... dat de Christus moest opgewekt worden!

1979-04-13
  • Jaargang 23
  • nummer 15
Verbazingwekkend
"De Heer is waarlijk opgestaan"dat klinkt alsof ze eraan hadden getwijfeld. Dat hadden de discipelen ook; het kost Jezus moeite hen van het feit van zijn opstanding te overtuigen. Anders gezegd: om hen "de wet en de profeten" te doen geloven. Jarenlang heeft Hij hun privé-onderricht gegeven naast wat zij publiek te zien en te horen kregen. Na drie jaar onderwijs legt Hij hun de vraag voor: wie ben Ik nu naar het idee van de mensen?
Een handvol antwoorden is het resultaat. Dezelfde vraag, maar nu aan de leerlingen, brengt een van hen, Simion, tot het antwoord: "U bent de Messias, de Zoon van de levende God." Eindelijk is er één die het ziet. Die door de Schriften, door God is overtuigd (Mt. 16 : 13-20).
Deze doorbraak, herkenning van Jezus als de Messias, betekent geen keerpunt in Jezus' onderwijs.
Integendeel: nu kan Hij pas goed verder gaan, er dieper op in gaan.
Mattheüs schrijft: van toen aan begon Jezus Messias zijn discipelen te tonen (te onderwijzen, duidelijk te maken, aan te tonen), dat Hij naar Jeruzalem moest gaan ... (Mt. 16 " 21-28).
Waarom naar Jeruzalem? Waarheen anders dan naar Gods uitverkoren stad! Daar staat zijn huis, het hart van Israëls Gods-dienst.
Jeruzalem is door de eeuwen heen het theater, het schouwspel van de ontmoeting tussen God en Zijn volk.

Snel klaar met het lijden
Maar blijkbaar ón-verwacht is, dat de Messias veel moest lijden van de zijde der oudsten en overpreisters en schriftgeleerden en gedood worden en ten derden dage opgewekt worden.
Jezus toonde het aan, onderwees hen daarin - hoe? Hoe anders dan uit "de wet en de profeten"Jezus' enige geldige legitimatie?
Niet voor niets bleef Jezus in het huis van Zijn Vader toen Jozef en Maria al weer op weg naar Nazareth waren. Niet voor niets bezocht Hij naar zijn gewoonte (niet uit gewoonte) de synagoge, ook nadat Hij "zoon der wet" was geworden.
Hij heeft er de Schriften zich eigen gemaakt, ondanks het feit dat de voorgangers die verhaspelden en naar eigen behoefte uitlegden. Hij verstond wat Hem als Messias stond te wachten: Hij kende de Schriften, en daarom kon Hij uit de Schriften aantonen ...
Hoe? Wij zijn met het antwoord ten dele gauw klaar. Als het gaat om het lijden, hebben we Jes. 53 al opgeslagen en ligt Ps. 22 ons voor in de mond: echt Messiaanse lijdensteksten. Maar we lopen al snel vast bij het "ten derden dage opgewekt worden". Waar staat dát in de Schriften? Denkelijk vinden we Petrus' redenering op de pinksterdag zoiets als kunst- en vliegwerk, gezochte Schriftverklaring (Hand. 2 : 22 v.v.).

Verlegenheid inzake de opstanding
Onze verlegenheid vloeit denkelijk weer voort uit onze onbewuste gewoonte dat we Messias Jezus uitspelen tegen Israël. Anders gezegd: we herkennen in Hem niet Israël zelf. Niet in de zin van identificatie over en weer. Maar wel in de zin van representatie. Wat God van elke Israëliet verwacht, wat Hij van zijn knecht, zijn zoon verwacht, dat heeft déze Israëliet zich ten volle eigen gemaakt. Jezus Messias is Israël in eigen persoon.
In Hem is Israël "geconcentreerd", Hij is bij uitstek de Zoon door God verwekt (ps. 2 : 7). Al wat gebeurd is, schrijft Paulus, is ons ten voorbeeld (typos) geschied: het is typerend.
Laten we zo, met die gedachte, de wet en de profeten eens gaan lezen.
Heel Israëls wedervaren, al zijn wederwaardigheden. Dan valt natuurlijk (ook) op Israëls falen, het verzet tegen elke "messias" (van Abel tot Zacharia, van het begin tot het eind van zijn vroegere geschiedenis).
Oók Gods straffen vanwege zijn zonden. Niet minder Gods barmhartigheid en lankmoedigheid.
Hij schept altijd weer een nieuw begin.
Maar evenzeer gaan de ogen dan open voor de ongemotiveerde haat tegen de HERE en Zijn Gezalfde (Ps. 2 : 1-3), de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap (Ef. 2 : 14) die kennelijk voortkomt uit hatelijke jalouzie vanwege Israëls bevoorrechting (Rom. 9: 4, 5).

De taal der Schriften
Wat zullen de discipelen - en zij niet alleen - het moeilijk hebben gehad zó de bijbel, héél Israëls geschiedenis te lezen. Te lezen als één toelichting, illustratie van Jezus' weg op aarde, Israël bij uitstek.
Maar juist in dat kader spreekt bijv. Hos. 6 : 1-3 voor zichzelf. Zeker, het gaat daar over het volk Israël. Een Israël dat alleen genezing ontvangt door bekering (5 : 8-6 : 3). Dat zegt: "komt, laat ons wederkeren tot de HERE! Want Hij heeft verscheurd, en zal ons helen; Hij heeft geslagen en zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derde dage zal Hij ons oprichten,
en wij zullen leven voor zijn aangezicht ... " (6 : 1, 2). De zekerheid die hieraan ten grondslag ligt, kan Israël alleen geput hebben uit zijn kennis van de HERE. Zó is onze God, zó gaat Hij om met zijn volk, zijn knecht, zijn zoon.
Wie in de rechte verhouding tot Hem staat, wie zich tot Hem keert, wie zijn knecht wil zijn en zijn zóón zich weet, zal leven ook al ware hij gestorven. Israëls opstandingsvisioen (Ez. 37 : 1-14), naar opschrift van de N. Vert., spreekt voor een goed verstaander boekdelen: "de herrijzenis van Israël".
Hoe vaak werd Israël met de dood bedreigd, te vuur en te zwaard vervolgd (Ex. 1; Ps. 116 enz.) en is toch in leven gebleven, uit de dood herrezen door Gods goedertierenheid?

Openbaring geweigerd
Hoe moeilijk dit onderwijs metterdaad te accepteren valt demonstreert Petrus. Diezelfde Petrus die als enige tot de conclusie kwam: U· bent de Messias, de Zoon van de levende God. Hij protesteert: "dat verhoede God, Heer, dat zal U geenszins overkomen!".
Waarom antwoordt Jezus zo scherp, zelfs met een: "ga weg, achter Mij, satan; gij zijt Mij een struikelblok"?
Weliswaar geen duivel (als in 4 : 1 v.v.), maar toch een satan, een tegenstander ... Waarom anders dan omdat Petrus met één zwaai heel Jezus' onderwijs uit de wet en de profeten als niet terzake doende van tafel schuift? Zoëven liet Jezus Petrus weten dat hij zijn inzicht aan God zelf te danken had. Maar nu wil Petrus van geen openbaring weten (zo moeilijk is het de Schriften helemáál te geloven!). Petrus heeft zo zijn eigen ideeën. En alle onderwijs, zelfs van Jezus zelf, krijgt hem niet van zijn stuk: denkbeelden van God zijn nog gevaarlijker dan gesneden beelden ...
Jezus onderkent dat tot op de bodem: "gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen". Wat Petrus nu zegt is hem wèl door "vlees en bloed geopenbaard"
(16 : 17). 't Zijn zijn eigen gedachten - maar, als in Jes. 55 - God blijft zeggen: mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen ...

De (enige) weg des geloofs
Het verzet tegen Gods wijze van doen laait dus weer op. Petrus accepteert God, Gods doen en laten, Gods gang door de wereld, Gods openbaring ten diepste niet.
En toch is dat de enige weg. Jezus verbindt eraan: "indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf (zegge néé tegen zichzelf) en neme zijn kruis op en volge Mij." Alleen wie zijn eigen leven, gedachten prijs geeft en zich gewonnen geeft aan Gods wegen en gedachten, die zal zijn leven behouden!
Wie niet "de dingen Gods", het Koninkrijk Gods vóór laat gaan, op de eerste plaats zet, dat als uitgangspunt van zijn doen en laten kiest, staat straks met lege handen, wat hij ook verder gewonnen moge hebben. Wie, als Israël toen, de complete openbaring van God terzijde schuift, zal de vervulling der openbaring zien zonder er profijt van te hebben. Die dag lag dichter bij dan Israël vermoedde (16 : 27, 28). Maar wie de ergernis en de dwaasheid van het kruis accepteert, wie naar de Schriften aanvaardt dat de Messias moest lijden en sterven en accepteert dat het de discipel niet beter vergaat dan zijn Meester, die kan ook met een gerust hart de wederopstanding
verwachten. Vanwege haar verbondenheid met Christus zal de kerk in het lichaam de overblijfselen van het lijden van Christus meedragen, maar zij zal, als de discipel, met ontzag getuigen: de Heer is waarlijk opgestaan - en wij mèt Hem!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief