Toetsing of bekrachtiging (slot)
1979-04-06
Nog een beroep- Jaargang 23
- nummer 14
De bekrachtiging van de besluiten van meerdere vergaderingen door mindere zou volgens prof. Deddens een integrerend deel van de rechtsvorm zijn, zo hoorden we. We hebben over zijn beroep op de historie van onze kerken onze gedachten laten gaan en bevonden dit ontoereikend.
Hij beroept zich echter ook op niemand minder dan Calvijn en verder op Voetius en Rutgers.
Vooral het beroep op de eersten zou kunnen doen vermoeden dat wij in de interpretatie van de oude acta onzer kerken ons vergisten.
Want Calvijn heeft toch een grote invloed op onze kerken uitgeoefend en Voetius stond nog vlak bij de eerste tijd van die kerken. En wat Rutgers betreft, deze was een groot kenner van de kerkgeschiedenis en evenals Voetius een vermaard beoefenaar van het Gereformeerde kerkrecht.
We gaan allereerst eens zien naar het beroep op Calvijn.
Deze heeft gesproken over de besluiten van de conciliën als een voorlopig oordeel, dat niet het onderzoek naar de regel van de Schrift mag verhinderen. Ik citeer prof.
Deddens even letterlijk: "Een voorlopig oordeel (praeiudicium) volgens Calvijn. Dat wit dus zeggen: het volgen, het eindoordeel, is het recht van de aan Gods Woord getoetste consciëntie der kerkleden.
Immers, duidelijk genoeg zegt de Apostel Paulus tot de Galaten (aldus Calvijn) dat men de consciëntiën geen strikken mag aandoen, daar ze alleen door God geregeerd moeten worden." 1) Hier moet echter de vraag gesteld worden of Calvijn zich op deze plaats wel bezig houdt met de vraag wanneer en hoe de besluiten van concilies kerkelijke geldigheid ontvangen? Terecht zegt Deddens even verder dat Calvijn zich met de instelling en inrichting van Synoden slechts zijdelings heeft bezig gehouden, zulks onder beroep op Lechler. Maar dat had hem voorzichtig moeten maken met een beroep op Calvijn voor zijn kerkrechtelijke opvatting van de ratificatie .. Calvijn levert nl. geen kerkrechtelijk betoog, dat kan alleen al duidelijk worden uit zijn woordkeus.
Hij wil dat het besluit van een concilie zijn gewicht hebbe en als een voorlopig oordeel zij en zulks opdat er ruimte zal overblijven voor nader onderzoek, voor toetsing aan de Schrift door de gelóvigen.
Wie, die zich waarlijk door Christus vrijgemaakt weet, zal dit niet met Calvijn willen? Maar dit is niet het punt in geding. Het recht van toetsing is iets anders dan het recht en de plicht tot bekrachtiging van besluiten als onderdeel van de rechtsvorm! Dáárover handelt Calvijn hier in het geheel niet.
Bovendien spreekt hij over de besluiten van oude concilies, die al eeuwen geleden gehouden zijn.
Haar besluiten moeten, omdat er ook heel wat slechte onder zijn, op hun Schriftmatigheid getoetst, dat is de zaak die Calvijn bezighoudt.
Op het voetspoor van Calvijn hebben de Gereformeerde kerken in de na-Reformatie-periode dezelfde opvatting gehuldigd, zegt prof. Deddens nu verder. De oude acta "gewagen telkens van het voorafgaand oordeel der meerdere vergadering, en het volgend oordeel van Particuliere Synoden, Classes en Kerkeraden"
Hoe vaak deze onderscheiding in de oude acta voorkomt, ,durf ik niet te zeggen, in die van de nationale en provinciale synoden heb ik haar niet aangetroffen.
Maar hoe staat het nu met Voetius?
Van hem geeft Deddens het volgende citaat, dat ik in het Nederlangs doorgeef, waarbij ik opmerk dat de door Deddens gecursiveerde woorden vertaald zijn zoals hijzelf aangeeft: "deze macht (te weten van de synodale besluiten) is een ondergeschikte, geen hoogste: een hypothetische en afhankelijke, geen absolute, indien zij met het gezag van God en van de Schrift vergeleken wordt: maar een publieke, besturende en voorafgaande, indien zij met de volgende en private macht en vrijheid om te oordelen van iedere gelovige" vergeleken wordt. 2) In het verband van Deddens redenering betekent het voorafgaand oordeel der synodale besluiten het voorlopig oordeel en het volgend oordeel der gelovigen het eindoordeel.
Gelet op het verband moet echter gezegd dat het woord "voorafgaand" geen juiste vertaling is van het Latijnse woord antecessoria.
Deze vertaling biedt namelijk geen redelijke, zin. De door Voetius bedoelde tegenstelling komt er ook niet door tot haar recht. Hij vergelijkt de macht der synodebesluiten enerzijds met het gezag van God en van de Schrift, anderzijds met hèt volgend (subsequente) oordeel der gelovigen. Met het eerste vergeleken, dus met het gezag van God en van de Schrift is haar gezag ondergeschikt enz., afhankelijk en niet absoluut .Met het volgend oordeel der gelovigen echter (tarnen in het Latijn) publiek, besturend en ... ja, wat? leder voelt dat hier de vertaling voorafgaand in de zin van voorlopig in het geheel niet past. Het sluit ook niet aan bij de twee vorige woorden publiek en besturend.
Hier past de vertaling: voorópgaand in de zin van leidend.
Voetius handelt hier trouwens helemaal niet over de vraag hoe dit gezag tot stand komt en wanneer synodale besluiten geldend zijn, maar spreekt louter over het feit van en de aard van het gezag, dat toekomt aan synodale besluiten, die met Gods Woord overeenkomen.
Voorafgaand oordeel van de meerdere vergadering, volgend van de mindere en dat volgend oordeel is dan "de ratificeering, approbatie, goedkeuring der Synodebesluiten" schrijft Deddens en hij acht dat onderdeel van de rechtsvorm, zonder welk onderdeel het besluit ener meerdere vergadering voor die kerk geen rechtskracht heeft, pag. 12.
Daarvoor wordt tenslotte ook Rutgers tehulp geroepen: "Zo zegt Rutgers: Inden eersten tijd althans was het de gewoonte, dat de Kerkenordening, nadat zij was vastgesteld, in de mindere vergadering wederom werd aangenomen. Schijnbaar was dat overbodig, en zelfs zonderling. Maar toch, welbeschouwd, was het zeer doeltreffend, opdat het gemeen accoord des te beter blijken zou. De reeds vastgestelde ordening werd als het ware geratificeerd, juist door hen die de lastgevers der Synode geweest waren."
En in een noot: De bedoelde gewoonte blijkt ook verder uit al wat van de oudste Classikale en Provinciale acta bekend is. 3) Dit laatste hebben we in het vorige artikel gezien en we hebben ook nagegaan welke betekenis ana dat instemmen met, goedkeuren enz. moet worden gehecht. Niet die van een juridische acte. Bij die instemming ging het, zegt Rutgers, om de betoning van eenstemmigheid, want aan het door Deddens gegeven citaat gaat deze zin vooraf: "En aan die eenstemmigheid werd nu voorts nog iets anders toegevoegd", dan volgt het citaat. Deddens geeft de vindplaats niet op. Het staat op bladzijde 24 van De geldigheid van de oude kerkenordening. In datzelfde geschrift, een rectorale oratie, schrijft Rutgers een tiental bladzijden eerder: "Toen de artikelen dezer, Kerkenordening voor het eerst werden vastgesteld, en ook later bij wijziging en bestendiging, was het niet onzeker, welke beteekenis de Synoden zelve aan hare arbeid toekenden.
Die artikelen werden opgesteld en uitgevaardigd, niet als een voorstel, waarover nu door anderen zou moeten beslist worden: niet als een ontwerp, welks definitieve vaststelling nog van iemands goedkeuring zou afhankelijk zijn ... ; maar als synodale besluiten, die dus als zoodanig zooveel mogelijk het kerkelijk leven zou zijn in te richten".
Dit is het oordeel van Rutgers over de geldigheid van synodale besluiten.
Daarom noemt hij de betuiging van instemming door de mindere vergaderingen niet haar ratificatie als onderdeel van de rechtsvorm, maar kwalificeert hij die "als ratificatie"
met het oog op het betonen van eenstemmigheid.
Het gaat me er heus niet om om Rutgers onfeilbaar te verklaren, noch om hem als de autoriteit naar voren te brengen, maar men moet hem niet laten zeggen wat hij nooit heeft bedoeld.
De rechten en de vrijheden van de kerken
Het ging prof. Deddens in zijn door mij geciteerde inaugurele rede om de verdediging van de rechten en vrijheden van de plaatselijke kerken tegenover de synodale machtsoverschrijding in de tijd van de vrijmaking.
Dit was een nobel streven en in dit opzicht heeft hij vele voortreffelijke dingen gezegd; zijn rede is nog altijd zeer lezenswaard.
Dat deze rechten en vrijheden echter de door hem verstane en nader aangewezen ratificatie noodzakelijk inhouden is m.i. niet vol te houden en met historische bewijzen niet aannemelijk te maken. Ze zijn voldoende gewaarborgd in het recht van toetsing door de plaatselijke kerken en in het na bevonden strijd met Gods Woord en de orde der kerk niet accepteren of ook verwerping van besluiten van meerdere vergaderingen. Dit recht van toetsing, zoals dat besloten ligt in het oude art. 31 dient onverzwakt gehandhaafd te blijven. Tenslotte kunnen meerdere vergaderingen falen.
Waar mensen werken worden fouten gemaakt.
Er kan ook in het geheel geen bezwaar tegen gemaakt worden dat meerdere vergaderingen in bepaalde gevallen voorlopige besluiten nemen of een voorlopig oordeel geven, die ter nadere overweging aan de mindere vergaderingen worden toegestuurd. Dit is een bepaalde uitwerking van het oude beginsel, dat de zaken van de meerdere vergadering op de mindere worden voorbereid. Dit beginsel is in de eerste tijd van de Gereformeerde kerken in ons land steeds in praktijk gebracht, en tot op de dag van vandaag werd vaak op een brede vergadering een of andere aangelegenheid ter nadere behandeling naar de plaatselijke kerken terugzonde.
Maar steeds golden wel daarna de tenslotte genomen besluiten der meerdere vergadering als rechtsgeldig, behoudens het "tenzij"
van art. 31. Zo was het vroeger.
Daarbij moet echter wel bedacht worden dat deze besluiten, met uitzondering van leeruitspraken, canones, zoveel mogelijk moesten gehouden worden. Ze golden niet absoluut en onvoorwaardelijk zoals de wetten van de Meden en de Perzen, want ze wilden slechts de goede orde en de welstand en vrede der kerken dienen. Wij zijn langzamerhand zo juridisch gaan denken, dat we dit amper meer kunnen verstaan.
Vandaar onze moeiten met betrekking tot kerkverbandszaken, We denken daarover te juridisch.
En daarmee kom je met een ten diepste geestelijke gemeenschap niet uit, evenmin als in een huwelijk, hoewel dit natuurlijk ook een rechtsaspect heeft.
Daarom kan de figuur van de ratificatie, zoals die op het voetspoor van Deddens wordt verstaan en staat ingevoerd te worden ons naar ik vrees niet wezenlijk helpen. Ze is in zichzelf al te juridisch van aard, uitgesponnen juridisch, terwijl men juist wat menselijker wil spreken.
Het is beter de zaken wat meer geestelijk te bezien.
Overigens, wezenlijk kwaad zit er niet in, omdat de nu - voorlopig - aangenomen formulering (wordt door de plaatselijke kerken bekrachtigd) de bekrachtiging van besluiten ener meerdere vergadering stelt als een onderling overeengekomen verplichting. We hebben dan te doen met een in wezen slechts formeel-juridische figuur, met een rechtsvorm. Wézenlijk blijft de ook vroeger vrijwillig aangegane overeenkomst de kerken om geldige besluiten te nemen via meerdere vergaderingen.
Als deze rechtsvórm de goede gang van zaken dienen kan is het goed haar te accepteren. Maar men doe dit niet met een ontoereikend beroep op de historie, doch alleen om elkaar te dienen, echter zonder dat er onduidelijkheid ontstaat: de onderlinge overeenkómst is de basis die blijft gelden. 4)
1) De ratificering, pag. 6.
2) a~w.pag. 27.
3) a.w. pag. 12
4) In "De feitelijke toedracht" volgde ik Deddens te veel, afgaande op de door hem gegeven citaten. Tegen dreigende synodocratie is echter 'n voldoende dam opgeworpen in het recht van toetsing naar het oude art. 31. Maar het recht van toetsing en afkeuring impliceert nog niet de ratificering - als deel van de rechtsvorm.