De legende van Mattheüs
1979-04-06
Om het mezelf nog een keer wat gemakkelijk te maken èn om bet lezenswaardige van wat nu volgt neem ik uit het Gereformeerd Weekblad over de legende van Mattheüs, zoals die door Prof. dr J. Veenhof daarin werd weergegeven. De oorspronkelijke tekst is te vinden in Der Geburtstag von Adam und Eva van Werner Reiser.- Jaargang 23
- nummer 14
De evangelist Mattheüs zat aan zijn schrijftafel met een wit blad papier voor zich. Om hem heen lagen de geschriften van het Oude Testament. In zijn hand hield hij een rol van de evangelist Marcus, die al helemaal stukgelezen was. Hij schudde het hoofd en zei bij zichzelf: "Zo ais Marcus kan ik mijn evangelie niet beginnen. Jezus was er immers al voor hij gedoopt werd. Hij viel niet op zijn dertigste jaar plotseling uit de hemel.
Hij heeft toch een voorgeschiedenis op aarde, die tot zijn geboorte en nog ver daarvoor teruggaat. God handelt op lange baan. Daarom heeft elke jood een stamboom. - Hoe ziet de stamboom van Jezus er eigenlijk uit?"
Hij bladerde lang in de heilige schriften en keek toen tevreden op. Snel maakte hij een ontwerp met de grote tijdvakken van de geschiedenisvan Israël, van Abraham tot David, van David tot Jechonia, van Jechonia tot Jezus en voegde daar de namen van de koningen en van hun oudste zonen in.
Toen hij ijverig schreef, kwam zijn vrouw binnen. Ze bracht hem iets te eten en te drinken en vroeg hem: "schiet je met het werk op?" Hij zei: "ga zitten, dan zal ik je voorlezen, wat ik geschreven heb".
Zij ging zitten en Mattheüs las voor.
Hij voelde zich helemaal op zijn gemak.
Aan zijn voeten zat een mens.
Dat was toch iets heel anders dan bij de evangelist Markus. Aan diens voeten had een leeuw gezeten. Maar een mens - dat leverde toch een veel mooier beeld op. Misschien zou men hem later samen met een mens afbeelden.
Maar ook de vrouw van een evangelist wil niet slechts een mooi symbool zijn, maar een mens uit vlees en bloed en met een eigen mening. Plotseling stond ze op, boog zich over zijn schouder, keek in het manuscript en vroeg: "waarom staan er eigenlijk geen vrouwen in de stamboom?"
Mattheüs antwoordde: "vrouwen zijn toch verondersteld, wanneer er staat: hij verwekte". Zij antwoordde: "zeker, maar daarvoor zijn er altijd twee nodig. Je moet er een paar vrouwen bij nemen". En ze begon direkt al ijverig in de oude geschriften te bladeren.
"Zal ik je er een paar noemen?
Ik kan er minstens een dozijn opsommen! Toe maar - Sara, Rebekka, Lea - de beroemdste. Ach nee", zo onderbrak ze zichzelf, "over de beroemde vrouwen spreekt men toch al genoeg. Neem liever een paar meer onbekende. Hier neem toch deze Thamar!"
Mattheüs weerde ontsteld af: "Thamar toch niet! Wat denk je eigenlijk wel? Deze vrouw, die verkleed aan de kant van de weg ging staan, om eindelijk van de een of andere man een kind te krijgen. Je mag Jezus toch niet met zo pijnlijke vrouwen belasten!
Blader alsjeblieft verder!" Toch nam hij de naam van Thamar op.
"Maar nu Rachab, de hoer uit Jericho, die moet je noemen. Zij heeft twee israëlitische spionnen in haar huis verstopt en van de dood gered".
Mattheüs zuchtte: "alweer een vrouw met een slechte reputatie! Je hebt een vreemde smaak vandaag. Hoe we leven kijken. Werkelijk, ze heeft voor ons volk een waardevolle militaire rol gespeeld. Daarom is ze bruikbaar".
Zijn vrouw las verder: "Nu ben je zeker tevreden. Daar hebben we Ruth, de buitenlandse vrouw uit Moab, de vrouw, die door Boaz in bescherming werd genomen. Wat wil je nog meer?" Mattheüs gaf toe: "ja, Ruth is goed. Ze heeft er ook vreemd bloed in gebracht. Lees verder". Zijn vrouw las: "Isaï verwekte David, David verwekte Salomo. - Maar je kunt aan de grootste koning van Israël niet zo makkelijk voorbijgaan. Tenslotte kent elk kind de affaire van David met Batseba".
Mattheüs riep uit: "noem deze naam niet! Het is al erg genoeg dat het gebeurd is. Uitgerekend bij David, de grootste gezalfde voor Jezus".
Zijn vrouw antwoordde: "jij denkt altijd aan de ontsporingen. Ik denk aan de vergeving, die David van God ontvangen heeft. Anders zou de lijn hier toch afgebroken zijn en je zou misschien helemaal niets te schrijven hebben. Is er dan vergeving zonder zonde?" Slechts met tegenzin stemde Mattheüs toe. Maar de naam Batseba noemen - dat kon hij niet over zijn hart krijgen. In plaats daarvan nam hij de naam van haar ongelukkige echtgenoot Uria op. Daarna zuchtte hij zwaar en zei: "laat het nu bij deze vier vrouwen blijven, anders wordt alles nog ingewikkelder".
Zijn vrouw stelde hem gerust: "je hebt immers Maria ook nog. Ze maakt alles weer goed, wat daar zo vreemd met elkaar vervlochten is.En overigens: ik moet nu gaan. Bij de volgende eeuw wil ik niet van de partij zijn. De vele onsmakelijke oorlogsgeschiedenissen laat ik liever aan de mannen over. Wij vrouwen zijn toch altijd hun slachtoffers".
En ze ging de kamer uit. Mattheüs keek haar hoofdschuddend en bewonderend na. Ongestoord liep hij de volgende duizend jaar door met de grote tijdvakken van de staatsgeschiedenis voor en na de babylonische gevangenschap tot aan de geboorte van de Verlosser. Tenslotte keek hij snel naar de indeling: "veertien generaties tot David, veertien tot de babylonische ballingschap en net zoveel tot Jezus".
Plotseling hield hij stil. Er was iets, dat hem opviel. In het eerste tijdvak had het geloof van Israël het zonder de staat kunnen stellen, in het tweede waren staat en religie eng met elkaar verbonden, en in de derde periode, die nog steeds voortduurde, moest het geloof opnieuw zonder de steun van de staat zijn eigen weg gaan. Maar het geloof' had steeds overleefd, ondanks de dwaasheden van de mensen en de verwarringen van de staat. Bij zoveel goddelijke trouw hoef je over de toekomst van het geloof niet bezorgd te zijn.
Gelukkig en vol vertrouwen nam Mattheüs het eerste blad van zijn evangelie en toonde het aan zijn vrouw. Ze had er nu geen bezwaren meer tegen in te brengen. Ze spreidde alleen ineens haar armen wijd uit en zei: "Weet je, zó groot zou de stamboom worden, wanneer je niet steeds alleen maar de oudste zonen, maar alle broers en zusters samen met hun vertakkingen opgeschreven zou hebben.
Dan zou duidelijk worden, dat Jezus eigenlijk met heel de wereld verwant is, met joden en arabieren, met heidenen en christenen. Dan is hij immers onze broeder en wij zijn zijn "broers en zusters, broers en zusters van een ongedeelde wereld".
Mattheüs riep: "je overdrijft! Zo eenvoudig gaat het niet!"
Zijn vrouw antwoordde: "ik overdrijf niet. Ik geloof".
Zo kwam het, dat aan het begin van het evangelie van Mattheüs deze menselijke stamboom van onze Verlosser staat.