JEREMIA

1979-03-30
  • Jaargang 23
  • nummer 13
Profetisch spreken
In de taal van de profetie liggen al die verschillende facetten van de vervulling in elkaar geschoven en worden al die soms ver uiteenliggende plasregens samengebald tot één enorme wolkbreuk.
De terugkeer uit Babel, de komst van de Messias, het herstel van de priesterdienst, het ontvangen van één hart en één weg, dat alles wordt in het profetische taalgebruik getekend als iets dat gelijktijdig plaatsvindt.
Maar in werkelijkheid ligt er tussen de verschillende elementen een grote tijdsruimte. Zo vond het herstel van de priesterdienst wel onmiddellijk na de terugkeer uit Babel plaats, maar de komst van de Messias pas vijf eeuwen later. Bovendien zijn Gods beloften altijd ingebed in de voorstellingswereld van de tijd waarin ze uitgesproken werden.
In Jeremia's tijd was het ondenkbaar dat de dienst van de levietische priesters ooit eens achterhaald en afgeschaft zou worden. Vandaar dat hij zegt, dat de levietische priesters altijd zullen blijven offeren.
Deze beide dingen moeten we bij het lezen van de profetieën altijd in rekening brengen. In de eerste plaats hun verwevenheid met de voorstellingswereld van hun ontstaanstijd. En in de tweede plaats het vaak ontbreken van een chronologisch perspectief, waardoor allerlei elementen die in de vervulling ver in tijd uiteen liggen, in de profetie zelf in elkaar en door elkaar heen schuiven.
Maar de vervulling komt, door niets te stuiten. Want Jahweh is trouw aan zijn verbond. Die vervulling komt voor Israël. Ze komt ook voor ons.
Want uiteindelijk lopen die beloften van genezing en herstel uit op de belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar we van alle zonden en wonden genezen zullen zijn en waar de troon van God en van het Lam midden onder ons zullen staan in het nieuwe Jeruzalem, waar God bij ons zal wonen en wij zijn volk zullen zijn (vgl. 32 : 38).
Die toekomst is niet tegen te houden.
Daarom kunnen we met het oog daarop het lied van de bruidegom en van de bruid zingen: Looft Jahweh der legerscharen, want Hij is goed; want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid (33 : 11).
En of we dat lied straks ook zullen zingen in het nieuwe Jeruzalem, dat hangt voor ieder van ons persoonlijk af van de vraag of we nu, vandaag, onze regentonnetjes buiten hebben staan.

JEREMIA 38: 14-28

Bang om te spreken

Zedekia voelt zich niet op zijn gemak.
Hij zit tussen twee vuren. Enerzijds is hij niet onverschillig voor het Woord van God. Anderzijds staat hij zo sterk onder de invloed van zijn ministers en adviseurs, dat hij niet tegen hen in durft te gaan en daarom maar tegen de HERE in blijft gaan.
Toch voelt hij zich daar niet rustig onder. Vandaar dat hij Jeremia opnieuw bij zich laat komen om hem een vraag te stellen, waarop hij graag een eerlijk antwoord wil hebben, dat er geen doekjes om windt.
Maar Jeremia is niet onmiddellijk bereid een dergelijk antwoord te geven.
Hij kent Zedekia. Hij weet nog maar al te goed, dat Zedekia hem nog niet zo lang geleden overgaf in de handen van zijn vijanden (38 : 5).
Jeremia vertrouwt de zaak niet helemaal en zegt: als ik niets achterhoud, zult u me vast en zeker laten doden.
En als ik u raad geef, luistert u toch niet. Ik kan beter mijn mond houden.
Jeremia is bang om de waarheid te zeggen. Hij durft niet eerlijk voor de dag te komen. En hij had daar gezien het verleden - ook wel reden voor.
Eigenlijk is het een afschuwelijke zaak, dat je niet vrijuit spreken kunt en niet open en eerlijk voor de dag durft te komen uit angst voor de gevolgen. Tijdens de tweede wereldoorlog zaten wij hler in Nederland ook in die situatie. Het was gevaarlijk vrijuit te praten. In de winkels zag je prenten en posters hangen met het opschrift: horen-zien-en-zwijgen.
En vandaag zijn er nog miljoenen mensen die in dergelijke omstandigheden leven.
Maar dat zulke situaties ook in de kerk kunnen voorkomen, is het ergste - van alles. Dat een profeet van Jahweh bang moet zijn om eerlijk het Woord van God door te geven zonder iets achter te houden, is een verschrikkelijke zaak. Als men ergens open en eerlijk moot kunnen zeggen waar het op staat, zonder dat men angst behoeft te hebben voor de gevolgen, dan is dat wel in de kerk. Daar moet je elkaar op basis van het evangelie open en eerlijk kunnen zeggen waar het op staat.
Maar evenals in de dagen van Jeremia zijn er heel de kerkgeschiedenis door telkens weer situaties geweest, waarin dat ook in de kerk niet mogelijk was en waarin men zijn mond hield uit angst voor de gevolgen of omdat men moedeloos geworden was en dacht: het heeft geen enkele zin om iets te zeggen; er is toch niemand die zich er iets van aantrekt.
Als dat het geval is, is er iets grondig mis. Dan is er geen ontvankelijkheid, geen openheid meer voor het Woord van God. En dat is het ergste wat er in de gemeente gebeuren kan.

Bang om te luisteren
Jeremia is bang om het Woord van God door te geven. Het zou wel eens levensgevaarlijk voor hem kunnen zijn Gods Woord te spreken. In ieder geval zou het niet meer zijn dan paarlen voor de zwijnen werpen.
Maar Zedekia verzekert hem met een eed dat hij geen nadelige gevolgen zal hebben van zijn openheid en eerlijkheid.
Tenslotte zijn ze alleen. Er is geen enkele getuige aanwezig. Voor mij hoef je niet bang te zijn, verzekert Zedekia, Zo waar Jahweh leeft, die ons dit leven gegeven heeft, ik zal je niet doden.
Als Jeremia alleen met Zedekia te maken gehad had, zou er inderdaad geen reden geweest zijn om zo bang te zijn. Zedekia erkende Jahweh wel tot op zekere hoogte. Hij was geen figuur als Manasse, die het grootste deel van zijn regering duidelijk afkerig was van Jahweh. Die had meer op met de afgoden dan met de HERE en stimuleerde en propageerde met enthousiasme de afgodendienst. Zedekia was ook niet iemand als Jojakim, die duidelijk vijandig stond tegenover het Woord van Jahweh, het met een pennemes in flarden sneed en in het vuur gooide en die Jeremia wilde doden. Zo iemand was Zedekia niet. Hij erkende dat het leven van Jahweh komt en van Hem afhankelijk is. We krijgen de indruk, dat Zedekia, als hij alleen geweest was of goede adviseurs gehad had, zich wel zou hebben laten leiden door Jeremia en het Woord van God. Maar zijn adviseurs waren duidelijke vijanden van Jeremia en van Gods Woord.
Tegen hen kon Zedekia niet op. Hij was op "zijn beurt bang voor hen en voor hun reacties.
Dat komt vaker voor. Er zijn mensen die eigenlijk best gehoor willen geven aan Gods Woord, maar die er niet toe komen uit angst voor de men-
.sen in hun omgeving. En dat is des te ingrijpender naarmate iemands positie invloedrijker en belangrijker is. Bij sleutelfiguren als Zedekia waren de gevolgen van zo'n houding natuurlijk veel fataler dan bij een warme bakker uit de Bakkerstraat.
Want fataal is een dergelijke houding.
Men neemt die houding in terwille van de lieve vrede, om conflicten en harde confrontaties te vermijden. Die wilde Zedekia niet. Hij ging ervoor uit de weg. Maar daarvoor moest hij dan Gods Woord wel naast zich neer leggen. Zo bewaarde hij wel de vrede met zijn adviseurs, maar veroorzaakte hij de ondergang van de stad en van Gods volk. Als Zedekia terwille van de lieve vrede toegeeft aan het verzet tegen Gods Woord en het daarom maar niet in praktijk brengt, brengt hij geen vrede over het volk maar de dood.
Bovendien betekent het ook accuut levensgevaar voor Jeremia (vgl. vss. 4-6). Waar de lieve vrede boven Gods Woord gesteld wordt, worden Gods profeten de dupe. Daar laat men hen vallen. Dat had" Jeremia al ondervonden.
Daarom is hij er niet onmiddellijk voor te vinden Zedekia een open en eerlijk antwoord te geven. Pas wanneer Zedekia met een eed verklaard heeft dat zijn leven veilig is, durft Jeremia over de brug te komen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief