Naar een nieuwe kerken-ordening?

1979-04-13
  • Jaargang 23
  • nummer 15
Bedoeling van dit artikel
Met belangstelling heb ik de artikelen van br. Huizinga inzake het kerkverband gelezen. Hoewel hijzelf enkele malen verzucht dat het geen plezierige bezigheid is over het onderhavige onderwerp te denken en te schrijven, moet gezegd worden dat het lezen van zijn artikelen beslist geen onplezierige zaak genoemd kan worden. Hij verstaat de kunst over onaantrekkelijke onderwerpen aantrekkelijk te schrijven.
Uit zijn artikelen komt ook duidelijk naar voren, dat hier iemand aan het woord is die zich voor de kerkverbandelijke organisatie, zoals die in onze kerken weer in opbouw is, met hart en ziel wil inzetten, omdat hij een dergelijke structuur als een schriftuurlijke voorwaarde ziet voor het goed functioneren van de gemeenten van Christus.
Het zal niemand verbazen dat ik daar tegenover stel, dat ik van mening ben dat de kerkelijke organisatie-structuur zoals die nu in de maak is, schadelijk is voor het goed functioneren van de gemeenten van Christus. Het is niet mijn bedoeling deze stelling hier uitvoerig te gaan uitwerken. Ik heb dat indertijd gedaan in mijn boekje "De gekerkerde kerk". Wie wil weten wat mijn argumenten zijn, kan daar terecht.
Het is ook niet mijn bedoeling de artikelen van br. Huizinga op de voet te volgen en van kanttekeningen te voorzien. Wie kennis genomen heeft van zijn en van mijn argumenten, mag in staat geacht worden zelf te kunnen oordelen.
Maar nu van de kerken op 19 mei a.s. een uitspraak gevraagd wordt inzake het kerkverband, meen ik toch nog enkele dingen naar voren te moeten brengen in een poging enkele misverstanden uit de weg te ruimen. Want misverstanden bestaan er onmiskenbaar.

Kwaad in het hart
In de eerste plaats wil ik in dit verband wijzen op het argument dat in de discussies nogal eens naar voren komt: de zonde zit niet in het kerkverband, niet in de structuur, maar in het hart van de mens.
Deze opmerking suggereert dat degenen die zich verzetten tegen de restauratie van de KO, ontkennen dat de zonde in het hart van de mens zit of dat ze daar althans niet voldoende rekening mee houden.
Deze suggestie leidt dan als vanzelf tot een valse probleemstelling. Men gaat dan nl. denken dat er een keuze gemaakt moet worden tussen twee visies, waarvan de een de zondigheid van de mens helemaal serieus neemt, terwijl de andere die zondigheid verwaarloost en het kwaad uitsluitend of voornamelijk in de structuur zoekt. Het is dan geen vraag meer welke kant je kiezen moet.
Maar zo worden degenen die waarschuwen tegen de aanvaarding van het Accoord voor kerkelijk samenleven in een hoek gemanoeuvreerd, waarin ze niet thuis horen. Er is geen sprake van dat zij zouden ontkennen dat de zonde in het hart van de mens zit of dat ze daar niet voldoende rekening mee houden.
Integendeel. Juist omdat ze er zozeer van doordrongen zijn dat de mens zelf zondig is, zeggen ze: pas op voor die structuur die nu in de maak is. Juist omdat ons hart zondig is, is dat zulk gevaarlijk speelgoed.
Als je een aggressieve patiënt een mes in de handen geeft, ben je ook niet klaar met de redenering: het kwaad zit niet in het mes maar in de aggressie. Dat is op zichzelf genomen wel waar. Misschien is er zelfs wel sprake van een voortreffelijk mes van eerste kwaliteit staal.
Maar de dingen staan nu eenmaal nooit op zichzelf. Juist omdat je weet dat de patiënt aggressief is, moet je hem geen mes geven. Als je het toch doet en hij maakt brokken, ben je daar verantwoordelijk voor.
Wanneer je hem geen mes geeft, wordt de aggressiviteit van de man natuurlijk niet minder. Die blijft en zal zich ook op allerlei manieren uiten. Maar je voorkomt dan wel bepaalde ernstige en onherstelbare gevolgen van die aggressiviteit.
Door een dergelijke patiënt een mes te geven vergroot je alleen maar het kwalijke effect van zijn aggressiviteit.
En daarom handel je onverantwoordelijk als je hem een mes in handen duwt.
De zonde zit in ons hart. Dat is helemaal waar. Maar juist daarom zeg ik: geef ons niet weer een KO in handen. Want het effect kan alleen maar zijn, dat de gevolgen van die zonde ernstiger worden. De kwalijke gevolgen van onze zonde worden er alleen maar door vergroot.

Kwaad in de structuur
Maar er komt nog iets bij. Wanneer gezegd wordt: het kwaad zit niet in de structuur maar in het hart, wekt dat bovendien de indruk dat structuren er niet zoveel toe doen en dat je je daar niet zo druk over hoeft te maken.
Dat is in zijn algemeenheid niet te handhaven. Als je geconfronteerd wordt met de piramidale kerkstructuur van de RKK met de paus aan de top, kun je die stelling niet volhouden.
Natuurlijk zit het kwaad in het hart. Maar het zit niet minder in die structuur.
Nu zal iedereen het wel met dit voorbeeld eens zijn. We gaan er daarom maar vanuit, dat er onder ons met die structuur gedoeld wordt op onze eigen KO-in-voorbereiding.
In dat geval wordt met genoemde zinsnede de indruk gewekt, dat er met de structuur die nu in onze kerken in de maak is, niets aan de hand is en dat daar niets op valt aan te merken. Maar dat bestrijd ik. Ik vind dat er op die structuur wel degelijk iets valt aan te merken en dat die zelf niet goed is. En als je een verkeerd structuur in handen geeft van zondige mensen, zijn de gevolgen voorspelbaar.
Met nadruk wil ik nog eens zeggen dat er geen paradijselijke situatie ontstaat, wanneer de voorgestelde romp-KO niet wordt aangenomen.
De toegang tot het paradijs is ons in deze bedeling ontzegd. Ook een KO-Ioos kerkverband is geen ideaal kerkverband. Want inderdaad is ons hart zondig. Maar we zouden onverantwoordelijk handelen, als we die zonde het instrumentarium verschaffen zichzelf breed te maken en te intensiveren. De verantwoordelijkheid daarvoor zou ik niet willen dragen.

Organiseren en organiseren zijn twee
Een ander misverstand dat regelmatig opduikt, ligt in de gedachte dat de tegenstanders van de nieuwe KO per definitie vijandig tegenover organiseren staan. Maar zo ligt het niet. We hebben niets tegen organiseren, maar wel tegen deze vorm van organiseren.
Waar samengewerkt en geholpen moet worden, moet men organiseren.
Organisatie is een levensvoorwaarde voor een goede samenwerking en een goede hulpverlening.
Maar zo'n organisatie moet dan wel een zakelijk en soepel karakter dragen.
Ben een KO is dat niet het geval.
Een KO is altijd meer dan een zakelijke overeenkomst. Om een KO hangt altijd een geur van principes.
Een KO pretendeert de neerslag te zijn van bijbelse gegevens. Daardoor krijgt zo'n KO onvermijdelijk het karakter van een heilige Koe.
Dat karakter deelt zich dan ook mee aan die artikelen in een KO die wel zakelijk zijn. Zo krijgt een KO als geheel een aureool van onaantastbaarheid, dat theoretisch weliswaar wordt ontkend, maar dat in de practijk ertoe leidt dat er nauwelijks nog iets aan te veranderen valt. Een KO wordt gemaakt voor eeuwen en gaat bij voorbaat mank aan aanpassingsvermogen.
Zakelijke afspraken en regelingen hebben dat aureool van onaantastbaarheid niet. Daarom zijn zij veel flexibeler. Ze kunnen veel gemakkelijker gewijzigd en vervangen en aangepast worden, al naar gelang de omstandigheden dat vereisen.
Een KO mist dat flexibele karakter door de vermenging van zakelijke en principiële, artikelen. En wan-
neer bepaalde principiële artikelen dan bovendien nog aanvechtbaar zijn (zoals dat o.a. met art. 34 het geval is), gaat een KO functioneren als een bovenschriftuurlijke binding en kan ze als zodanig alleen maar schadelijk zijn.
Er moet georganiseerd worden.
Maar men zie wel toe hoe men organiseert.
Want niet elke organisatievorm is geschikt voor de gemeente van Christus. De romp-KO waarover op 19 mei een uitspraak gedaan moet worden, is daar een voorbeeld van.
Inperking van de christelijke vrijheid Bepalend voor mijn verzet tegen de nu op stapel staande KO is het feit, dat we erdoor gebonden worden aan allerlei dingen waaraan de Schrift zelf ons niet bindt. We zijn weer bezig overleveringen van mensen te fabriceren, waardoor uiteindelijk het evangelie belemmerd wordt in zijn doorwerking en de christelijke vrijheid wordt ingeperkt.
Daarom zeg ik principieel neen tegen deze ontwikkeling.
Is dat een vorm van "blauwdrukdenken", zoals br. Huizinga dat noemt? Het hangt er maar vanaf wat men daaronder verstaat. Ik ge> loof dat het Nieuwe Testament ons wel degelijk een aantal richtlijnen geeft voor het organisatie-patroon van Christus' gemeenten. Ik zou die richtlijnen best een blauwdruk willen noemen, zonder daarmee te willen zeggen dat alles wat niet met name in die richtlijnen genoemd wordt, ipso facto afgewezen moet worden. Maar ik vind wel, dat zaken die zich niet verdragen met het karakter van dit grondpatroon, verwerpelijk zijn.
Regionale en landelijke vergaderingen worden niet in de Schrift genoemd.
Betekent dat, dat ze daarom niet gehouden mogen worden?
Ik denk niet dat er iemand onder ons is, die dat zou willen beweren.
Maar het wordt een andere zaak, als zulke vergaderingen de bevoegdheid krijgen besluiten te nemen, waaraan alle kerken gebonden worden (uiteraard onder voorbehoud van een "tenzij-clausule").
Ik ben ervan overtuigd dat die bevoegdheid niet alleen maar niet genoemd wordt in de nieuwtestamentische richtlijnen, maar er regelrecht mee in strijd komt, omdat zo de deur wordt opengezet voor het heersen van een groep kerken over andere kerken.
Ik kan het niet anders zien dan dat we op 19 mei a.s. voor de principiële keuze staan vóór of tegen bovenschriftuurlijke bindingen. Ik ben me ervan bewust, dat de voorstanders van de nieuwe KO deze bindingen niet bedoelen en zelfs niet willen. De artikelen van br. Huizinga spreken in dat opzicht duidelijke taal. Niettemin staat het voor mij vast, dat deze bindingen het onvermijdelijke gevolg zullen zijn van een aanvaarden van de voorgestelde artikelen van het Accoord voor kerkelijk samenleven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief