Zo was het (26)

1979-04-06
  • Jaargang 23
  • nummer 14
Een vreemde toestand was het daar op de Veluwe in mijn dagen. De meerderheid der bevolking was of noemde zich gereformeerd. Zij het met verschillende toevoegingen. Velen hoorden bij een oud-gereformeerde kerk. Leden van de hervormde kerk waren in meerderheid, evenals de dominees, gereformeerdebonders. Maar de opvattingen: die daar heersten hadden ook nogal sterke invloed op de gereformeerde kerken. En bij allen werkte een verkeerde opvatting over verkiezing en verwerping door.
Daarbij dacht men niet aan een daad Gods in de tijd, maar aan een eeuwig besluit. Dat niet veel verschilde van een lotsbeschikking. Misschien mag ik wel zeggen een noodlot-met-noodlottige-gevolgen.

Ogenschijnlijk viel het met die slechte invloed nogal mee. Over het algemeen ging men trouw tot zeer trouw naar de kerk. Alleszins godsdienstig waren de meesten. Velen spraken graag over "het goede". Men had veel voor de eredienst over en zorgde uitstekend voor de pastorie en haar bewoners.
De zondagsviering was over het algemeen streng en m.i. wettisch.
Wat trouwens van heel de levenshouding moet worden gezegd. Van oude zeden en gewoonten werd niet afgeweken. Tenminste door de "getrouwen"
niet. Dat men stond in de vrijheid, waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, kan ik niet zeggen; Voor de een of andere vereniging sprak ik eens over de Nieuwe Bijbelvertaling en pleitte voor het gebruik daarvan.
Maar dit viel niet in goede aarde. Men wilde maar bij het oude blijven.
Er was een zekere angst voor al wat zweemde naar nieuwlichterij.

Maar hoe stond het met het christelijke leven van alledag? Het spreekt vanzelf dat velen echt wilden leven naar uitwijzing van het Evangelie.
Verkeerde theorieën gaan soms samen met een gezond christelijk leven.
Maar over het algemeen kan ik niet zeggen, dat men zich beijverde om roeping en verkiezing vast te maken door een leven in navolging van de Here Jezus Christus. In wat men noemde het "natuurlijke leven" gingen velen maar hun gang. Dat stond voor hun besef buiten het leven der genade. Men moest toch zorgen voor levensonderhoud en men moest zich toch door dit leven heenslaan? Er was veel zondagschristendom en dat het alle dagen zondag moest zijn, drong tot velen niet door.

"Natuurlijk" geloofden allen in God en in, de Here Jezus. Dat spreekt toch vanzelf? En dat de Bijbel Gods Woord was, van kaft tot kaft, dát stond vast als een paal boven water. Maar met de zekerheid en de blijdschap van het geloof stond het niet zo best. Men had zo van die vaste uitdrukkingen bij de hand: "Het gaat zo gemakkelijk niet". "Een mens moet toch maar wedergeboren worden". "Velen toch zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren". "Het moet een mens maar gegeven worden". "God moet het doen". En zo zou er meer te noemen zijn. Zo in het algemeen geloofde men het Evangelie wel, naar men zei. Maar dat was nog heel wat anders dan te weten, dat men persoonlijk deel had aan het heil en dat iemand behoorde tot de verkorenen. In heel wat huiskamers stonden wat "oude schrijvers" op een rekje. Of ze veel werden gelezen betwijfel ik, maar op de een of andere manier hadden ze wel invloed. Waarschijnlijk door overlevering van mond tot mond. Of iemand tot de uitverkorenen behoorde was een moeilijk te beantwoorden vraag. Hij moest in elk geval kenmerken daarvan vertonen. Zekere keurmeesters verlangen nog weer kenmerken van kenmerken. Dat iemand zich zó als hij was aan de Heiland mocht overgeven, drong niet tot de meesten door. Dat de Here Jezus in de wereld gezonden was om zondaren en zondaressen te behouden werd in het algemeen wel aanvaard. Maar men moest zich eerst diepzondig weten en om zo te zeggen langs de hel gegaan zijn om tot de hemelse blijdschap te komen. En dat was maar voor weinigen weggelegd.

Vreemde toestand was het. De jonge broeders en zusters deden op een zekere leeftijd Belijdenis. Maar men noemde dit: als lidmaten aangenomen worden. Toch werden vragen gesteld, die alleen beantwoord konden worden door hen, die geloofden. Doch dit was maar het belijden van een algemeen geloof. Wat niet inhield dat iemand zich persoonlijk geroepen en verkoren wist. Zo kon het voorkomen, dat op een zondag een 50 jonge mensen werden aangenomen. Terwijl een volgende zondag maar een vijftal avondmaal vierde.

Ja, men kon het beleven, dat mensen van 70 of 80 jaar hun leven lang het Evangelie hadden gehoord zonder te weten of zij "er wel bij hoorden".
En velen gingen donker heen. Wel "in de hope des eeuwigen levens", zoals in een rouwadvertentie stond. Maar dat was dan niet de hoop, zoals de Bijbel daarvan spreekt. Maar een zweven tussen hoop en vrees.
Trouwens laten we ons niet vergissen. Dát komt nog voor. Ook in "onze" kringen. Het komt niet zo vaak voor dunkt mij, dat iemand om zo te zeggen met de dood in de schoenen loopt en toch zegt: het gaat prima met mij. Want ik heb 50 jaar het Evangelie gehoord en geloofd en zou het dan niet goed met mij gaan? Het komt God zij dank voor. Maar vaker tref ik een broeder of zuster aan, die "oud en der dagen zat" nog niet weet of de Here Jezus wel zijn Heiland is. Er is nog veel onzekerheid en gemis aan blijdschap des geloofs. En één van de oorzaken daarvan is naar mijn overtuiging een verkeerde opvatting van verkiezing en verwerping als een soort noodlot.

En nu kom ik terug op Efeze 1 : 4: "Hij heeft ons in (of door) Hem uitverkoren voor de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht". Zeer troostvol. God heeft ons, die in de Here Jezus geloven, uitverkoren. Dat schreef Petrus aan "heiligen en gelovigen". Heiligen in Christus, gelovigen in de Here Jezus. Dat mogen alle gelovigen weten, dat God hen heeft uitverkoren, hen heeft geroepen, hen heeft liefgehad. Hij was met Zijn genade ons vóór. Zeer vertroostend.

Maar ook vol vermaning: "Opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn en leven voor Zijn aangezicht". Daartoe heeft God ons geroepen en verkoren, opdat wij zouden jagen naar de heiligmaking. En ons best zouden doen onberispelijk te leven, naar aanwijzing van Gods evangelische wet. Naar Zijn onderwijs. Die troost en die vermaning liggen in dit vers. Hoe we nu verder ook denken over dat "in Christus" of "door Christus". En over de "grondlegging der wereld". Of we nu vertalen: in Christus of door Christus maakt voor mijn besef weinig of geen verschil.

De meeste vertalingen hebben: in Hem. Christus is De Uitverkorene bij uitnemendheid. In Hem zijn alle gelovigen begrepen. Omdat ze bij Hem behoren zijn zij in of met Hem uitverkoren. Dat is de oude en algemeen aanvaarde opvatting. Maar het is ook mogelijk te vertalen met: door Hem zijn wij uitverkoren. Christus is het, die zijn gemeente vergadert, roept en uitkiest door Woord en Geest. Ieder die in Hem gelooft mag en kan zeggen: Hij heeft mij verkoren door de verkondiging van het Evangelie.
Het komt mij voor, dat deze vertaling de beste is. Met zekerheid is dit echter niet uit te maken en daarover moeten we maar niet twisten.

En wat de uitdrukking: "voor de grondlegging der wereld" betreft, daarmee wordt m.i. bedoeld voor de Schepping van hemel en aarde. Het is mij bekend, dat ook gepleit is voor de opvatting, dat hiermee gedoeld wordt op het ontstaan van het volk Israël. Onmogelijk acht ik dit niet, maar voor de hand ligt het m.i. toch niet. In elk geval zou ook dan verwezen worden naar een houding van God in het verleden. Wat ook het geval is als we blijven bij de opvatting: voor de Schepping.
Wil dit nu zeggen, dat God toen reeds verkoren heeft en dan wel in een eeuwig besluit? Maar dat is dan toch geen verkiezen als een daad Gods.
Terwijl naar mijn overtuiging Paulus, in overeenstemming met alle gegevens van de Schrift, over Gods verkiezen spreekt als een dáád Gods in de tijd. Daarheen wijst ook de werkwoordsvorm die hier gebruikt wordt.

Maar wat wil Paulus nu dan met deze uitdrukking zeggen? Naar mijn overtuiging gebruikt Paulus hier een verkorte wijze van spreken. Prof. B. Holwerda heeft indertijd als mogelijkheid dit al voorgesteld. Ongeveer zo: "Hij heeft ons nu, in den tijd, uitverkoren in Christus, naar Zijn voornemen van voor de grondlegging der wereld". Ik zou het zó willen zeggen: God heeft ons verkoren in de tijd, door Christus. Maar dat is niet een daad van een ogenblik. Het is niet een gril of opwelling van een moment.

Maar zó is God altijd geweest. Zo is Zijn welbeha~n, Zijn heilswil. Hij is Liefde. Hij heeft geen plezier in de dood van een zondaar, maar daarin dat die zich bekeert, gelooft en leeft. Dr Venema schreef een dissertatie getiteld: Uitverkiezen en uitverkiezing in het Nieuwe Testament. En zijn conclusie luidt kort en krachtig: "Deze actie Gods (verkiezing) in de tijd ligt echter verankerd in de eeuwige heilswil Gods en wordt daardoor beheerst" .
Er is geen sprake van een soort noodlot, dat ons boven het hoofd hangt.
We hoeven en mogen niet piekeren over een verborgen besluit in de "stille eeuwigheid", waarmee reeds over ons eeuwig lot is beslist. Zo spreekt de HERE in zijn woord nooit en nergens. Geloof maar in de Here Jezus en weet dan dat ge door of in Christus verkoren bent. Maar dat is geen waarborg voor de zaligheid. Het is niet zo, dat iemand dan kan zeggen: Nu ben ik binnen en kan mij nooit meer iets ergs gebeuren.
Want de Schrift spreekt ook van "vervallen van Gods genade" en "schipbreuk lijden van het geloof". Ef. 1 : 4 is niet alleen vol van troost. Maar ook vol van vermaning. Er volgt immers: "opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht". En dat hoort er onlosmakelijk bij.

Wat wel al te zeer vergeten is in heel het gereformeerdendom. Tot grote schade m.i.
Onder veel gereformeerden heerst een zekert lijdelijkheid. Algemeen is er de overtuiging: God moet het doen. Wat dat "het" dan ook mag zijn.
Dat is waar. Tenminste half waar. Maar een halve waarheid is soms even erg als een leugen. Men zegt wel: God moet het doen, maar vergeet dan wat God al gedaan heeft en wat Hij doet! God heeft zijn genade geopenbaard in Jezus Christus. Hij heeft Zijn Geest uitgestort en Hij geeft zijn Geest aan hen, die daarom bidden in geloof. Hij heeft zijn hart voor ons geopend door de gave van zijn Zoon, Jezus Christus. Hij heeft zijn Evangelie ons bekend gemaakt. En dat Evangelie is een kracht Gods tot behoud.

Is ons dat niet genoeg? Zo heeft Hij ons verkoren en geroepen. Zo dringt Hij ons tot geloof en bekering. En we mogen ons zó als wij zijn aan Hem overgeven.
Maar wij moeten ons maar bekommeren om wat wij te doen hebben. Namelijk onze roeping en verkiezing vast maken. Door echt vroom te leven en te wijken van het kwaad. Door te jagen naar de heiligmaking. Anders zullen we de HERE niet zien. Door eigen redding te werken met heilige zorgvuldigheid, tot roem van Zijn welbehagen. Zo maken we onze roeping en verkiezing vast. En als we dat niet willen en dat niet doen, zetten wij roeping en verkiezing op losse schroeven. Dan waren we wel geroepen en verkoren. Maar dan was het ons de moeite niet waard om een feestkleed aan te trekken. Dan wilden we ons best niet doen om onberispelijk te leven voor het aangezicht van God. We zijn wel niet gewend aan zulke taal. Maar zó spreekt het Woord van de Here wel. Hij roept ons toe: Strijdt om in te gaan. Anders zal de deur gesloten blijven aan het einde der dagen. Bezint u op wat waar en waardig, wat heilig en rechtvaardig is, wat liefelijk is en welluidend, wat maar deugdelijk is en lof verdient.
En brengt dat in praktijk. Zo zal uw leven vruchtbaar en werkzaam zijn.
Daartoe roept ons deze tekst.
Zou het misschien daarvan komen, dat er zoveel onzekerheid en twijfel is?
Slordig leven en zeker en blij zijn kán niet samengaan. Maar wordt het leven dan niet zwaar en moeilijk? Geen sprake van. De last is licht en het juk zacht. We dienen toch niet als slaven, maar als kinderen Gods?
Hebben we geen Vader in de hemelen? En geen Heiland als Voorspraak?
En de almachtige Heilige Geest als Leider? Welaan dan: strijdt de goede strijd en loopt in de loopbaan. En gelooft de belofte, dat we meer dan overwinnaars zullen zijn, door Hem die ons heeft liefgehad. Wat we eens zijn zullen is ons niet ten volle geopenbaard. Maar het zal niet tegenvallen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief