Pastorale notities

1979-04-06
  • Jaargang 23
  • nummer 14


In een grote stad is het, nog niet zo lang geleden, voorgekomen dat binnen een tijdsbestek van enkele weken twee of drie mensen omkwamen doordat ze in het water van een gracht terechtkwamen. Steeds stonden er veel toeschouwers op de kademuur. Niemand nam maatregelen tot redding. Er is in de kranten over geschreven, hoe dat zo kwam. Gaat het lot van de drenkeling de omstanders niet ter harte? Een zielkundige legde het uit. hij betoogde, dat al die omstanders emotioneel zeker zeer betrokken waren bij de drenkelingen, maar die emoties ontlaadden zich in ergernis tegen de politie, die maar niet kwam opdagen. De expert zei, dat de mensen willen dat er geholpen wordt, doch dat moeten mannen doen die een uniform dragen, een politieman, een brandweerman of een militair. Hij zei er spottend bij: als er maar een postbode onder het publiek had gestaan, of een portier met een pet op, dan had de hele menigte hem toegeschreeuwd: vooruit, het water in, want die man daar verdrinkt.
Datzelfde heb je in de gemeente. Vandaar dat ik de vorige weken iets schreef over de tuchtoefening binnen de kerk. Iedereen vindt dat er iets aan gedaan moet worden. Ergens aan. Of aan iemand. En dan zegt men wrevelig: doet de kerkeraad niets? Moet het ambt niet de leiding nemen?
Van de Christelijke gemeente te Korinthe kon je in Paulus’ dagen zeggen, dat wat er in een gemeente ook maar scheef kan gaan, het in Korinte te constateren viel. Kerkvisitatoren zouden die gemeente een dikke onvoldoende gegeven hebben. Maar Paulus schrijft dan toch óók maar, dat het merendeel van die gemeente een zondaar berispt heeft. Hij spoort de gemeente aan, om die man nu eens te vertroosten, want anders gaat hij er nog onderdoor. “Het merendeel van u heeft hem al bestraft.” Meer dan de helft van de leden heeft zich dus met die éne man ernstig beziggehouden. Zou er thans nog één gemeente zijn, waar dat zo is?



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief