarbij men zich over en weer beriep op het getuigenis van de apostelen, zien we een ontwikkeling, waarin naast de waarheid in de Schriften een gezag wordt gegeven aan de bisschop, aan wie het bezit van de waarheid zou zijn opgedragen.
Deze ontwikkeling heeft geleid tot het aanvaarden van het gezag van de bisschoppen, die de apostolische traditie bewaarden en is uitgelopen op een kerkregering door de paus als opvolger van Petrus.
Het gezag naast de Schrift werd in de praktijk een gezag boven de Schrift.
In de leer van de Roomse kerk is duidelijk gesteld hoe de verhoogde Christus zijn kerk regeert en wel door de paus en de bisschoppen.
Bij een bezoek aan de Wereldraad van Kerken stelde de paus zich dan ook voor met de woorden: Mijn naam is Petrus.
Van roomse zijde is dikwijls de noodzaak van een dergelijk gezag onderstreept met een verwijzing naar de verdeeldheid bij de kerken van de reformatie, waar men uitsluitend het gezag van de heilige Schrift aanvaardt.
In de dagen van de reformatie in de zestiende eeuw, kwamen de van de pauselijke hiërarchie vrijgemaakte kerken opnieuw in een vacuüm.
De christelijke kerk is niet een vereniging van gelovige mensen, die bijeenkomen om hun godsdienstige' plichten te vervullen en vroomheid te betrachten; de kerk is de gemeente van Christus, die op weg is naar de voleinding die haar Heer tegemoet gaat.
O. Noordmans sprak eens de tekenende woorden dat Calvijn met de pion van de ouderling de paus schaakmat zette.
Noordmans wijst er daarbij op dat hiermede ook een schriftuurlijke vorm is gegeven aan een verzet tegen de hiërarchie in de kerk, dat in de tijd voor de reformatie al opkwam.
In de kerken van gereformeerd belijden is men op het voetspoor van Calvijn teruggekeerd naar de schriftuurlijke aanwijzingen van een regering van de kerk door de kerkelijke ambten, -die nader is uitgewerkt in een gereformeerde kerkenorde.

Deze lange aanloop, waarin ik heel summier de zaak heb aangeduid, was nodig om antwoord te geven op de vraag, of in de gedachten, door mij in diverse artikelen ontvouwd over .de centrale boodschap van de Schrift: Jezus Christus en die gekruisigd, de concrete aanwijsbaarheid van het werk van Christus in de leiding en met name van de reformatie van de kerk niet totaal vervaagt.
Het is duidelijk waar de vragenstellers heen willen.

In het verleden is ons, bij de strijd om de Open Brief dikwijls verweten, dat wij van een werk des Heren in de vrijmaking niet wilden weten.
Zo herinner ik dat een scribent in zijn verontwaardiging uitriep: Wij hebben ons toch niet vrijgemaakt, het was een werk des Heren.
Bij zulke uitspraken krijg je de indruk dat de vrijmaking een onaantastbaar iets is geweest en wij mensen daarvoor geen verantwoording zouden dragen.
De zaak, hier in geding is niet zo eenvoudig als het lijkt.
Het kost ons geen enkele moeite om in de reformatie van de kerk, toen door de dienst van mensen als Luther en Calvijn het woord van God weer tot heerschappij kwam over de kerken en wij werden bevrijd van allerlei insluipsels inzake de leer en de regering van de kerk, te zien als een werk van God, een ingrijpen van de verhoogde Christus.
Het was een wederkeer tot zijn Woord, een opnieuw buigen voor de enige Heer van de kerk, een nieuwe bruidstijd in de geschiedenis van de kerk, die op deze aarde op wes is naar de dag van de Heer.
Het evangelie van louter genade in de gekruisigde Christus kreeg opnieuw zijn rechtmatige, centrale plaats.
Zo kunnen we roemen in het werk van Christus.
Toch moeten we daarbij oog hebben voor enige complicaties.
De tijd is voorbij, dat er in de kerk sprake was van een direct ingrijpen van Christus door de Geest, zoals in de tijd van de apostelen.
Het was een ingrijpen, door de arbeid van mensen.
De kerken, die tot reformatie kwamen moesten hun weg zoeken bij het licht van het woord van God.
Die kerken zijn niet allen dezelfde weg gegaan.
De pogingen van Calvijn om tot eenheid te komen met de kerken, die Luther volgden zijn, tot groot verdriet van de reformator, mislukt, zodat de gereformeerde kerken kwamen te staan naast de Lutherse kerken.
Ook in die dagen waren er mensen, die een radicaler oplossing zochten en terugwilden naar de verhoudingen als bij de eerste christen-gemeenten.
Luther en Calvijn verstonden dat de kerk niet de weg terug moet inslaan, maar vooruit moet naar de dag van Christus.
Verdeeldheid dus in de kerken van de reformatie.
Maar dit was niet het enige.
Als we bezig zijn met de reformatie, moeten we bijna altijd constateren, dat niet heel de kerk tot reformatie komt, het is helaas niet een optrekken met alle heiligen geworden.
Daarom moet worden bedacht, dat hoezeer we vasthouden dat de reformatie een werk van Christus is, die de zijnen uitleidde, de reformatie gelijk door mensenhand geschiedt en daarom het stempel van het "ten dele" draagt.
Het was in de zestiende eeuw niet alleen zo, dat de kerken van de reformatie verschillende wegen gingen; er bleven ook velen achter in de Roomse kerk.
Vier eeuwen na de reformatie moeten we constateren, dat die kerk niet is ondergegaan in afval, ongeloof en heidendom, maar dat die kerk zich van een diepe inzinking heeft versteld en niet alleen heeft vastgehouden aan de waarheid van de traditie, die in het bezit van paus en bisschoppen is gegeven, maar ook aan waarheden uit het woord van God.
Er is, zo leerde destijds S. G. de Graaf, bij Rome ook een stuk christendom.
Omdat de reformatie van de kerk als schaduwzijde had een uiteengaan van de gelovigen is de vraag naar het werk van Christus in de regering en vrijmaking van zijn kerk erg gecompliceerd geworden en niet in formule te brengen.
In de geschiedenis van de vrijgemaakte kerken is duidelijk gebleken, dat bij hen die nu binnenverband zijn, velen hier weinig moeite hebben.
Men kan de lijn van Christus' kerkvergaderend werk voor u uittekenen.
De Here Jezus Christus vergadert zijn kerk in ons land via de reformatie van de zestiende eeuw, de Afscheiding en Doleantie in de negentiende eeuwen de Vrijmaking in de twintigste eeuw.
Omdat de weg, die Christus met zijn kerk gaat voor deze broeders duidelijk is, heeft men evenmin moeite met de mars-route.
In genoemde weg vergadert Christus zijn kerk, die maar één adres heeft.
In deze geest spreekt ook de brief aan de kerken in Noord-Holland, die ik kort geleden uitvoerig heb besproken.
De Here is een weg van veel verlossingen gegaan en heeft in de weg van de vrijmaking de kerk bewaard bij de enige grondslag van de Gereformeerde kerken en omdat de broeders met Christus voort moeten, konden zij niet anders dan met grote droefheid de afgevaardigden vna Noord-Holland heenzenden.
De complicaties, die ik hierboven aanwees bij de Reformatie in de zestiende eeuw, waren er. niet minder bij Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking.
Wie erkent dat de Geest van Christus niet is geweken uit de kerken, waarin zich de conflicten voordeden, is niet zo gauw klaar met het werk van de verhoogde Christus in de vergadering van zijn kerk.
Daarover nog enkele opmerkingen een volgend keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief